Op 23 oktober 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak waarin verzoeker, vertegenwoordigd door mr. M.K. Bhadai, een voorlopige voorziening vroeg tegen een huisverbod dat door de burgemeester van Den Haag was opgelegd. Dit huisverbod was ingesteld op 14 oktober 2024 en gold voor een periode van tien dagen, met als doel de veiligheid van de achterblijfster te waarborgen. Verzoeker betwistte de noodzaak van het huisverbod en stelde dat er geen dreiging meer was. Tijdens de zitting op 23 oktober 2025 was verzoeker niet aanwezig, maar zijn gemachtigde en andere belanghebbenden waren wel aanwezig.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er voldoende gronden waren voor het handhaven van het huisverbod, gezien het verwarde en agressieve gedrag van verzoeker, dat eerder had geleid tot een situatie waarin de achterblijfster zich onveilig voelde. De rechter concludeerde dat de burgemeester terecht had gehandeld op basis van de feiten en omstandigheden die op dat moment bekend waren. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van verzoeker ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af, waarbij hij ook oordeelde dat er geen aanleiding was om kosten aan een van de partijen op te leggen. De uitspraak werd openbaar gedaan en er werd een rechtsmiddel tegen de beslissing aangegeven, waarbij hoger beroep mogelijk was bij de Raad van State.