ECLI:NL:RBDHA:2025:24912

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
c/09/69457
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vonnis in kort geding over vervangende toestemming voor vakantie en nakoming zorgregeling

In deze zaak heeft de vrouw, eiseres, bij dagvaarding in kort geding verzocht om vervangende toestemming om met haar minderjarige kind naar Marokko te reizen. De man, gedaagde, heeft in reconventie gevorderd om een dwangsom te verbinden aan de nakoming van een eerdere zorgregeling. Tijdens de mondelinge behandeling op 22 december 2025 hebben beide partijen en de advocaat van de vrouw, mr. R.N. Baldew, verklaard aanwezig te zijn. De man heeft na de zitting toestemming gegeven voor de vakantie, wat leidde tot overeenstemming tussen partijen. De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat er geen verdere beslissing nodig was in conventie, aangezien de vrouw haar vordering had gekregen. In reconventie is de voorlopige zorgregeling gewijzigd, waarbij de vrouw een dwangsom is opgelegd voor het niet nakomen van de zorgregeling. De voorzieningenrechter heeft de proceskosten gecompenseerd, en de vrouw is veroordeeld tot het betalen van een dwangsom van € 50,- per dag bij niet-nakoming, met een maximum van € 2.500,-. Het vonnis is uitgesproken op 24 december 2025.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/696457 KG ZA 25-1261
Vonnis in kort geding van 24 december 2025
in de zaak van
[de vrouw],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres
eiseres, hierna te noemen: de vrouw
advocaat mr. R.N. Baldew te Den Haag,
tegen:
[de man],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres
gedaagde, hierna te noemen de man
mr. S. de Geus te Den Haag

1.De procedure

1.1.
De vrouw heeft bij dagvaarding in kort geding – na vermindering van eis ter zitting – gevorderd haar vervangende toestemming te verlenen om met [minderjarige] in de periode van 29 december 2025 tot en met 10 januari 2026 naar [plaats] in Marokko te reizen, met veroordeling van de man in de kosten van dit kort geding.
1.2.
De man heeft in reconventie gevorderd om zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad een aan de nakoming van de beschikking van 14 oktober 2025 een dwangsom te verbinden van € 250,- per dag met een maximum van € 25.000,-;
1.3.
Op 22 december heeft de mondelinge behandeling plaatsvonden waarbij beide partijen en mr. Baldew zijn verschenen.
1.4.
Na de mondelinge behandeling heeft mr. Baldew bericht dat de man een kopie van zijn paspoort ten behoeve van de toestemming vakantie heeft verstrekt. De voorzieningenrechter heeft bepaald dat op 24 december 2025 vonnis worden gewezen.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn de ouders van [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2025 te [geboorteplaats].
2.2.
Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 14 oktober 2025 is een voorlopige zorgregeling vastgesteld, waarbij [minderjarige] vanaf 17 december 2025 van woensdag 13:30 tot 17:00 uur en van vrijdag 13:30 tot zaterdag 12:00 uur bij de man is.

3.De beoordeling van het geschil

In conventie en in reconventie
Vervangende toestemming vakantie
3.1.
Partijen hebben ter zitting overeenstemming bereikt over de vakantie van de vrouw met [minderjarige]. De man heeft ter zitting alsnog toestemming voor de vakantie gegeven ondanks dat de vrouw dit niet van tevoren met hem had kort gesloten en de reis al had geboekt. De man heeft ook na de zitting een kopie van zijn paspoort verstrekt zodat het toestemmingsformulier daarmee compleet is. Daarmee is voldaan aan de vordering van de vrouw en is een beslissing van de voorzieningenrechter niet meer nodig.
3.2.
In de overeenstemming ter zitting en de omstandigheid dat partijen ouders zijn van [minderjarige] ziet de voorzieningenrechter aanleiding de in conventie gevorderde proceskosten te compenseren.
Nakoming voorlopige zorgregeling
3.3.
Vast staat dat de vrouw [minderjarige] sinds vrijdag 12 december 2025 niet meer aan de man heeft meegegeven. Volgens de vrouw omdat zij zorgen had over of de man [minderjarige] wel voldoende te eten gaf. De man had haar namelijk een email gestuurd met een aantal vragen over de voeding. De beschuldigende wijze waarop de vrouw vervolgens per mail hierop had gereageerde, heeft gemaakt dat de man daarop niet wenste te reageren. De man heeft ter zitting uitgelegd dat de vrouw de (afgepaste) voeding niet meer met [minderjarige] meegaf en dat hij haar alleen per mail heeft gevraagd naar het merk van de voedingsproducten en maatvoering van de melkpoederlepel. Ook heeft de man zijn zorg geuit dat de vrouw op deze manier de eerste overnachting van [minderjarige] op 17 december a.s. lijkt te willen ontlopen, getuige ook de geboekte vakantie in de periode waarin met overnachtingen zou worden gestart.
3.4.
De voorzieningenrechter heeft op de zitting met partijen gesproken over de moeizame communicatie tussen hen en de gevolgen hiervan voor [minderjarige] en ook voor elkaar. Partijen zijn inmiddels aangemeld bij Kracht voor ouderschapsbemiddeling. Op de zitting zijn partijen tot een vergelijk gekomen over het hervatten van de regeling, nu blijkt dat er geen enkele reden is om [minderjarige] van de man weg te houden. De voorlopige zorgregeling wordt weer hervat vanaf woensdag 24 december 2025 waarbij [minderjarige] pas bij de man zal overnachten zodra hij terug is van vakantie. Dit betekent dat [minderjarige] vanaf woensdag 14 januari 2026 in de middag bij de man verblijft en vrijdag 16 januari 2026 bij de man zal overnachten. Gelet op deze nieuwe afspraak, zal de rechtbank de beschikking voorlopige voorzieningen van 14 oktober 2025 wat betreft de ingangsdatum van de overnachtingen wijzigen.
3.6.
De voorzieningenrechter constateert wel dat de vrouw plotsklaps is gestopt met het nakomen van de zorgregeling, terwijl er geen sprake is van een acute omstandigheid die daartoe noopt. Daarnaast heeft zij ook een vakantie geboekt zonder overleg met de man en ook in een periode waarin zou worden gestart met de overnachtingen. Deze handelwijze duidt erop dat de vrouw de zorgregeling naar eigen hand zet en de man daarin voor een voldongen feit plaatst. Zeker het ineens stopzetten van de contacten is schadelijk voor [minderjarige] die immers sinds de beschikking van 14 oktober een hechtingsrelatie met de vader aan het opbouwen is. Stabiliteit en regelmaat zijn hierin voor [minderjarige] belangrijk. Om te voorkomen dat de vrouw nogmaals het contact tussen [minderjarige] en de man ineens stopzet, vindt de voorzieningenrechter een dwangsom noodzakelijk. Bij de bepaling van de hoogte van de dwangsom is rekening gehouden met de schuldenlast van de vrouw.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter:
in conventie
4.1.
stelt vast dat er niets meer te beslissen is;
4.2.
compenseert de proceskosten in die zin dat partijen ieder de eigen kosten dragen;
in reconventie
4.3.
wijzigt de beschikking voorlopige voorzieningen van 14 oktober 2025 tussen partijen in die zin dat [minderjarige] voorlopig contact heeft met de man
vanaf 14 januari 2026: woensdag van 13:30 uur tot 17:00 uur en vrijdag van 13:30 uur tot zaterdag 12:00 uur;
4.4.
veroordeelt de vrouw om de voorlopige zorgregeling zoals is neergelegd in de beschikking voorlopige voorzieningen van 14 oktober 2025, gewijzigd bij vonnis van heden, en bepaalt dat de vrouw een dwangsom is verschuldigd van € 50,- voor iedere dag dat zij deze voorlopige zorgregeling niet nakomt met een maximum van € 2.500,-;
4.5.
verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.6.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.M. Boone en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025.
HB