Uitspraak
Rechtbank den haag
1.De procedure
2.Het incident tot tussenkomst, althans voeging
3.De feiten
“Overnachtingshaven [plaats] ”en
“Ligtijd maximaal 3 x 24 uur”.
Rechtbank Den Haag
In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 4 december 2025 uitspraak gedaan in een kort geding tussen B.V. [eiseres] en de Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. De eiseres vorderde dat de Staat zou worden veroordeeld tot nakoming van zijn inspanningsverplichting, inhoudende dat beroepsschippers doordeweeks enkel tussen 18.00 uur en 8.00 uur en gedurende het weekend in de haven zouden mogen verblijven. De rechtbank heeft de vorderingen van eiseres afgewezen, omdat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake was van een spoedeisend belang. De rechtbank oordeelde dat eiseres niet kon aantonen dat zij de uitkomst van een bodemprocedure niet kon afwachten. De zaak heeft een lange voorgeschiedenis, waarbij eerder al procedures zijn gevoerd over de uitleg van de overeenkomst tussen eiseres en de Staat en het gebruik van de haven. De rechtbank heeft ook de belangen van Koninklijke Binnenvaart Nederland (KBN) in overweging genomen, die zich had gevoegd aan de zijde van de Staat. KBN heeft betoogd dat het publieke belang bij veiligheid en het naleven van internationale voorschriften in het geding komt wanneer de Staat zou worden veroordeeld tot het bewerkstelligen van een beperking van het gebruik van de haven. De rechtbank heeft uiteindelijk geoordeeld dat eiseres haar spoedeisend belang onvoldoende heeft onderbouwd en heeft de vorderingen afgewezen. Eiseres is veroordeeld in de proceskosten van zowel de Staat als KBN.