ECLI:NL:RBDHA:2025:24966

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
09/200903-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Diefstal van meerdere fietsen met vrijspraak en taakstraf

Op 23 december 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van diefstal van meerdere fietsen. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van de diefstal van drie fietsen, maar hem wel veroordeeld tot een taakstraf voor de diefstal van vijf fietsen. De rechtbank oordeelde dat de verdachte niet wettig en overtuigend kon worden bewezen dat hij verantwoordelijk was voor de diefstal van de fietsen van de aangeefsters, en sprak hem daarom vrij van deze feiten. De verdachte had weliswaar een fiets uit een fietsenstalling gepakt, maar het was niet bewezen dat hij het oogmerk had om deze wederrechtelijk toe te eigenen. De rechtbank hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn psychische toestand, en besloot geen gevangenisstraf op te leggen. In plaats daarvan werd een taakstraf van 150 uur opgelegd, met een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden. De rechtbank oordeelde dat de verdachte baat had bij begeleiding en dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend zou zijn, gezien zijn kwetsbare situatie. Daarnaast werden er vorderingen van benadeelde partijen behandeld, waarbij de rechtbank een schadevergoeding toekende aan één benadeelde partij, terwijl de vorderingen van de andere partijen werden afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/200903-25; 09/132026-24 (gev. ttz); 09/233332-24 (gev. ttz); 09/093562-25 (gev. ttz); 09/223879-25 (gev. ttz)
Datum uitspraak: 23 december 2025
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats] , [geboorteland] ,
BRP-adres: [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 9 december 2025 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.M Wagenaar en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. B.S. van Haeften naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
09-223879-25(hierna ook: Dagvaarding I)
hij, op of omstreeks 16 augustus 2025 te Voorhout, gemeente Teylingen
een elektrische fiets (Pegasus Siena), in elk geval enig goed, dat geheel aan een
ander toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich
wederrechtelijk toe te eigenen;
09-200903-25(hierna ook: Dagvaarding II)
1
hij op of omstreeks 14 februari 2025 te Voorhout, gemeente Teylingen
een fiets, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam 1] , in elk
geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen
2
hij op of omstreeks 1 juli 2025 te Leiden
een fiets, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander
toebehoorde(n) heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
3
hij op of omstreeks 9 juni 2025 te Voorhout, gemeente Teylingen
een fiets, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam 2] , in
elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
4
hij op of omstreeks 10 februari 2025 te Voorhout, gemeente Teylingen
een fiets, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam 3] , in
elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
09-132026-24(hierna ook: Dagvaarding III)
hij op of omstreeks 17 april 2024 te Leiden,
een fiets, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een tot op heden
onbekend gebleven persoon, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft
weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
09-233332-24(hierna ook: Dagvaarding IV)
hij op of omstreeks 2 mei 2024 te Katwijk, althans in Nederland,
een fiets, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam 4] , in elk geval
aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
09-093562-25(hierna ook: Dagvaarding V)
hij op of omstreeks 26 maart 2025 te Voorhout, gemeente Teylingen
een fiets, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam 5] , in elk
geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van de bij dagvaarding II onder 3 en 4 tenlastegelegde feiten en tot bewezenverklaring van de bij dagvaarding I, dagvaarding II onder 1 en 2, dagvaarding III, dagvaarding IV en dagvaarding V tenlastegelegde feiten.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak van de bij dagvaarding II onder 3 en 4, bij dagvaarding III en dagvaarding IV tenlastegelegde feiten bepleit en heeft zich met betrekking tot de bij dagvaarding I, dagvaarding II onder 1 en 2 en dagvaarding V tenlastegelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Vrijspraak
De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsvrouw, van oordeel dat de bij dagvaarding II onder 3 en 4 en bij dagvaarding III ten laste gelegde feiten niet wettig en overtuigend zijn bewezen. Op grond van het dossier kan de rechtbank niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat de verdachte verantwoordelijk is voor de diefstal van de fietsen van aangeefsters [naam 2] en [naam 3] . De verdachte zal van die feiten daarom worden vrijgesproken.
Voor het bij dagvaarding III ten laste gelegde feit overweegt de rechtbank dat weliswaar vaststaat dat verdachte een fiets uit de fietsenstalling gepakt heeft en daarmee is weggefietst, maar dat daarmee nog niet vaststaat dat de verdachte het oogmerk heeft gehad om die fiets wederrechtelijk toe te eigenen, mede gelet op de verklaring die hij bij de politie over het gebruik van die fiets heeft afgelegd. Daarnaast is niet komen vast te staan dat de fiets aan een ander toebehoorde. Het dossier bevat geen aangifte van diefstal van deze fiets en ook anderszins is niet gebleken dat de fiets in eigendom aan iemand anders toebehoorde. De verdachte zal daarom ook van dit feit worden vrijgesproken.
3.4.
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor de bij dagvaarding I, dagvaarding II, onder 1 en 2 en dagvaarding V ten laste gelegde feiten volstaan met een opgave van bewijsmiddelen, zoals genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De verdachte heeft deze bewezen verklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit.
De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
De rechtbank heeft de opgave van bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen in bijlage II.
3.5.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft met betrekking tot het bij dagvaarding IV ten laste gelegde feit de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen in bijlage II.
3.6.
Bewijsoverwegingen
Ten aanzien van het bij dagvaarding IV ten laste gelegde feit volgt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte op 2 mei 2024 tussen 19:20 en 19:30 bij de Lidl aan het Bosplein in Katwijk een elektrische fiets heeft meegenomen. Ook blijkt uit de bewijsmiddelen dat op 3 mei 2024 aangifte is gedaan van diefstal van een elektrische fiets die in eigendom aan [naam 4] toebehoorde. Het tijdstip waarop en de locatie waar de diefstal volgens de aangifte heeft plaatsgevonden komen exact overeen met de verklaring van de verdachte in het politieverhoor. Op grond hiervan komt de rechtbank tot het oordeel dat de verdachte de persoon is die de betreffende fiets heeft weggenomen.
Door de verdachte en zijn raadsvrouw is aangevoerd dat de verdachte ervan overtuigd was dat deze fiets van hem was en dat daarom geen sprake is van wederrechtelijke toe-eigening. De rechtbank volgt de verdachte hierin niet en acht deze verklaring ongeloofwaardig. Het is namelijk niet gebleken dat de verdachte op 2 mei 2024 een fiets in zijn bezit had. Daardoor is ook niet aannemelijk geworden dat de verdachte zich bij het pakken van de fiets vergist heeft. De verdachte heeft bovendien in het politieverhoor desgevraagd gezegd geen elektrische fiets te hebben, terwijl de weggenomen fiets een elektrische fiets betreft. Nu verdachte daarnaast heeft verklaard dat hij de fiets mee naar huis genomen heeft, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat hij het oogmerk had om de fiets wederrechtelijk toe te eigenen.
3.7.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de bij dagvaarding I, dagvaarding II onder 1 en 2, dagvaarding IV en dagvaarding V ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Dagvaarding I
hij op 16 augustus 2025 te Voorhout, gemeente Teylingen
een elektrische fiets (Pegasus Siena)
diegeheel aan een
ander toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om
diezich
wederrechtelijk toe te eigenen;
Dagvaarding II
1
hij op 14 februari 2025 te Voorhout, gemeente Teylingen
een fiets die geheel aan [naam 1] toebehoorde heeft weggenomen
met het oogmerk om
diezich wederrechtelijk toe te eigenen;
2
hij op 1 juli 2025 te Leiden
een fiets die geheel of ten dele aan een ander
toebehoorde heeft weggenomen
met het oogmerk om
diezich wederrechtelijk toe te eigenen;
Dagvaarding IV
hij op 2 mei 2024 te Katwijk
een fiets die geheel aan [naam 4] toebehoorde heeft weggenomen
met het oogmerk om
diezich wederrechtelijk toe te eigenen;
Dagvaarding V
hij op of omstreeks 26 maart 2025 te Voorhout, gemeente Teylingen
een fiets die geheel aan [naam 5] toebehoorde heeft weggenomen
met het oogmerk om
diezich wederrechtelijk toe te eigenen.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van heeft verzocht om aan de verdachte geen gevangenisstraf op te leggen, maar een taakstraf. Zij heeft aangevoerd dat de psychische toestand van de verdachte een belangrijke oorzaak is van de diefstallen en dat de verdachte niet beseft dat openstaande fietsen niet meegenomen mogen worden. De raadsvrouw heeft er verder op gewezen dat ten behoeve van de verdachte nu een zorgmachtiging loopt, waardoor de verdachte stabieler is en waardoor strikter wordt gewaarborgd dat de verdachte zijn medicijnen inneemt. Een gevangenisstraf heeft volgens de raadsvrouw voor de verdachte vergaande consequenties. Zo is er dan geen toezicht meer op de inname van medicatie, zodat het risico bestaat dat de verdachte zijn medicatie niet meer zal innemen. Ook verliest hij dan mogelijk zijn woonruimte en de begeleiding die hij daar nu krijgt, wat weer tot delictgedrag kan leiden.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan, en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van in totaal vijf fietsen in de periode van 2 mei 2024 tot en met 16 augustus 2025. Dit zijn vervelende feiten die overlast en schade opleveren. De verdachte heeft zich niet bekommerd om de gevolgen voor anderen en enkel aan zijn eigen belang gedacht.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 1 december 2025, waaruit volgt dat hij al vele malen is veroordeeld voor vermogensdelicten, waaronder diefstal van fietsen. Er is sprake van veelvuldige recidive. Dit weegt de rechtbank strafverhogend mee.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 19 november 2025, waaruit volgt dat sprake is van een patroon in het plegen van vermogensdelicten, waarbij het psychosociaal functioneren van de verdachte de grootste risico- en delictgerelateerde factor is. Er is volgens de reclassering sprake van een hoog recidiverisico. Ook volgt hieruit dat verdachte gediagnosticeerd is met een schizoaffectie stoornis van het bipolaire type, daaruit voortkomende waanideeën, en met persoonlijkheidsproblematiek. Tot slot volgt uit het rapport dat de verdachte woont in een Wlz-instelling met begeleid wonen. De reclassering adviseert een straf zonder voorwaarden en wijst erop dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf er waarschijnlijk toe leidt dat de verdachte zijn woonplek in de instelling kwijtraakt, wat de reclassering onwenselijk vindt.
De reclassering heeft haar twijfels over de mogelijkheid tot uitvoering van een taakstraf, maar denkt dat dit haalbaar is als de verdachte hier begeleiding in krijgt.
Landelijke oriëntatiepunten
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is bij diefstal van een fiets in geval veelvuldige recidive per fiets één maand onvoorwaardelijk gevangenisstraf als uitgangspunt vermeld en bij diefstal van een elektrische fiets twee maanden onvoorwaardelijk gevangenisstraf per fiets.
De straf
De rechtbank maakt uit het reclasseringsrapport en het onderzoek ter terechtzitting op dat de verdachte een kwetsbare persoon is met een licht verstandelijke beperking. Werk of andere vormen van structurele dagbesteding heeft hij niet. De verdachte heeft volgens de rechtbank baat bij de recent afgegeven zorgmachtiging en de voortzetting van het begeleid wonen in de Wlz-instelling waar hij nu verblijft, zodat de verdachte onder meer zijn medicatie krijgt. Dit is ook van belang om verder delictgedrag te voorkomen. Naar het oordeel van de rechtbank is het aannemelijk dat het begeleid wonen in de Wlz-instelling beëindigd wordt als de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zou leggen. Niet alleen de verdachte maar ook de maatschappij is daar niet bij gebaat. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf vindt de rechtbank daarom niet passend.
Mede gelet op het strafblad van de verdachte, acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een forse taakstraf passend. Met de voorwaardelijke gevangenisstraf wordt de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking gebracht en door het opleggen van een taakstraf zal de verdachte consequenties ervaren die het gevolg zijn van zijn strafbare handelen. De voorwaardelijke gevangenisstraf dient daarnaast als prikkel voor de verdachte om zich in de toekomst ervan te weerhouden om zich opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.
Gelet op alles wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaar en een onvoorwaardelijke taakstraf van 150 uur passend en geboden is.

7.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

De heer [naam 1] , mevrouw [naam 2] , mevrouw [naam 3] en mevrouw [naam 4] hebben zich als benadeelde partijen gevoegd in het strafproces.
[naam 1] vordert ten aanzien van het bij dagvaarding II onder 1 ten laste gelegde feit een schadevergoeding van € 410,00 te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uitsluitend uit materiële schade. Ter onderbouwing van dit bedrag heeft [naam 1] het aankoopbewijs van de gestolen fiets van november 2022 bijgevoegd waaruit een koopprijs van € 409,97 blijkt.
[naam 2] vordert ten aanzien van het bij dagvaarding II onder 3 ten laste gelegde feit een schadevergoeding van € 3.118,15 te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uitsluitend uit materiële schade.
[naam 3] vordert ten aanzien van het bij dagvaarding II onder 4 ten laste gelegde feit een schadevergoeding van € 729,00 te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uitsluitend uit materiële schade.
[naam 4] vordert ten aanzien van het bij dagvaarding IV ten laste gelegde feit een schadevergoeding van € 157,- te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uitsluitend uit materiële schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van [naam 1] tot een bedrag van € 332,10 te vermeerderen met wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag komt min of meer overeen met het aankoopbedrag verminderd met tweemaal 10% afschrijving, vanwege de leeftijd van de fiets ten tijde van de diefstal.
Met betrekking tot de overige vorderingen van de benadeelde partijen heeft de officier van justitie geconcludeerd tot afwijzing. Voor de vorderingen van [naam 2] en [naam 3] heeft de officier van justitie aangevoerd dat de verdachte vrijgesproken moet worden van deze feiten. Voor de vordering van [naam 4] heeft de officier van justitie aangevoerd dat geen schade is geleden, omdat het betreffende goed door politie teruggegeven is.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van de verdachte heeft bepleit dat de door [naam 1] gevorderde schade gematigd moet worden vanwege de leeftijd van de fiets ten tijde van de diefstal.
Met betrekking tot de overige vorderingen van de benadeelde partijen heeft de raadsvrouw van de verdachte bepleit dat deze niet-ontvankelijk verklaard moeten worden of moeten worden afgewezen. Voor de vorderingen van [naam 2] en [naam 3] heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte vrijgesproken moet worden van deze feiten. Voor de vordering van [naam 4] heeft de raadsvrouw aangevoerd dat geen schade is geleden, omdat de benadeelde partij het betreffende goed bij de politie kan ophalen of zelfs al heeft opgehaald.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Gedeeltelijke toewijzing vordering [naam 1]
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat [naam 1] rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding II onder 1 bewezenverklaarde feit. De rechtbank maakt gebruik van haar schattingsbevoegdheid (artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek), omdat de omvang van de geleden (materiële) schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. De rechtbank stelt vast dat de fiets in november 2022 aangekocht is voor € 409,97 en dat de fiets ten tijde van de diefstal iets meer dan twee jaar oud was. Het door de officier van justitie genoemde afschrijvingspercentage van 10% per jaar acht de rechtbank redelijk. Rekening houdend met deze afschrijving van tweemaal 10%, stelt de rechtbank de totale schade van [naam 1] vast op € 332,08.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 14 februari 2025, omdat dit de pleegdatum is van het bij dagvaarding II onder 1 bewezenverklaarde feit en dit feit een onrechtmatige daad is zoals bedoeld in artikel 6:162 en 6:83 sub b van het Burgerlijk Wetboek.
Nu de vordering van [naam 1] gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die [naam 1] tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De verdachte zal voor het bij dagvaarding II onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover [naam 1] aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 332,08, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 februari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Niet-ontvankelijk verklaring vorderingen [naam 2] en [naam 3]
De rechtbank zal [naam 2] en [naam 3] niet-ontvankelijk verklaren hun vorderingen, aangezien de verdachte zal worden vrijgesproken van de feiten waarop die vorderingen betrekking hebben. Dit brengt tevens mee dat [naam 2] en [naam 3] moeten worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen de betreffende vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.
Afwijzing vordering van [naam 4]
De rechtbank zal de vordering van [naam 4] afwijzen. Namens de verdachte is de gestelde schade gemotiveerd betwist: de verdediging voert aan dat de JBL-muziekbox waarvoor schadevergoeding wordt gevorderd, is opgehaald of kon worden opgehaald bij het politiebureau door [naam 4] . Door [naam 4] is onvoldoende onderbouwd dat haar deze mogelijkheid, tot het ophalen van het goed, niet is geboden en/of dat zij desondanks materiële schade heeft geleden.
Nu de vordering van [naam 4] wordt afgewezen, wordt zij veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen deze vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:
- 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57 en 310 van het Wetboek van Strafrecht;
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding II onder 3 en 4 en de bij dagvaarding III ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding I, dagvaarding II onder 1 en 2, bij dagvaarding IV en bij dagvaarding V ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.7 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
Dagvaarding I
diefstal;
Dagvaarding II
ten aanzien van feit 1:
diefstal;
ten aanzien van feit 2:
diefstal;
Dagvaarding IV
diefstal;
Dagvaarding V
diefstal;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een taakstraf voor de tijd van
150 (HONDERDVIJFTIG) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van
75 (VIJFENZEVENTIG) DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
3 (DRIE) MAANDEN;
bepaalt dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
de vordering van benadeelde partij [naam 1]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam 1] deels toe tot een bedrag van € 332,08, bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 14 februari 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [naam 1] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen ten behoeve van [naam 1] een bedrag van € 332,08 bestaande materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 februari 2025 tot aan de dag der algehele betaling;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 6 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.
de vordering van de benadeelde partij [naam 2] ;
bepaalt dat de benadeelde partij [naam 2] niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij [naam 2] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
de vordering van de benadeelde partij [naam 3] ;
bepaalt dat de benadeelde partij [naam 3] niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij [naam 3] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
de vordering van de benadeelde partij [naam 4]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam 4] af;
veroordeelt de benadeelde partij [naam 4] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.G. Bruinsma, voorzitter,
mr. L. Amperse, rechter,
mr. J.M. Meester, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. B.J. Stil, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 december 2025.
Bijlage I
09-223879-25(hierna ook: Dagvaarding I)
hij, op of omstreeks 16 augustus 2025 te Voorhout, gemeente Teylingen
een elektrische fiets (Pegasus Siena), in elk geval enig goed, dat geheel aan een
ander toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich
wederrechtelijk toe te eigenen;
09-200903-25(hierna ook: Dagvaarding II)
1
hij op of omstreeks 14 februari 2025 te Voorhout, gemeente Teylingen
een fiets, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam 1] , in elk
geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen
2
hij op of omstreeks 1 juli 2025 te Leiden
een fiets, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander
toebehoorde(n) heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
3
hij op of omstreeks 9 juni 2025 te Voorhout, gemeente Teylingen
een fiets, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam 2] , in
elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
4
hij op of omstreeks 10 februari 2025 te Voorhout, gemeente Teylingen
een fiets, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam 3] , in
elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
09-132026-24(hierna ook: Dagvaarding III)
hij op of omstreeks 17 april 2024 te Leiden,
een fiets, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een tot op heden
onbekend gebleven persoon, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft
weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
09-233332-24(hierna ook: Dagvaarding IV)
hij op of omstreeks 2 mei 2024 te Katwijk, althans in Nederland,
een fiets, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam 4] , in elk geval
aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
09-093562-25(hierna ook: Dagvaarding V)
hij op of omstreeks 26 maart 2025 te Voorhout, gemeente Teylingen
een fiets, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam 5] , in elk
geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Bijlage II
Dagvaarding I
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025277558 van de politie eenheid Den Haag met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 32).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte, opgemaakt op 16 augustus 2025 (p. 22 t/m 27);
2. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 18 augustus 2025 (p. 31 t/m 32).
Dagvaarding II,
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025060524, van de politie eenheid Den Haag met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 102).
Feit 1
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte, opgemaakt op 1 juli 2025 (p. 97 en 98);
2. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 14 februari 2025 (p. 57 t/m 58).
Feit 2
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte, opgemaakt op 1 juli 2025 (p. 98 t/m 101);
2. Het proces-verbaal van aanhouding verdachte, opgemaakt op 1 juli 2025, (p. 14 t/m 15).
Dagvaarding IV
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2024147476, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 28).
1. Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte, opgemaakt op 6 juni 2024, voor zover inhoudende (p. 23 t/m 24):
V: Waar was u op 2 mei 2024 tussen 19.20 en 19.30 uur, waar de fiets gestolen is?
A: Bij de Lidl, Bosplein Katwijk.
V: Daar heeft u de fiets meegenomen?
A: Ja, Elektrische fiets. Hij stond niet op slot, de sleutel zat in de fiets.
V: Heeft u zelf ook een elektrische fiets?
A: Nee.
V: Wat heeft u toen met de fiets gedaan?
A: Meegenomen naar huis.
2. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 3 mei 2024, voor zover inhoudende (p. 6 t/m 7):
Aangifte diefstal fiets. Was gisteravond bij Lidl op Bosplein in Katwijk. Mijn zoon zet de fiets neer loopt heel even daar naar binnen en toen hij terug kwam fiets weg. Merk/type: Trek Verve+ Q, Kleur: Grijs. Zitten 2 fietstassen aan merk Bexc. Eigenaar [naam 4] .
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 7 mei 2024, voor zover inhoudende (p. 12):
In de aangifte staat dat de fiets was weggenomen op 2 april 2024 tussen 19.20 uur en 19.29 uur. Aangeefster geeft aan dat ze dit per ongeluk verkeerd heeft ingevuld bij de
internet aangifte en dit moet zijn 2 mei 2024 tussen 19.20 en 19.29 uur.
Dagvaarding V
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025097449, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 28).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte, opgemaakt op 26 maart 2025 (p. 22 t/m 26);
2. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 26 maart 2025 (p. 6 t/m 8).