ECLI:NL:RBDHA:2025:24868

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
NL25.51051
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening verblijfsvergunning humanitair niet-tijdelijk

In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoeker om een reguliere verblijfsvergunning met als doel ‘humanitair niet-tijdelijk’. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 17 oktober 2025 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 27 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, Sharma als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Verzoeker is geboren in 1988 en heeft de Indiase nationaliteit. Hij heeft op 26 september 2025 een aanvraag ingediend voor een reguliere verblijfsvergunning met als doel ‘humanitair niet-tijdelijk’. Verzoeker verblijft inmiddels 17 jaar in Nederland. Hij is van 14 oktober 2015 tot 14 oktober 2020 in het bezit geweest van een geldige verblijfsvergunning. Hij heeft daarvoor en sindsdien geen rechtsgeldig verblijf in Nederland gehad. Verzoeker heeft van 10 mei 2025 tot 21 november 2025 in vreemdelingenbewaring gezeten.

Verweerder heeft de aanvraag van verzoeker afgewezen, omdat hij niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op een van de gronden van artikel 3.6 van het Vb. Verzoeker beschikt ook niet over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Daarnaast is de uitzetting niet in strijd met het familie- en gezinsleven of privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, het belang van de Nederlandse overheid weegt namelijk zwaarder dan het belang van verzoeker. Verweerder weegt daarbij onder meer mee dat verzoeker meerdere keren een misdrijf heeft gepleegd tegen de moeder van zijn kinderen, dat aan hem een contactverbod is opgelegd en dat hij geen contact meer heeft met zijn kinderen. Ook komt verzoeker niet in aanmerking voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen sprake is van een zodanig spoedeisend belang dat een voorziening moet worden getroffen gedurende de bezwaarprocedure. De bewaring van verzoeker is op 21 november 2025 opgeheven. Daardoor is niet langer sprake van een concrete uitzettingsdreiging van verzoeker op korte termijn. Bovendien heeft verweerder op zitting meegedeeld dat het concept besluit op bezwaar al klaar ligt en dat de beslisser alleen nog de recent door verzoeker overgelegde stukken wilde bekijken alvorens het besluit definitief te nemen. Gelet hierop zal op korte termijn een beslissing op bezwaar genomen worden.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Verzoeker krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.51051

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], V-nummer: [v-nummer], verzoeker

(gemachtigde: mr. Y. Özdemir),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. S.S.H. Orsel).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoeker om een reguliere verblijfsvergunning met als doel ‘humanitair niet-tijdelijk’.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 17 oktober 2025 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 27 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, Sharma als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
3. Verzoeker is geboren op [geboortedatum] 1988 en heeft de Indiase nationaliteit. Verzoeker heeft op 26 september 2025 een aanvraag ingediend voor een reguliere verblijfsvergunning met als doel ‘humanitair niet-tijdelijk’. Verzoeker verblijf inmiddels 17 jaar in Nederland. Hij is van 14 oktober 2015 tot 14 oktober 2020 in het bezit geweest van een geldige verblijfsvergunning. Hij heeft daarvoor en sindsdien geen rechtsgeldig verblijf in Nederland gehad. Verzoeker heeft van 10 mei 2025 tot 21 november 2025 in vreemdelingenbewaring gezeten.
4. Verweerder heeft de aanvraag van verzoeker afgewezen, omdat hij niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op een van de gronden van artikel 3.6 van het Vb [1] . Verzoeker beschikt ook niet over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Daarnaast is de uitzetting niet in strijd met het familie- en gezinsleven of privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM [2] , het belang van de Nederlandse overheid weegt namelijk zwaarder dan het belang van verzoeker. Verweerder weegt daarbij onder meer mee dat verzoeker meerdere keren een misdrijf heeft gepleegd tegen de moeder van zijn kinderen, dat aan hem een contactverbod is opgelegd en dat hij geen contact meer heeft met zijn kinderen. Ook komt verzoeker niet in aanmerking voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw [3] .
Wat vindt verzoeker?
5. Verzoeker bevindt zich ten tijde van het indienen van de aanvraag in bewaring en loopt een concreet en acuut risico op uitzetting naar India. Hij heeft er belang bij om de uitkomst van zijn bezwaar in Nederland af te wachten. Het bestreden besluit is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, omdat verweerder heeft nagelaten de actuele en persoonlijke omstandigheden van verzoeker daarbij te betrekken. Zo heeft hij brieven van [zorginstantie] en het Staatspastoraat overgelegd. Verder is er weliswaar op dit moment geen contact met zijn twee minderjarige kinderen, maar er zijn mogelijkheden van omgangsherstel. De belangen van zijn kinderen zijn daarbij niet kenbaar betrokken. Verder is het onredelijk hard om terug te keren naar India. Verzoeker heeft sterke banden met Nederland en het is voor hem niet mogelijk om in India een stabiel leven op te bouwen.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
6. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen sprake is van een zodanig spoedeisend belang dat een voorziening moet worden getroffen gedurende de bezwaarprocedure. De bewaring van verzoeker is op 21 november 2025 opgeheven. Daardoor is niet langer sprake van een concrete uitzettingsdreiging van verzoeker op korte termijn. Bovendien heeft verweerder op zitting meegedeeld dat het concept besluit op bezwaar al klaar ligt en dat de beslisser alleen nog de recent door verzoeker overgelegde stukken wilde bekijken alvorens het besluit definitief te nemen. Gelet hierop zal op korte termijn een beslissing op bezwaar genomen worden.

Conclusie en gevolgen

8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Verzoeker krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Vreemdelingenwet 2000 (Vw).