Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiser 1] , eiser I [V-nummer 1]
[kind 1] , [kind 2] en [kind 3]
Rechtbank Den Haag
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van gezinshereniging. De rechtbank had eerder al geoordeeld dat de minister binnen een redelijke termijn een besluit moest nemen, maar ondanks een opgelegde dwangsom bleef een besluit uit.
In het tweede beroep, ingesteld op 11 april 2025, heeft de minister nog steeds geen besluit genomen. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt de minister op binnen twee weken na de uitspraak alsnog een besluit te nemen. Tevens wordt een dwangsom van € 200 per dag opgelegd met een maximum van € 15.000.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister in de proceskosten van eisers en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed. De uitspraak is gedaan zonder zitting op grond van artikel 8:54 Awb Pro.
De rechtbank benadrukt dat de eerdere dwangsom onvoldoende prikkel bleek om tot besluitvorming te komen, waardoor de hogere dwangsom en korte beslistermijn noodzakelijk zijn.
Eisers worden hiermee in hun recht gesteld en de minister wordt aangespoord om binnen de gestelde termijn te handelen.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, draagt de minister op binnen twee weken een besluit te nemen en legt een dwangsom op tot maximaal € 15.000.