De rechtbank Den Haag behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van poging tot zware mishandeling met een hamer op 24 augustus 2025. De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 8 voorwaardelijk, terwijl de verdediging integrale vrijspraak bepleitte.
Tijdens de zitting op 8 december 2025 werden verklaringen van de aangever, de verdachte en een derde persoon ([naam]) besproken. De aangever had een zichtbaar litteken op zijn hoofd en beweerde door verdachte te zijn geslagen. De verdachte ontkende en wees [naam] aan als dader. [Naam] gaf wisselende verklaringen, maar bevestigde uiteindelijk dat hij de aangever met een hamer had geslagen.
Camerabeelden toonden bewegingen van zowel verdachte als [naam] richting de aangever, maar lieten niet zien of daadwerkelijk contact werd gemaakt of of een hamer werd vastgehouden. Medische informatie over het letsel ontbrak. De rechtbank oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om de verdachte wettig en overtuigend te schuldig te verklaren en sprak hem vrij.