ECLI:NL:RBDHA:2025:25059

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
975504616
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in ontnemingsvordering wegens vernietiging van bedrijfsadministratie

Op 12 december 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een ontnemingsprocedure tegen de veroordeelde [veroordeelde] B.V. Het openbaar ministerie had een vordering ingediend om het wederrechtelijk verkregen voordeel van € 347.242,- te schatten en de veroordeelde te verplichten dit bedrag aan de staat te betalen. De verdediging stelde echter dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard in de ontnemingsvordering, omdat de originele bedrijfsadministratie van de veroordeelde en een medeveroordeelde B.V. was vernietigd. Dit vormverzuim zou de verdediging ernstig in haar rechten schenden, waardoor een eerlijk proces niet meer mogelijk was.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de vernietiging van de originele administratie in strijd was met de wet en dat dit een onherstelbaar vormverzuim opleverde. De rechtbank oordeelde dat het openbaar ministerie zich bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel had gebaseerd op digitale administratie, maar dat deze niet verifieerbaar was zonder de originele papieren administratie. De rechtbank concludeerde dat de verdediging niet in staat was om adequaat verweer te voeren, wat leidde tot een schending van het recht op een eerlijk proces.

Uiteindelijk heeft de rechtbank het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, omdat de vernietiging van de originele administratie aan het openbaar ministerie was toe te rekenen en de belangen van de veroordeelde ernstig waren veronachtzaamd.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/755046-16
Datum uitspraak: 12 december 2025
Vonnis ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
De rechtbank Den Haag heeft op de vordering van het openbaar ministerie en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak ten aanzien van de veroordeelde:
[veroordeelde] B.V.,
gevestigd aan de [adres], [postcode] [vestigingsplaats].

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 13 februari 2018, 12 april 2021, 15 februari 2022, 6 september 2022, 27 juni 2025 (alle regie) en 28 november 2025 (behandeling ontvankelijkheidsverweer).
De rechtbank heeft kennisgenomen van het standpunt van de officier van justitie en van hetgeen door de veroordeelde en haar raadslieden naar voren is gebracht.

2.De inhoud van de vordering

De inleidende schriftelijke vordering van het openbaar ministerie strekt ertoe dat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten en vaststellen op een bedrag van € 347.242,- en aan de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de staat van dat bedrag.

3.De ontvankelijkheid

3.1.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de ontnemingsvordering. De verdediging heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat niet alle inkomsten van de veroordeelde wederrechtelijk zijn verkregen en dat door de verdediging niet meer (met facturen) aan te tonen is welke inkomsten legaal zijn verkregen doordat de fysieke administratie van de veroordeelde en die de medeveroordeelde [bedrijfsnaam] B.V. grotendeels en in strijd met artikel IV.2 van de Aanwijzing inbeslagneming vernietigd zijn. Er is sprake van een fundamentele schending van de verdedigingsrechten, die niet meer hersteld kan worden. Er is geen enkele remedie denkbaar (zoals bewijsuitsluiting of verlaging van het ontnemingsbedrag) die het proces nog eerlijk zou kunnen maken in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, nu het kunnen onderscheiden van legale en illegale inkomsten in feite niet langer mogelijk is. De enige passende consequentie is daarom de zwaarste sanctie die artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) biedt, de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de ontnemingsprocedure
3.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vordering tot het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel. De officier van justitie heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat hij de politie opdracht had gegeven om de administratie terug te geven, dat de originele administratie toch is vernietigd, maar dat op een eerder moment wel een kopie van de volledige administratie is verstrekt en dat de ontnemingsvordering voor een groot deel is gebaseerd op elektronische administratie, waardoor het voor de verdediging mogelijk is om inhoudelijk verweer te voeren.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting van 28 november 2025 vast dat de inbeslaggenomen originele administratie van de veroordeelde en die van [bedrijfsnaam] B.V. (hierna: administratie) voor een groot deel is vernietigd. Dit is in strijd met artikel 116, eerste lid, tweede volzin, Sv en de Aanwijzing inbeslagneming (inmiddels opgevolgd door de Instructie inbeslagneming), hetgeen een onherstelbaar vormverzuim oplevert. De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of dit verzuim tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie moet leiden.
De rechtbank stelt allereerst vast dat het openbaar ministerie zich bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft gebaseerd op de digitale administratie over de periode van 1 maart 2015 tot en met 23 juni 2026, terwijl ook kan worden vastgesteld dat die digitale administratie weer is gebaseerd op papieren administratie. Verder blijkt uit de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel dat het openbaar ministerie ervan uitgaat dat de opbrengst van de verkoop van Opticlimates, bedoeld voor de professionele en/of bedrijfsmatige hennepteelt, een criminele herkomst heeft. Zoals blijkt uit het arrest van het gerechtshof Den Haag in de strafzaak tegen de veroordeelde, verkocht zij echter ook Opticlimates aan klanten die zich niet met (al dan niet professionele of grootschalige) hennepteelt bezighielden. Vanwege het ontbreken van de originele bedrijfsadministratie is, zowel voor de verdediging als voor de rechtbank, niet na te gaan om welk deel dat gaat en is ook de door het openbaar ministerie gemaakte berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet te verifiëren.
Dat het openbaar ministerie kopieën van de fysieke administratie aan de verdediging heeft verstrekt is onvoldoende compensatie voor het genoemde vormverzuim. Vanwege het ontbreken van de originele administratie is immers niet na te gaan of de verstrekte kopieën van de administratie compleet zijn. Volgens de verdediging is dat laatste niet het geval. De rechtbank leidt uit het dossier en het verhandelde ter zitting wel af dat de kopieën die van de administratie zijn verstrekt zijn gemaakt vóór de vernietiging van de originele administratie, maar volgens de verdediging is de verstrekte set kopieën onvolledig en deels onleesbaar. Van dat laatste heeft de verdediging op de zitting van 27 juni 2025 een voorbeeld getoond. Door de vernietiging van de originele administratie is het voor de rechtbank ondoenlijk om te controleren in hoeverre de verstrekte set incompleet is.
De officier van justitie heeft ter zitting gesuggereerd dat een poging zou kunnen worden ondernomen om de onderliggende digitale administratie bij de boekhouder op te vragen, omdat een kans bestaat dat de onderliggende papieren administratie is ingescand en bewaard is gebleven. Nu er een groot tijdsverloop is geweest in deze ontnemingsprocedure, het onduidelijk is gebleven of de boekhouder op enig moment over ingescande administratie beschikte en het, gelet op de verstreken wettelijke bewaartermijn van de administratie van zeven jaren, maar zeer de vraag is of de boekhouder thans nog over de administratie beschikt, zal de rechtbank het openbaar ministerie geen gelegenheid meer bieden hier nu nog onderzoek naar te doen.
Dit leidt tot de slotsom dat met grove veronachtzaming van de belangen van de veroordeelde is gehandeld, waardoor het voor de verdediging niet mogelijk is om deugdelijk verweer te voeren tegen de door het openbaar ministerie opgestelde berekening. Een en ander is het gevolg van de vernietiging van de originele fysieke administratie, die aan het openbaar ministerie is toe te rekenen. Het recht op een eerlijk proces van de veroordeelde is hierdoor in die mate geschonden dat de rechterlijke reactie slechts kan zijn de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de ontnemingsvordering.

4.De beslissing

De rechtbank:
verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.P.M. Meskers, voorzitter,
mr. C.M.A. de Koning, rechter,
mr. F. Bouman, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. S.C.S. Ramlal, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 december 2025.
mr. F. Bouman is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.