ECLI:NL:RBDHA:2025:25098

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
NL25.61838
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 5.1b, derde lid, VbArt. 5.1b, vierde lid, Vb
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel van bewaring in vreemdelingenzaak ongegrond verklaard

Eiser, een burger van Bosnië en Herzegovina, is in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege het risico op onttrekking aan het toezicht. De maatregel is gebaseerd op zware grond 3c, omdat eiser niet vrijwillig aan een terugkeerbesluit heeft voldaan, en lichte gronden zoals het ontbreken van een vaste verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan.

Eiser betwist de maatregel en stelt dat deze onrechtmatig is, onder meer omdat hij dacht dat zijn vrienden het terugkeerbesluit hadden aangevochten en hij zelf geen contact met zijn gemachtigde kon onderhouden. De rechtbank stelt echter vast dat het terugkeerbesluit op 23 september 2025 aan eiser is uitgereikt en dat eiser Nederland niet heeft verlaten, waardoor de zware grond 3c terecht is toegepast.

De rechtbank concludeert dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig is geweest en dat het beroep ongegrond is. Tevens wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.61838

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. R. Deniz),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel).

Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft zich desgevraagd akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Eiser heeft op 19 december 2025 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 22 december 2025 een reactie op de beroepsgronden ingediend. De rechtbank heeft op 23 december 2025 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1986 en burger van Bosnië en Herzegovina te zijn.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen n gegevens die noodzakelijk zijn voor de
beoordeling van een aanvraag voor een verblijfsvergunning, wegens risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen. Verweerder heeft als zware grond [2] vermeld dat eiser:
-
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden [3] vermeld dat eiser:
- 4a. zich niet aan één of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;
- 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;- 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Volgens eiser wordt niet toegekomen aan de gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen, omdat de maatregel vanaf het begin af aan onrechtmatig is. Verder betwist eiser de zware grond 3c, omdat hij in de veronderstelling was dat zijn vrienden het terugkeerbesluit hadden aangevochten door met een advocaat in contact te komen. Daarnaast heeft de gemachtigde van eiser geen contact met hem kunnen opnemen, nu de politie geen gegevens van eiser kon verstrekken. Hierdoor kon geen beroep namens eiser worden ingediend. Aangezien eiser een vriendin heeft in Nederland, had eiser wel beroep kunnen instellen. Momenteel is er geen vertrekplicht voor eiser, nu hij een asielprocedure doorloopt. Eiser heeft Nederland ook niet eerder verlaten, waardoor niet kan worden gesproken van een risico op onttrekking aan het toezicht.
4. De rechtbank stelt vast dat de zware grond 3c inhoudt dat eiser eerder een besluit heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven. Op 23 september 2025 is aan eiser een terugkeerbesluit en inreisverbod opgelegd. Uit het besluit van 23 september 2025 blijkt ook dat het besluit onmiddellijk aan eiser is uitgereikt. Verder heeft eiser verklaard in zijn gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling dat hij Nederland hierna niet heeft verlaten. De door eiser genoemde veronderstelling dat derden het terugkeerbesluit zouden hebben aangevochten, maakt het vorenstaande niet anders. Verweerder heeft de zware grond 3c daarom terecht aan de maatregel ten grondslag gelegd, nu deze feitelijk juist is. In samenhang met de onbetwiste lichte gronden mocht verweerder hieruit afleiden dat sprake is van een risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De maatregel is daarmee terecht gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.
5. Ook is overigens niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot aan het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 23 december 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vb.
3.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.