ECLI:NL:RBDHA:2025:24868
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening verblijfsvergunning humanitair niet-tijdelijk
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoeker om een reguliere verblijfsvergunning met als doel ‘humanitair niet-tijdelijk’. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 17 oktober 2025 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 27 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, Sharma als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Verzoeker is geboren in 1988 en heeft de Indiase nationaliteit. Hij heeft op 26 september 2025 een aanvraag ingediend voor een reguliere verblijfsvergunning met als doel ‘humanitair niet-tijdelijk’. Verzoeker verblijft inmiddels 17 jaar in Nederland. Hij is van 14 oktober 2015 tot 14 oktober 2020 in het bezit geweest van een geldige verblijfsvergunning. Hij heeft daarvoor en sindsdien geen rechtsgeldig verblijf in Nederland gehad. Verzoeker heeft van 10 mei 2025 tot 21 november 2025 in vreemdelingenbewaring gezeten.
Verweerder heeft de aanvraag van verzoeker afgewezen, omdat hij niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op een van de gronden van artikel 3.6 van het Vb. Verzoeker beschikt ook niet over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Daarnaast is de uitzetting niet in strijd met het familie- en gezinsleven of privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, het belang van de Nederlandse overheid weegt namelijk zwaarder dan het belang van verzoeker. Verweerder weegt daarbij onder meer mee dat verzoeker meerdere keren een misdrijf heeft gepleegd tegen de moeder van zijn kinderen, dat aan hem een contactverbod is opgelegd en dat hij geen contact meer heeft met zijn kinderen. Ook komt verzoeker niet in aanmerking voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen sprake is van een zodanig spoedeisend belang dat een voorziening moet worden getroffen gedurende de bezwaarprocedure. De bewaring van verzoeker is op 21 november 2025 opgeheven. Daardoor is niet langer sprake van een concrete uitzettingsdreiging van verzoeker op korte termijn. Bovendien heeft verweerder op zitting meegedeeld dat het concept besluit op bezwaar al klaar ligt en dat de beslisser alleen nog de recent door verzoeker overgelegde stukken wilde bekijken alvorens het besluit definitief te nemen. Gelet hierop zal op korte termijn een beslissing op bezwaar genomen worden.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Verzoeker krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.