ECLI:NL:RBDHA:2025:24847

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
NL25.20140
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf op basis van onvoldoende bewijs van duurzame relatie

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). De aanvraag werd afgewezen door de minister van Asiel en Migratie op 20 februari 2024, en het bezwaar daartegen werd op 24 april 2025 eveneens afgewezen. Eiseres, geboren in 1999 en van Marokkaanse nationaliteit, had een aanvraag ingediend voor een mvv op basis van een relatie met haar referent, die zij als haar partner beschouwt. De rechtbank heeft op 27 november 2025 de zaak behandeld, waarbij zowel de gemachtigde van eiseres als die van verweerder aanwezig waren.

De rechtbank oordeelt dat de minister op goede gronden heeft geconcludeerd dat er geen gezinsleven is in de zin van artikel 8 van het EVRM, omdat eiseres niet heeft aangetoond dat zij een duurzame en exclusieve relatie heeft die gelijk is te stellen met een huwelijk. De rechtbank wijst erop dat de overgelegde bewijsstukken, zoals whatsappgesprekken en foto’s, onvoldoende zijn om de relatie te onderbouwen. Eiseres had ook geen verklaringen van familieleden overgelegd ter ondersteuning van haar claims. De rechtbank concludeert dat de hoorplicht niet is geschonden, aangezien de referent wel is gehoord in de bezwaarfase. Uiteindelijk verklaart de rechtbank het beroep ongegrond, wat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.20140

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], V-nummer: [v-nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. A. Orhan),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. L. Den Hollander).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 20 februari 2024 afgewezen (het primaire besluit). Met het bestreden besluit van 24 april 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven (het bestreden besluit).
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2. De rechtbank heeft het beroep op 27 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1999 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Op 16 juni 2023 heeft [naam] (referent), een aanvraag ingediend voor een mvv voor eiseres voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ bij referent. Referent stelt de partner van eiseres te zijn.
4. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden voor afgifte van een mvv. [1] Eiseres heeft niet aangetoond dat zij een duurzame en exclusieve relatie met referent heeft die gelijk is te stellen met een huwelijk. Verweerder heeft dan ook geconcludeerd dat tussen hen geen sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM [2] . Verweerder heeft daarom geen belangenafweging gemaakt. [3]
Wat vindt eiseres in beroep?
5. Eiseres stelt dat het bestreden besluit strijd oplevert met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel [4] . Het bestreden besluit bevat een andere afwijzingsgrond dan in het primaire besluit. Eiseres en referent stellen daarnaast dat zij een liefdesrelatie hebben die zal uitmonden in een huwelijk. Zij hebben al meer dan zes maanden een liefdesrelatie, zij het op afstand. Verweerder heeft nagelaten om eiseres hierover (simultaan) te horen. Daarnaast heeft verweerder, volgens eiseres, verzuimd om bij het vermoeden van een schijnhuwelijk en/of relatie indicatoren aan te voeren die hierop duiden. De lat voor het aannemelijk maken van een liefdesrelatie lijkt zeer hoog te liggen. Eiseres vraagt zich ook af of het in de praktijk mogelijk is om het bestaan van een duurzame en exclusieve relatie objectief en verifieerbaar aan te tonen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot haar oordeel is gekomen.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat er tussen eiseres en referent geen gezinsleven is in de zin van artikel 8 van het EVRM, omdat niet is aangetoond dat zij een duurzame en exclusieve relatie hebben die in voldoende mate gelijk is te stellen met een huwelijk. Hoewel eiseres niet ten onrechte stelt dat er een vrije bewijsleer geldt en dat daarbij moet worden meegewogen dat referent analfabeet is, heeft verweerder kunnen stellen dat de uit de overgelegde schermafbeeldingen van whatsappgesprekken onvoldoende blijkt dat er sprake is van een duurzame en exclusieve relatie, en dat dit ook niet blijkt uit de foto’s, vliegtickets en geldoverboekingen die zijn overgelegd. Verweerder heeft er namelijk op kunnen wijzen dat de schermafbeeldingen van de whatsappgesprekken blijkt dat de oproepen veelal niet worden beantwoord door eiseres en dat de oproepen die wel beantwoord worden van korte duur zijn. Verweerder heeft op zitting verder toegelicht dat met de overgelegde bewijsstukken de intensiviteit van het contact niet voldoende is aangetoond. Op zitting is nog aan de orde gekomen dat bijvoorbeeld geen verklaringen van eiseres of van haar familieleden zijn overgelegd ter onderbouwing van de gestelde relatie.
8. Niet gebleken is dat verweerder een andere afwijzingsgrond heeft genomen in het bestreden besluit. Nog afgezien dat er sprake is van een volledige heroverweging in bezwaar, heeft verweerder mogen verwijzen naar de informatie die op 18 november 2024 is verstrekt bij een eerdere visumprocedure. Daarin staat dat de band van eiseres met Nederland bestaat uit een broer en wordt aan referent gerefereerd als kennis/vriend.
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de hoorplicht niet heeft geschonden. Hoewel verweerder eiseres zelf niet gehoord heeft, heeft verweerder referent wel gehoord in de bezwaarfase. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee voldoende invulling gegeven aan zijn hoorplicht. In tegenstelling tot wat eiseres stelt, werpt verweerder niet aan eiseres en referent tegen dat er sprake zou zijn van een schijnhuwelijk. Verweerder heeft eiseres en referent dan ook in dat kader niet simultaan hoeven horen.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt.
11. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.W.H. Schippers, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.De voorwaarden staan in de artikelen 3.13 tot en met 3.22a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en in hoofdstuk B7 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1189, waarin is bepaald dat er geen belangenafweging hoeft te worden gemaakt als er geen sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM.
4.Artikelen artikel 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).