ECLI:NL:RBDHA:2025:25116

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
24 december 2025
Zaaknummer
C/09/693931 / KG ZA 25-1070
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing van vorderingen tot nakoming van inspanningsverplichting door de Staat in kort geding over gebruik van haven door beroepsschippers

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 4 december 2025 uitspraak gedaan in een kort geding tussen B.V. [eiseres] en de Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. De eiseres vorderde dat de Staat zou worden veroordeeld tot nakoming van zijn inspanningsverplichting, inhoudende dat beroepsschippers doordeweeks enkel tussen 18.00 uur en 8.00 uur en gedurende het weekend in de haven zouden mogen verblijven. De rechtbank heeft de vorderingen van eiseres afgewezen, omdat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake was van een spoedeisend belang. De rechtbank oordeelde dat eiseres niet kon aantonen dat zij de uitkomst van een bodemprocedure niet kon afwachten. De zaak heeft een lange voorgeschiedenis, waarbij eerder al procedures zijn gevoerd over de uitleg van de overeenkomst tussen eiseres en de Staat en het gebruik van de haven. De rechtbank heeft ook de belangen van Koninklijke Binnenvaart Nederland (KBN) in overweging genomen, die zich had gevoegd aan de zijde van de Staat. KBN heeft betoogd dat het publieke belang bij veiligheid en het naleven van internationale voorschriften in het geding komt wanneer de Staat zou worden veroordeeld tot het bewerkstelligen van een beperking van het gebruik van de haven. De rechtbank heeft uiteindelijk geoordeeld dat eiseres haar spoedeisend belang onvoldoende heeft onderbouwd en heeft de vorderingen afgewezen. Eiseres is veroordeeld in de proceskosten van zowel de Staat als KBN.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/693931 / KG ZA 25-1070
Vonnis in kort geding van 4 december 2025
in de zaak van
B.V. [eiseres]te [plaats] ( [gemeente] ),
eiseres,
advocaten mr. R.R. Oudijk en mr. L.J.W. Mingelen,
tegen:
DE STAAT DER NEDERLANDEN(Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat) te Den Haag,
gedaagde,
advocaat mr. drs. A. Divis-Stein,
waarin zich heeft gevoegd:
KONINKLIJKE BINNENVAART NEDERLAND (KBN)te Rotterdam,
advocaat mr. M.J. van Dam.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiseres] ’, ‘de Staat’ en ‘KBN’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 5 november 2025, met producties 1 tot en met 14;
- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 4;
- de incidentele conclusie tot tussenkomst, met producties 1 tot en met 6.
1.2.
De mondelinge behandeling is gehouden op 13 november 2025. Tijdens de mondelinge behandeling hebben de advocaten van [eiseres] en de Staat het woord gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen. Deze maken deel uit van het dossier.
1.3.
De datum voor het wijzen van vonnis is bepaald op vandaag.

2.Het incident tot tussenkomst, althans voeging

2.1.
KBN heeft gevorderd te mogen tussenkomen, althans zich te mogen voegen in de procedure tussen [eiseres] en de Staat. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] bezwaar gemaakt tegen tussenkomst door KBN, omdat KBN in de visie van [eiseres] geen eigen vordering wenst in te stellen. De advocaat van de Staat heeft betoogd dat de Staat de incidentele vordering zo heeft begrepen dat KBN zich wenst te voegen aan de zijde van de Staat om de belangen van de binnenscheepvaart te behartigen.
2.2.
KBN heeft haar wens om tussen te komen gemotiveerd met een beroep op het Rijnvaartpolitiereglement (RPR). KBN meent dat binnenvaartschippers op basis van dit reglement het zelfstandige recht hebben om drie keer 24 uur in de overnachtingshaven in [plaats] (hierna ‘de haven’) te mogen liggen. In de procedure tussen [eiseres] en de Staat is in geschil of het gebruik van de haven op doordeweekse dagen moet worden beperkt, op de wijze zoals [eiseres] heeft gevorderd. KBN behartigt de belangen van binnenvaartschippers en zij heeft daarom gevorderd dat de vorderingen van [eiseres] worden afgewezen.
2.3.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft KBN voldoende onderbouwd dat zij er een eigen belang bij heeft dat de haven ook overdag mag worden gebruikt, onder meer in verband met de vaar- en rusttijden waaraan de binnenschippers zich moeten houden. Zij heeft er daarom ook belang bij dat de Staat niet wordt veroordeeld tot een beperking van het gebruik van de haven tot de uren tussen 18.00 uur en 8.00 uur en dus bij afwijzing van de vorderingen van [eiseres] . Daarmee heeft zij voldoende belang bij de procedure tussen [eiseres] en de Staat als bedoeld in artikel 217 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). KBN heeft niet aangevoerd dat zij een eigen vordering wenst in te stellen jegens [eiseres] en de Staat, waardoor geen sprake is van tussenkomst maar van voeging en wel aan de zijde van de Staat. Niet is gebleken dat de voeging aan een voortvarende afdoening van dit kort geding in de weg staat. Hierdoor ontstaat geen strijd met de goede procesorde in het algemeen. KBN wordt daarom toegelaten als voegende partij in de procedure tussen [eiseres] en de Staat aan de zijde van de Staat.

3.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
3.1.
[eiseres] is eigenaar van het zuidelijke gedeelte van een (water)perceel, gelegen te [plaats] aan de rivier de Waal (de haven). Het noordelijke gedeelte van dit (water)perceel behoort in eigendom toe aan [bedrijfsnaam] B.V. (hierna ‘ [bedrijfsnaam] ’), enig aandeelhouder van [eiseres] en tevens eigenaar van het naast de haven gelegen bedrijventerrein. De Staat is eigenaar van de landtong en de havenmond (de toegangsgeul), waarmee de haven vanaf de Waal kan worden bereikt. Het water boven de aan [eiseres] en [bedrijfsnaam] toebehorende percelen is aangemerkt als openbaar water.
3.2.
Op 7 december 1982 is een overeenkomst tot stand gekomen tussen [eiseres] en de Staat (hierna ‘de overeenkomst’), op grond waarvan [eiseres] aan de Staat een zakelijk gebruiksrecht heeft verleend met betrekking tot het zuidelijke gedeelte van de haven, hierna ‘de erfdienstbaarheid’. Artikel 1 van de overeenkomst luidt als volgt:
De akte van vestiging van de erfdienstbaarheid (hierna ‘de akte’) is gepasseerd op 22 december 1983. Artikel 1 van de overeenkomst is ook opgenomen als artikel 1 van de akte.
3.3.
De Staat heeft na het sluiten van de overeenkomst in het zuidelijke gedeelte van de haven een overnachtingshaven ingericht, die voor alle binnenvaart toegankelijk is.
3.4.
Ter plaatse van de haven is het RPR van toepassing. Het RPR bevat de verkeersregels voor de Rijn. De haven is op voordracht van, althans na goedkeuring door de Staat in het RPR opgenomen. Aanvankelijk gold een maximale ligduur van acht nachten, maar in 1992 is in internationaal verband een maximale ligduur van 3 x 24 uur vastgesteld. In artikel 14.11 lid 1 aanhef en onder g. van het op dit moment geldende RPR (1995) is bepaald dat het in de haven, zonder toestemming van de bevoegde autoriteit, verboden is om langer dan 3 x 24 uur aaneengesloten ligplaats te nemen op de openbare ligplaats. Deze in het RPR vastgelegde ligduur kan alleen gewijzigd worden via een met waarborgen omklede procedure bij de Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR) in Straatsburg, nu het om de scheepvaartbelangen van de binnen- en buitenlandse binnenvaart gaat.
3.5.
De Staat heeft (in ieder geval) in 1992 bij de toegangsgeul tot de haven een bord geplaatst met onder meer de tekst
“Overnachtingshaven [plaats] ”en
“Ligtijd maximaal 3 x 24 uur”.
3.6.
Partijen hebben met elkaar geprocedeerd, onder meer over de inhoud van de erfdienstbaarheid en over de toegestane lengte van het gebruik van de haven. In een tussenvonnis van 24 februari 1993 heeft deze rechtbank (samengevat) overwogen dat een redelijke uitleg van de overeenkomst meebrengt dat [eiseres] moet gedogen dat beroepsschippers tijdens het weekend overdag in de haven blijven liggen, maar dat deze schippers gedurende werkdagen overdag niet in de haven mogen blijven liggen, maar alleen tussen 18.00 uur en 08.00 uur. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de Staat maatregels moet treffen om te bereiken dat beroepsschippers [1] gedurende werkdagen overdag niet in de overnachtingshaven blijven liggen en dat de Staat wat dat betreft een inspanningsverplichting heeft. In het eindvonnis van 27 november 1996 (hierna ‘het eindvonnis 1996’) heeft de rechtbank, onder verwijzing naar het tussenvonnis, overwogen dat de Staat de beroepsschippers op deugdelijke wijze moet informeren over het gebruik van de haven, waarbij te denken valt aan een publicatie ten minste één keer per jaar in één of meer door beroepsschippers gelezen periodiek(en), het plaatsen van een behoorlijk zichtbaar bord met informatie bij de ingang van de haven, het regelmatig controleren van de haven en het optreden tegen overtreders. De rechtbank heeft de Staat veroordeeld tot het nemen van die maatregelen, zonder daaraan een dwangsom te verbinden. Het eindvonnis 1996 is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
3.7.
In 2017/2018 heeft de Staat de havenmond verbreed en meerpalen in het verlengde van de door hem in het zuidelijk gedeelte van de haven aangelegde steigers geplaatst. [eiseres] heeft hierop een procedure aanhangig gemaakt om onder meer nakoming van het eindvonnis 1996 af te dwingen, op straffe van een dwangsom. Bij vonnis van 28 maart 2018 heeft deze rechtbank de daartoe strekkende vordering afgewezen. [eiseres] heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis en het gerechtshof Den Haag (hierna ‘het hof’) heeft bij arrest van 21 januari 2020 bepaald dat wel een dwangsom zal worden verbonden aan de nakoming door de Staat van het eindvonnis 1996. Deze veroordeling is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
3.8.
De Staat heeft beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof. In een arrest van 3 december 2021 heeft de Hoge Raad het arrest van het hof vernietigd en de zaak ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het gerechtshof Amsterdam (hierna ‘het verwijzingshof’). De Hoge Raad heeft de klachten van de Staat tegen het oordeel van het hof dat de Staat het eindvonnis 1996 op straffe van een dwangsom moet nakomen daarbij verworpen.
3.9.
De minister van Infrastructuur en Waterstaat (hierna ‘de minister’) heeft om invulling te geven aan de inspanningsverplichting van de Staat zoals opgenomen in het eindvonnis 1996 op 4 februari 2022 een verkeersbesluit genomen, inhoudende dat bij de ingang van de overnachtingshaven een verkeersteken zal worden geplaatst met daarop de mededeling dat alleen op werkdagen tussen 18.00 uur en 8.00 uur en gedurende het weekend kan worden aangelegd aan de steigers. KBN heeft bezwaar gemaakt tegen dit verkeersbesluit, waarna de minister het besluit op 17 november 2022 heeft herroepen en er opnieuw een ligtijd van 3 x 24 uur werd gehanteerd in de haven. Tegen dit herroepingsbesluit heeft [eiseres] beroep ingesteld bij de rechtbank Gelderland. In een uitspraak van 26 mei 2025 heeft de rechtbank Gelderland het herroepingsbesluit vernietigd, samengevat omdat de minister geen zorgvuldige belangenafweging heeft gemaakt en het verkeersbesluit en de stelling dat de scheepvaartbelangen prevaleren boven het belang om uitvoering te geven aan civielrechtelijke uitspraken onvoldoende heeft gemotiveerd.
3.10.
De minister en KBN hebben bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna ‘de Afdeling’) beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland. De afdeling heeft nog geen datum voor een mondelinge behandeling bepaald. Verder heeft de minister op 21 juli 2025 naar aanleiding van het vonnis van de rechtbank Gelderland van 26 mei 2025 opnieuw een beslissing op bezwaar genomen en het bezwaar van KBN tegen het eerder genomen verkeersbesluit met een uitgebreidere motivering wederom gegrond verklaard. [eiseres] heeft tegen die beslissing van de minister beroep ingesteld bij de Afdeling. De procedure in beroep is nog niet afgerond.
3.11.
Op 11 november 2025 heeft [eiseres] naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 3 december 2021 de verwijzingsprocedure aanhangig gemaakt bij het hof Amsterdam (hierna het verwijzingshof).

4.Het geschil

4.1.
[eiseres] vordert – zakelijk weergegeven – (I) de Staat te veroordelen tot nakoming van zijn inspanningsverplichting inhoudende alles te doen om te bewerkstelligen dat (beroeps)schippers doordeweeks enkel tussen 18.00 uur en 8.00 uur en gedurende het weekend in de haven verblijven en (II) de Staat te gebieden om, ter nakoming van zijn inspanningsverplichting, in elk geval de in het petitum van de dagvaarding genoemde concrete maatregelen te nemen (samengevat: het kenbaar maken van de uren waarop het gebruik van de haven is toegestaan op borden in/rond de haven, op voor de binnenvaart relevante websites en in tijdschriften of kranten), het gevorderde onder (II) op straffe van een dwangsom, een en ander met veroordeling van de Staat in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2.
Daartoe stelt [eiseres] – samengevat – het volgende. In zijn arrest van 3 december 2021 heeft de Hoge Raad de klachten van de Staat tegen het oordeel van het hof in het arrest van 21 januari 2020 dat de Staat, op straffe van een dwangsom, verplicht is om het eindvonnis 1996 na te komen, verworpen. Dit betekent dat de Staat nog altijd gehouden is om de in het eindvonnis 1996 beschreven maatregelen te treffen. Door de vernietiging van het arrest van het hof van 21 januari 2020 beschikt [eiseres] echter op dit moment niet over een executoriale titel om nakoming van het eindvonnis 1996 door de Staat af te dwingen. [eiseres] heeft er daarom belang bij dat de Staat in deze kortgedingprocedure tot die nakoming wordt veroordeeld en dat aan die veroordeling een dwangsom wordt verbonden, ter overbrugging van de periode tot de uitspraak van het verwijzingshof. [bedrijfsnaam] beschikt al sinds eind 2024 over een omgevingsvergunning om een distributiecentrum te realiseren naast de haven en de exploitant van dat distributiecentrum wil overdag geen last hebben van vaarbewegingen in strijd met de erfdienstbaarheid. Daarom moet de Staat zo snel mogelijk maatregelen treffen om te bereiken dat beroepsschippers gedurende werkdagen overdag niet in de overnachtingshaven blijven liggen.
4.3.
De Staat en KBN voeren verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4.4.
KBN vordert – zakelijk weergegeven – [eiseres] niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen, althans deze vorderingen af te wijzen, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.
4.5.
Verkort weergegeven stelt KBN daartoe dat het publieke belang bij veiligheid en het naleven van (internationale) voorschriften met betrekking tot vaar- en rusttijden in het geding komen wanneer de Staat zou worden veroordeeld tot het bewerkstelligen van een beperking van het gebruik van de haven.
4.6.
Voor zover nodig zullen de standpunten van [eiseres] en de Staat met betrekking tot de vordering van KBN hierna worden besproken.

5.De beoordeling van het geschil

5.1.
[eiseres] vordert in deze kortgedingprocedure, onder verwijzing naar de beslissing van het hof in het arrest van 21 januari 2020 en voor de periode tot aan de uitspraak van het verwijzingshof, de veroordeling van de Staat tot het nemen van maatregelen ter voldoening aan zijn inspanningsverplichting inzake de ligtijden in de haven, op straffe van een dwangsom.
5.2.
De Staat heeft allereerst betwist dat [eiseres] een spoedeisend belang bij toewijzing van haar vorderingen heeft.
5.3.
Vast staat dat het geschil tussen partijen een lange voorgeschiedenis kent. Al sinds 1991 zijn partijen verwikkeld in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke juridische procedures over de uitleg van de overeenkomst en het gebruik van de haven. Ter onderbouwing van haar spoedeisend belang heeft [eiseres] gesteld dat zij tot 2024 zonder succes met de Staat heeft onderhandeld over een totaaloplossing, dat [bedrijfsnaam] in november 2024 door het overnemen van de aandelen in [eiseres] (in)direct eigenaar van de haven en het naastgelegen bedrijventerrein is geworden en dat [bedrijfsnaam] voornemens is om ter plaatse een distributiecentrum te realiseren, waarvoor een inmiddels onherroepelijke omgevingsvergunning is verleend. Volgens [eiseres] moeten schepen van de exploitant van dat distributiecentrum kunnen afmeren bij de overslagfaciliteit in verband met bevoorrading van het distributiecentrum, zodat een extensief gebruik van de haven voor deze exploitant cruciaal is. Verder heeft [eiseres] gesteld dat zij, zolang het verwijzingshof nog geen uitspraak heeft gedaan, niet tot executie van de dwangsomveroordeling kan overgaan en geen drukmiddel heeft om de Staat te bewegen te voldoen aan de op hem rustende inspanningsverplichting. Daarom heeft zij de gevorderde voorlopige voorziening nodig om haar rechten ten opzichte van de Staat te kunnen effectueren.
5.4.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiseres] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de Staat het minst genomen goed heeft gevonden dat de haven als een door de binnenvaart gebruikte passantenhaven in het RPR werd opgenomen. Zoals in het eindvonnis 1996 is overwogen is dat gebruik, waarmee de Staat dus kennelijk heeft ingestemd, in strijd met de tussen partijen overeengekomen erfdienstbaarheid. Voorts staat vast staat dat [eiseres] niet van aanvang af heeft aangedrongen op handhaving van de erfdienstbaarheid. Al sinds in ieder geval 1992 staat er een bord bij de toegangsgeul tot de haven, waarop is vermeld dat de maximale ligduur ter plaatse 3 x 24 uur bedraagt en de haven is sindsdien ook op die wijze door passerende binnenvaartschippers gebruikt. Weliswaar heeft [eiseres] in de jaren negentig een procedure aangespannen over de uitleg van de erfdienstbaarheid, zij heeft echter pas in 2017 een procedure aanhangig gemaakt om nakoming van het eindvonnis 1996 door de Staat af te dwingen. Tot die tijd heeft zij op zijn minst het gebruik van de haven door binnenvaartschippers voor 3 x 24 uur gedoogd. De procedure uit 2017 heeft geleid tot het arrest van het hof van 21 januari 2020 waarin de dwangsommen zijn opgelegd en het arrest van de Hoge Raad van 3 december 2021 waarin het arrest van het hof Den Haag is vernietigd, waarna [eiseres] pas vier jaar later, in november 2025 de procedure bij het verwijzingshof aanhangig heeft gemaakt.
5.5.
Het voorgaande betekent dat [eiseres] in de periode tussen 1992 en 2017 de situatie dat de haven in strijd met de erfdienstbaarheid is gebruikt heeft laten voortbestaan. Vervolgens beschikte zij op 21 januari 2020 over een arrest, op grond waarvan de Staat op straffe van een dwangsom gehouden is om de door [eiseres] verlangde maatregelen te treffen. Zij heeft er echter voor gekozen om niet tot tenuitvoerlegging van dat arrest over te gaan. Na het arrest van de Hoge Raad waarin het arrest van het hof Den Haag werd vernietigd, heeft [eiseres] vervolgens nog vier jaar gewacht om de procedure bij het verwijzingshof aanhangig te maken. Gelet op dit een en ander valt niet in te zien dat [eiseres] op dit moment een spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening. Zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij het arrest van het verwijzingshof niet kan afwachten.
5.6.
Voor zover [eiseres] heeft gewezen op de belangen van [bedrijfsnaam] overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Volgens [eiseres] heeft [bedrijfsnaam] er belang bij dat de Staat zijn verplichtingen uit hoofde van het eindvonnis 1996 nakomt, omdat [bedrijfsnaam] nabij de haven een distributiecentrum wil realiseren. [bedrijfsnaam] is echter niet [eiseres] . [eiseres] heeft betoogd dat sprake is van vereenzelviging, omdat [bedrijfsnaam] de aandelen in [eiseres] houdt en de beide vennootschappen feitelijk ‘één club’ zijn. Een beroep op vereenzelviging wordt op grond van vaste jurisprudentie slechts in uitzonderlijke gevallen gehonoreerd. Het leerstuk van de vereenzelviging is daarbij nooit toegepast op de onderhavige situatie in die zin dat belangen van de ene vennootschap worden toegerekend aan een andere vennootschap. Daar komt nog bij dat de Staat terecht naar voren heeft gebracht dat de omgevingsvergunning voor het distributiecentrum is verleend onder de voorwaarde dat de functie en het huidige gebruik van de haven gerespecteerd worden. Tot slot volgt uit de stellingen van [eiseres] dat [bedrijfsnaam] nog niet is begonnen met de bouw van het distributiecentrum. Ook de belangen van [bedrijfsnaam] rechtvaardigen daarom niet de conclusie dat [eiseres] in deze procedure een spoedeisend belang heeft.
5.7.
Bij dit oordeel weegt de voorzieningenrechter verder mee dat KBN zich inmiddels heeft gemengd in het geschil tussen [eiseres] en de Staat en dat KBN niet gebonden is aan eerdere civielrechtelijke of bestuursrechtelijke uitspraken die zijn gedaan in procedures tussen [eiseres] en de Staat. KBN heeft in dit verband voldoende toegelicht dat zij ervan uitgaat dat de binnenvaart een eigen belang heeft om de haven te mogen gebruiken. Daarbij heeft KBN er op gewezen dat het treffen van maatregelen door de Staat, zoals door [eiseres] gevorderd, niet afdoet aan het bepaalde in artikel 14.11 lid 1 aanhef en onder g. RPR, waaruit volgens KBN rechten voor de binnenvaart inzake het gebruik van de haven voortvloeien. In de bestuursrechtelijke procedure met betrekking tot het door de minister genomen, vervolgens herroepen en vervolgens opnieuw genomen verkeersbesluit zal de Afdeling een oordeel geven met betrekking tot de vraag of de Staat het verkeersbesluit tot beperking van het gebruik van de haven mag nemen. Daarbij valt binnen het bestek van dit kort geding niet op voorhand uit te sluiten dat de Afdeling tot de conclusie zal komen dat KBN op basis van het publieke recht gebruik moet kunnen blijven maken van de haven, waardoor ook met betrekking tot het geschil tussen [eiseres] en de Staat een nieuwe situatie ontstaat. Ook in dat licht bezien heeft [eiseres] haar spoedeisend belang onvoldoende concreet gemaakt.
Slotsom en proceskosten
5.8.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vorderingen van [eiseres] worden afgewezen bij gebrek aan voldoende spoedeisend belang.
5.9.
[eiseres] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten van de Staat en KBN.
De proceskosten van zowel de Staat als KBN worden begroot op:
- griffierecht
714
- salaris advocaat
1.107
- nakosten
€ 178
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.999
5.10.
De door de Staat gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter:
6.1.
wijst de vorderingen af;
6.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van zowel de Staat als KBN, voor ieder begroot op € 1.999, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiseres] niet tijdig aan die veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiseres] € 92 extra betalen, plus de kosten van betekening;
6.3.
veroordeelt [eiseres] ten opzichte van de Staat in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
6.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2025.
mvt

Voetnoten

1.In het eindvonnis 1996 wordt per abuis verwezen naar beroepsvissers