ECLI:NL:RBDHA:2025:24806

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
09.104458.25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opzetverkrachting in vereniging met DNA-bewijs en getuigenverklaringen

In de zaak van de verdachte, geboren op 30 maart 1996, heeft de rechtbank Den Haag op 18 december 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak betreffende opzetverkrachting in vereniging. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het seksueel binnendringen van het lichaam van het slachtoffer, terwijl hij wist dat zij dit niet wilde. De feiten vonden plaats in de nacht van 29 op 30 maart 2025 in Rijswijk, waar de verdachte en een medeverdachte het slachtoffer in haar eigen woning hebben verkracht. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte en de medeverdachte samen naar het huis van het slachtoffer zijn gegaan, waar de verdachte seksuele handelingen heeft verricht terwijl het slachtoffer herhaaldelijk heeft aangegeven dat zij dit niet wilde. De medeverdachte heeft het gebeuren gefilmd, wat de ernst van de situatie vergroot. De rechtbank heeft de verklaringen van het slachtoffer als betrouwbaar beoordeeld, ondanks enkele inconsistenties, en heeft deze ondersteund met DNA-bewijs dat de aanwezigheid van beide verdachten op de plaats delict bevestigt. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden en een schadevergoeding aan het slachtoffer toegewezen van € 14.174,00, bestaande uit materiële en immateriële schade.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/104458-25
Datum uitspraak: 18 december 2025
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1996 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 15 juli 2025 (pro forma) en 4 december 2025 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.E.G. van den Eijnden en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. B.C. Swier naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 30 maart 2025 te Rijswijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen met een persoon, te weten [slachtoffer] een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
- het brengen/duwen en/of houden van zijn penis in de mond en/of zich laten pijpen door die [slachtoffer] terwijl hij, verdachte, op de borst van die [slachtoffer] zat en/of haar ogen bedekte en/of
- het brengen/duwen en/of houden en/of heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, vingers in de vagina van die [slachtoffer] en/of
- het brengen/duwen en/of houden en/of heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer]
terwijl hij, verdachte en/of zijn mededaders, wisten, althans ernstige reden hadden om te vermoeden dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de (impliciet primair) tenlastegelegde opzetverkrachting in vereniging. Verdere standpunten van de officier van justitie komen hierna aan de orde voor zover relevant voor enige te nemen beslissing.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde. Verdere standpunten van de verdediging komen hierna aan de orde voor zover relevant voor enige te nemen beslissing.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.4.
Bewijsoverwegingen
Vaststaande feiten en omstandigheden
Ter terechtzitting hebben de volgende feiten en omstandigheden niet ter discussie gestaan en deze feiten kunnen op grond van de gebruikte bewijsmiddelen dan ook als vaststaand worden aangemerkt.
In de nacht van 29 op 30 maart 2025 zijn de verdachte (hierna: [verdachte] ) en de medeverdachte (hierna: [medeverdachte] ) met een vriend van hen, [naam 1] , naar het huis van de aangeefster in [plaats] gegaan, nadat zij elkaar waren tegengekomen in een club. In het huis van de aangeefster was eveneens aanwezig de jongere zus van de aangeefster, [naam 2] . Kort nadat de verdachten daar arriveerden, liep de aangeefster vanuit de woonkamer naar haar slaapkamer. [verdachte] liep haar achterna, waarna zij seks hebben gehad met elkaar op het bed van de aangeefster. Op enig moment is ook [medeverdachte] naar de slaapkamer van de aangeefster gegaan en heeft hij met zijn telefoon een filmpje gemaakt van seksuele handelingen tussen [verdachte] en de aangeefster. [medeverdachte] heeft op enig moment in de slaapkamer zijn broek en onderbroek uitgetrokken en is, terwijl [verdachte] door de aangeefster werd gepijpt, op bed tussen de benen van de aangeefster gaan zitten.
De verklaringen van de aangeefster, [verdachte] en [medeverdachte] lopen voor het overige uiteen. Kort gezegd heeft de aangeefster verklaard dat zij door beide verdachten is verkracht. [verdachte] heeft verklaard dat hij seks heeft gehad met de aangeefster, maar dat dit met haar instemming heeft plaatsgevonden. [medeverdachte] heeft ontkend seks te hebben gehad met de aangeefster.
Beoordelingskader bewijs in zedenzaken
De beoordeling van het bewijs in zedenzaken laat zich doorgaans kenmerken door de aanwezigheid van slechts twee personen bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Bij een ontkennende verdachte brengt dit vaak met zich dat slechts de verklaring van het vermeende slachtoffer als wettig bewijsmiddel voorhanden is.
Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is de enkele verklaring van één getuige (onder wie het slachtoffer) onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Deze bepaling heeft als doel de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen in het geval dat de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.
De Hoge Raad heeft beslist dat deze bewijsminimumregel slechts geldt voor de gehele tenlastelegging. Onderdelen daarvan mogen wel op één enkele getuigenverklaring berusten. Dat geldt ook voor de diverse ten laste gelegde gedragingen. In een zedenzaak kan dus een geringe mate van steunbewijs in combinatie met betrouwbare verklaringen van het slachtoffer voldoende wettig bewijs opleveren. Voor het steunbewijs geldt wel dat dit afkomstig moet zijn uit een andere bron dan het slachtoffer en het in een niet te ver verwijderd verband van het ten laste gelegde mag staan.
Hoewel bij de gebeurtenissen waarvan aangifte is gedaan niet twee, maar drie personen zijn betrokken, zijn twee van hen als verdachte aangemerkt en dat maakt dat, nu beide verdachten eigen handelingen (deels) ontkennen, min of meer sprake is van eenzelfde situatie als voornoemd, namelijk dat de aangifte op zichzelf staat. De rechtbank is daarom van oordeel dat ook in deze zaak voor het bewijs van de seksuele handelingen bovengenoemd kader dient te worden toegepast en dat alleen de aangifte voldoende kan zijn voor het bewijs van het ten last gelegde mits deze betrouwbaar is en op bepaalde punten wordt bevestigd door uit andere bron afkomstige bewijsmiddelen.
De betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster
In zijn algemeenheid moet zorgvuldig en behoedzaam worden omgegaan met verklaringen van getuigen en (vermeende) slachtoffers in strafzaken. De rechtbank zal de verklaringen van de aangeefster daarom beoordelen op consistentie, volledigheid, accuraatheid en authenticiteit. Daarbij zal ook aandacht worden besteed aan de door de verdediging gestelde inconsistenties.
De aangeefster heeft kort na de gebeurtenissen, op 30 maart 2025 en 2 april 2025, verklaringen afgelegd bij de politie. Op beide momenten heeft zij verklaard dat [verdachte] haar begon aan te raken bij haar geslachtsdeel, waarop zij tegen hem zei dat ze dat niet wilde en dat hij moest stoppen, mede omdat zij wilde voorkomen dat de personen in de woonkamer hen zouden zien. [verdachte] ging toch door en hij heeft haar vervolgens vaginaal gepenetreerd met zijn vingers en geslachtsdeel. Op dat moment kwam [medeverdachte] , filmend, de slaapkamer binnenlopen. [verdachte] is toen op de borstkas van de aangeefster gaan zitten, heeft zijn geslachtsdeel in haar mond gestopt en zijn hand over haar ogen gedaan waardoor zij niets meer kon zien. [verdachte] heeft daarop tegen [medeverdachte] gezegd: “vinger haar” en “neuk haar”. De aangeefster verklaarde dat zij nog steeds niets kon zien, maar dat zij voelde dat [medeverdachte] eerst zijn vingers en vervolgens zijn geslachtsdeel in haar vagina deed. Zij voelde daarbij ook zijn bovenbenen aan de binnenkant van haar benen. De seks met [medeverdachte] duurde kort en alles eindigde tegelijk, op het moment dat [verdachte] was klaargekomen in haar mond. De aangeefster heeft verder verklaard dat zij niet wist wat haar overkwam en dat zij leek te bevriezen.
De aangeefster heeft op 2 oktober 2025 een verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris die op hoofdlijnen overeenkomt met haar eerdere verklaringen. Bovendien heeft zij, nog voordat zij op 30 maart 2025 met de politie heeft gesproken, specifieke details die ook terugkomen in haar verklaringen bij de politie gedeeld met verschillende personen. Dat volgt onder meer uit de getuigenverklaring van [naam 2] , de chatberichten tussen de aangeefster en [naam 3] en de chatberichten tussen de aangeefster en [naam 4] .
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de aangeefster gedetailleerd en consistent heeft verklaard over het tenlastegelegde. Ook komt haar verklaring de rechtbank authentiek voor.
De rechtbank constateert dat de verklaringen van de aangeefster enkele inconsistenties bevatten, onder meer over het moment dat [verdachte] zijn broek uit heeft gedaan en over het gebruik van lachgas die betreffende nacht. Anders dan de verdediging, ziet de rechtbank daarin geen aanleiding om de gehele verklaring onbetrouwbaar te achten. Het enkele feit dat verklaringen op ondergeschikte punten van elkaar verschillen, maakt die verklaringen op zichzelf namelijk nog niet onbetrouwbaar ten aanzien van de onderdelen die relevant zijn voor de beoordeling van het aan de verdachte gemaakte verwijt. Zo’n verschil kan namelijk te wijten zijn aan de feilbaarheid van het menselijk geheugen, al dan niet veroorzaakt door tijdsverloop of door emoties die zijn ontstaan naar aanleiding van het delict. Het gaat om de totale indruk die de verklaringen van de aangeefster maken en de wijze waarop zij zijn afgelegd.
Verder is door de verdediging aangevoerd dat de verklaring van de aangeefster aantoonbaar onjuist is gelet op het filmpje dat door [medeverdachte] is gemaakt, waaruit zou blijken dat sprake was van instemming met de seks. Anders dan de verdediging, komt de rechtbank tot het oordeel dat op basis van de handelingen in het filmpje niet kan worden vastgesteld dat sprake is van instemming of een responsieve houding van de aangeefster. De rechtbank overweegt dat enerzijds door de politie is omschreven dat de aangeefster met haar benen omhoog ligt en dat zij haar hand voor een kort moment op de nek van [verdachte] plaatst, maar dat anderzijds is omschreven dat de aangeefster nauwelijks beweegt anders dan door de bewegingen van [verdachte] . Na het – op verzoek van de verdediging – bekijken van het filmpje in raadkamer, komt de rechtbank tot het oordeel dat de voornoemde handelingen voor meerdere interpretaties vatbaar zijn en dat daaraan geen stellige conclusies kunnen worden verbonden. De verklaring van de aangeefster over haar ontbrekende wil wordt door het filmpje ondersteund, noch ontkracht, waardoor het filmpje naar het oordeel van de rechtbank geen invloed heeft op de betrouwbaarheid van haar verklaring.
Dat de personen in de woonkamer niet hebben gehoord dat de aangeefster “stop” en “ik wil het niet” heeft gezegd, zoals door de verdediging is aangevoerd, doet ook niet af aan de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster. Uit het dossier en het hiervoor besproken filmpje volgt immers dat voorafgaand aan en ten tijde van de seksuele handelingen muziek werd afgespeeld in de woonkamer. Het is gelet daarop verklaarbaar dat de personen in de woonkamer niet konden horen wat in de slaapkamer door de aangeefster is gezegd. Dat op het filmpje niet is te horen dat de aangeefster verbaal protesteert tegen de seksuele handelingen, zoals door de verdediging naar voren is gebracht, doet evenmin af aan de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster. Het filmpje is een fragment van 17 seconden en zegt niets over wat er daarvoor en/of daarna door de aangeefster is gezegd.
Al het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat de verklaring van de aangeefster betrouwbaar is en gebruikt kan worden voor het bewijs.
Steunbewijs
De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is, of er bewijs voorhanden is dat de verklaring van de aangeefster ondersteunt. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
Zoals eerder is overwogen, staat niet ter discussie dat [verdachte] seksueel is binnengedrongen bij de aangeefster. Wel heeft [verdachte] ontkend dat hij op de borst van de aangeefster heeft gezeten en dat hij zijn hand over haar ogen heeft gedaan. Volgens [verdachte] zat hij naast haar hoofd met beide benen aan één kant en heeft hij dus niet haar zicht of bewegingsvrijheid geblokkeerd. Zijn lezing wordt echter weersproken door de eerste verklaringen van [medeverdachte] . [medeverdachte] verklaarde in eerste instantie (op 4 en 5 april 2025) dat hij, toen hij de slaapkamer binnenliep, [verdachte] “op de rug keek” en dat [verdachte] “over haar heen zat”, met “een been links en een been rechts”. Dit biedt naar het oordeel van de rechtbank voldoende ondersteuning aan dat onderdeel van de verklaring van de aangeefster.
De rechtbank stelt verder vast dat ook [medeverdachte] seksueel is binnengedrongen bij de aangeefster. De aangifte vindt op dat punt onder andere steun in de eerste verklaring van [verdachte] . Hij verklaarde immers dat hij zag dat [medeverdachte] zijn penis naar binnen heeft gebracht in de vagina van de aangeefster en dat zij seks hebben gehad met elkaar. Ook wordt de aangifte op dat onderdeel ondersteund door het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI), waaruit volgt dat op de buitenste schaamlippen van de aangeefster een DNA-mengprofiel is aangetroffen met het DNA van beide verdachten. Het NFI concludeerde ten aanzien van dat mengprofiel dat het 80 miljoen keer waarschijnlijker is dat beide verdachten hebben bijgedragen aan dat DNA-spoor, dan wanneer één of geen van beide verdachten DNA hebben bijgedragen. Ook volgt uit het NFI-rapport dat op de binnenste schaamlippen en diep vaginaal DNA is aangetroffen dat afkomstig kan zijn van minimaal twee mannen, onder wie [verdachte] . Dat niet is vastgesteld dat het DNA van de tweede man van [medeverdachte] is, hoeft niet te betekenen dat er geen penetratie door hem heeft plaatsgevonden.
Uit het voorgaande volgt dat de aangifte op essentiële onderdelen steun vindt in de eerste verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte] . Dat beide verdachten in latere politieverhoren en op de terechtzitting hun verklaring hebben veranderd, maakt niet dat de rechtbank hun eerdere verklaringen terzijde schuift. Integendeel, de rechtbank is van oordeel dat de eerste verklaringen van de verdachten het meest betrouwbaar zijn, omdat deze kort na de gebeurtenis en vanuit hun eigen herinnering zijn afgelegd. Het is naar het oordeel van de rechtbank evident dat de verdachten zich bij hun latere verklaringen hebben laten beïnvloeden door onderzoeksresultaten uit het dossier. Dat blijkt onder meer uit het politieverhoor van [verdachte] van 14 juli 2025. Tijdens dat verhoor verklaarde hij dat hij altijd had gedacht dat [medeverdachte] seks heeft gehad met de aangeefster, totdat hij de verklaring van [medeverdachte] en de resultaten van het DNA-onderzoek las. [verdachte] heeft namelijk – ten onrechte – geconcludeerd dat de resultaten in het NFI-rapport de onschuld van [medeverdachte] bewijzen, waarna [verdachte] zijn verklaring heeft aangepast. Voor de latere verklaring van [medeverdachte] geldt hetzelfde. Ter terechtzitting verklaarde hij dat hij “het dossier meerdere keren helemaal heeft gelezen” en vervolgens tot de conclusie is gekomen dat hij zich bij zijn eerste verklaringen had vergist: [verdachte] zat toch
naastde aangeefster, in plaats van over haar heen met een been links en een been rechts. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de eerste verklaringen van de verdachten en zal dan ook van de juistheid van die verklaringen uitgaan.
[medeverdachte] heeft verder ter terechtzitting als alternatief scenario geschetst dat hij, van onderen ontkleed, tussen de benen van de aangeefster is gaan zitten, maar geen erectie kreeg wegens een gebrek aan ‘intimiteit’ tussen hem en de aangeefster en dat hij daarom, ondanks zijn intentie daartoe, geen seks heeft gehad met de aangeefster. [medeverdachte] heeft daarbij desgevraagd benadrukt dat hij de aangeefster op geen enkele manier heeft aangeraakt. De rechtbank schuift dit alternatieve scenario als ongeloofwaardig terzijde, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en omdat [medeverdachte] hiermee geen verklaring heeft gegeven voor het aantreffen van zijn DNA op de buitenste schaamlippen van de aangeefster.
Op basis van de voornoemde omstandigheden – in onderling verband en samenhang bezien – komt de rechtbank tot het oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om de ten laste gelegde seksuele handelingen bewezen te achten.
Vervolgens dient te rechtbank te beoordelen op welke wijze het voornoemde handelen van de verdachten dient te worden gekwalificeerd.
Wet seksuele misdrijven
Sinds 1 juli 2024 is de Wet seksuele misdrijven van kracht, als gevolg waarvan de strafbaarstelling van seksuele misdrijven in het Wetboek van Strafrecht ingrijpend is gewijzigd. De strafrechtelijke bescherming tegen seksueel geweld is verruimd. Verkrachting kan nu gekwalificeerd worden als schuldverkrachting, opzetverkrachting of gekwalificeerde opzetverkrachting.
Voor al deze varianten van verkrachting is vereist dat de wil tot het plegen of dulden van de seksuele handelingen bij het slachtoffer ontbreekt. Voor bewezenverklaring van schuldverkrachting en opzetverkrachting is niet vereist dat sprake is van dwang of geweld.
Bewezenverklaring opzetverkrachting
Van opzetverkrachting is sprake als de verdachte met een ander seksuele handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, terwijl hij
– al dan niet in voorwaardelijke zin – wist dat bij de ander de wil daartoe ontbrak. Van wetenschap van een ontbrekende wil bij de ander is in het algemeen sprake als de ander met duidelijke verbale of non-verbale signalen te kennen heeft gegeven het seksuele contact niet te willen en de verdachte het contact toch heeft voortgezet (vol opzet). De ondergrens van het vereiste opzet wordt gekenmerkt door de wezenlijk onverschillige houding, als diegene zich bewust is van de mogelijk ontbrekende wil van de ander en die mogelijkheid negeert of op de koop toeneemt (voorwaardelijk opzet).
Ten aanzien van [verdachte] acht de rechtbank bewezen dat hij vol opzet heeft gehad op de verkrachting van de aangeefster, door seks met haar te hebben, terwijl hij wist dat zij dat niet wilde. Uit haar betrouwbaar geachte verklaringen volgt immers dat hij voorbij is gegaan aan haar – bij herhaling geuite – verbale protesten en vervolgens diverse, vergaande seksuele handelingen bij haar heeft verricht. Dat oordeel vindt deels steun in de verklaring van [verdachte] zelf. Over het moment dat [medeverdachte] erbij kwam, verklaarde [verdachte] dat hij achteraf gezien te makkelijk heeft gedacht dat zij consent gaf aan de situatie en dat hij aan haar had moeten vragen of zij er oké mee was.
In het geval van [medeverdachte] acht de rechtbank bewezen dat hij voorwaardelijk opzet heeft gehad op de verkrachting van de aangeefster. Anders dan bij [verdachte] , geldt ten aanzien van [medeverdachte] dat de aangeefster geen duidelijke verbale of non-verbale signalen heeft gegeven dat zij het seksuele contact
nietwilde. Anderzijds volgt uit de verklaringen van de aangeefster en van beide verdachten, dat zij ook op geen enkel moment te kennen heeft gegeven dat zij het seksuele contact met [medeverdachte]
welwilde. [medeverdachte] had, nu hij de aangeefster nauwelijks kende en hij vergaande seksuele handelingen bij haar verrichtte tegelijk met een andere man, zich ervan moeten vergewissen of de aangeefster dit wel wilde, zoals ieder weldenkend mens zou doen. Het handelen van [medeverdachte] gaat naar het oordeel van de rechtbank evenwel verder dan het niet voldoen aan zijn vergewisplicht. Dat de rechtbank ook in zijn geval komt tot een bewezenverklaring van opzetverkrachting, heeft te maken met de ongebruikelijke omstandigheden waaronder de seks met [medeverdachte] tot stand is gekomen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] op dat moment op de borst van de aangeefster zat, met zijn geslachtsdeel in haar mond. Daardoor was het voor de aangeefster vrijwel onmogelijk om haar wil kenbaar te maken. Dat [medeverdachte] zich onder die omstandigheden – die meebrachten dat de aangeefster niets kon zien, niets kon zeggen en beperkt was in haar bewegingsvrijheid – als derde persoon heeft gevoegd bij de seks tussen [verdachte] en de aangeefster, getuigt naar het oordeel van de rechtbank van een zodanig onverschillige houding dat daaruit volgt dat hij de ontbrekende wil van de aangeefster wel op de koop moet hebben toegenomen.
Dat [medeverdachte] , zoals hij ter terechtzitting voor het eerst heeft verklaard, oogcontact had met de aangeefster op het moment dat hij zijn broek en onderbroek uittrok en daaruit begreep dat zij akkoord was met zijn deelname aan de seks, is in strijd met de betrouwbaar geachte verklaring van de aangeefster dat haar ogen afgedekt waren door een hand van [verdachte] . De rechtbank volgt die verklaring dan ook niet. Datzelfde geldt voor de verklaring van [medeverdachte] ter terechtzitting dat de aangeefster zo ging verliggen dat zij [medeverdachte] kon ontvangen. Ook dit is in strijd met de verklaring van de aangeefster dat zij geen kant op kon omdat [verdachte] op haar borst zat.
Medeplegen
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
Door de verdediging is aangevoerd dat de tenlastelegging van zowel [verdachte] als [medeverdachte] slechts zijn toegespitst op hun eigen feitelijke handelingen, zodat op basis van deze tenlastelegging geen nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten kan worden bewezen.
De rechtbank overweegt dat in een bewezenverklaring, waarin is gesteld dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander het feit heeft gepleegd, niet hoeft te worden vermeld of en zo ja welke feitelijke handelingen de verdachte zelf dan wel zijn mededader heeft verricht (vgl. Hoge Raad 6 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9905). De rechtbank ziet daarom in de wijze waarop de onderhavige tenlastelegging is opgesteld geen belemmering om tot een bewezenverklaring van medeplegen te kunnen komen.
Dat neemt niet weg dat de nauwe en bewuste samenwerking wel tot uitdrukking dient te komen in de bewijsmiddelen. Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank ten aanzien van de betrokkenheid van de verdachte en de medeverdachte het volgende af. De verdachten zijn samen naar het huis van de aangeefster gegaan. Op het moment dat de aangeefster naar haar slaapkamer liep, kwam eerst alleen [verdachte] achter haar aan. [verdachte] begon vervolgens seksuele handelingen bij haar te verrichten. Kort daarna is [medeverdachte] de slaapkamer binnengelopen, waarop [verdachte] hem erbij heeft gevraagd door te zeggen “vinger haar” en “neuk haar”. Omdat [verdachte] op dat moment op de borst van de aangeefster zat, met zijn geslachtsdeel in haar mond, werd [medeverdachte] de gelegenheid gegeven om tussen haar benen te kunnen. [medeverdachte] heeft vervolgens ook seks gehad met de aangeefster.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte] die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
Conclusie
Gezien al hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank de tenlastegelegde opzetverkrachting in vereniging wettig en overtuigend bewezen.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 30 maart 2025 te Rijswijk tezamen en in vereniging met een ander, met een persoon, te weten [slachtoffer] seksuele handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
- het brengen/of houden van zijn penis in de mond en/of zich laten pijpen door die [slachtoffer] terwijl hij, verdachte, op de borst van die [slachtoffer] zat en haar ogen bedekte en
- het brengen en heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, vingers in de vagina van die [slachtoffer] en
- het brengen en heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer]
terwijl hij, verdachte en zijn mededader, wisten dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: 38v-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van vijf jaren, met toepassing van vervangende hechtenis voor de duur van twee weken voor iedere keer dat de verdachte zich niet aan de maatregel houdt, met een maximum van zes maanden. Gevorderd is aan de maatregel te verbinden een contactverbod met de aangeefster en een locatieverbod ten aanzien van (de straat van) haar woning.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich niet uitgelaten over de strafoplegging.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetverkrachting in vereniging. Het slachtoffer is in haar eigen woning, een plek waar zij zich bij uitstek prettig en veilig zou moeten voelen, door de verdachte en zijn medeverdachte tegelijkertijd verkracht. Het slachtoffer heeft aan de verdachte duidelijk gemaakt dat zij geen seks wilde en toch heeft de verdachte tegen haar wil in vergaande seksuele handelingen bij haar verricht. Door zo te handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de geestelijke en lichamelijke integriteit van het slachtoffer.
Het is algemeen bekend dat slachtoffers van verkrachting langdurig psychische klachten kunnen ondervinden. Uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring blijkt dat het leven van het slachtoffer ingrijpend is veranderd als gevolg van wat haar is overkomen. Zij heeft onder andere last van herbelevingen en paniekaanvallen. Ook ervaart zij dagelijks angst en vindt zij het moeilijk om mensen dichtbij te laten. Uit haar slachtofferverklaring blijkt verder dat de gebeurtenissen niet alleen gevolgen hebben gehad voor het slachtoffer, maar ook voor haar zus, die ten tijde van de verkrachting slechts enkele meters verderop zat. Dat haar zus schuldgevoel met zich meedraagt en constant nadenkt over of zij had kunnen ingrijpen, kan het slachtoffer de verdachten nooit vergeven.
De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij zich niet om deze gevolgen heeft bekommerd, maar alleen gericht was op zijn eigen behoefte om seks te hebben. De verdachte heeft verder weinig blijk gegeven van inzicht in het kwalijke van zijn handelen. Hij lijkt niet te beseffen dat hij iets verkeerd heeft gedaan. Door herhaaldelijk te benoemen dat de seks vrijwillig plaatsvond en dat het slachtoffer had moeten schreeuwen of hem had moeten wegduwen als dat niet het geval was, schuift hij de verantwoordelijkheid van zichzelf af.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 17 juli 2025, waaruit volgt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 24 november 2025, waarin de reclassering heeft geconcludeerd dat er geen sterke aanwijzingen zijn voor risicofactoren die rechtstreeks te maken hebben met het strafbare feit. Door de ontkennende houding was het voor de reclassering niet goed te beoordelen welke dynamieken hebben gespeeld en of middelengebruik van invloed was op het delict gedrag. Het recidiverisico op een zedendelict wordt als laag inschat. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte aan hem een straf zonder toezicht of gedragsinterventies op te leggen.
De op te leggen straf
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is als uitgangspunt vermeld voor verkrachting met een beperkte mate van dwang (art. 242 (oud) Sr) een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden. In strafverzwarende zin heeft de rechtbank rekening gehouden met de volgende omstandigheden. Er was sprake van een verkrachting in vereniging, waarbij het slachtoffer tegelijkertijd oraal en vaginaal werd gepenetreerd. Daarnaast vond de verkrachting plaats in nabijheid van anderen en in het eigen huis en op het eigen bed van het slachtoffer. Verder is door de verdachte geen condoom gebruikt.
Alles afwegend acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straf passend en geboden. De rechtbank zal aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding.
Voorlopige hechtenis
Ten aanzien van de voorlopige hechtenis overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis met ingang van 16 juli 2025 geschorst tot aan het moment van deze einduitspraak. Dit betekent dat de schorsing vandaag van rechtswege eindigt. De rechtbank dient opnieuw een afweging te maken of het aflopen van de schorsing noodzakelijk is, of dat een hernieuwde schorsing van de voorlopige hechtenis, zoals door de verdediging is verzocht, op zijn plaats is. Daarbij worden de strafvorderlijke belangen bij vrijheidsbeneming afgewogen tegen de persoonlijke belangen van de verdachte bij zijn vrijheid.
Bij vonnis van heden is de verdachte schuldig bevonden aan een ernstig strafbaar feit en hij is veroordeeld tot een gevangenisstraf die van langere duur is dan het reeds ondergane voorarrest. Gelet op de ernst van dat strafbare feit en de proceshouding van de verdachte, en het geringe inzicht dat hij heeft getoond in het kwalijke van zijn handelen, is de rechtbank van oordeel dat het aan de samenleving niet valt uit te leggen als de voorlopige hechtenis opnieuw zou worden geschorst. Daarnaast weegt de rechtbank mee dat de gronden die ten grondslag liggen aan de voorlopige hechtenis nog onverkort aanwezig zijn.
Naar het oordeel van de rechtbank weegt het strafvorderlijk belang op dit moment zwaarder dan het persoonlijk belang van de verdachte. De rechtbank zal daarom bepalen dat de voorlopige hechtenis van de verdachte niet opnieuw wordt geschorst, maar voortduurt.
38v-maatregel
In hetgeen de officier van justitie heeft aangevoerd ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om op grond van artikel 38v Sr een vrijheidsbeperkende maatregel aan de verdachte op te leggen.

7.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 22.973,95, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 2.973,95 aan materiële schade en € 20.000,00 aan immateriële schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot:
  • toewijzing van een bedrag van € 12.500,00 aan immateriële schade;
  • toewijzing van een bedrag van € 2.973,95 aan materiële schade;
  • niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft betwist dat civielrechtelijk onrechtmatig is gehandeld door de verdachte.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de materiële posten ‘Eigen risico zorgverzekering’ en ‘Vervanging bed’, is namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag van € 1.674,00.
De rechtbank zal de vordering, voor zover deze betrekking heeft op de materiële post ‘Vervanging bankstel’, niet-ontvankelijk verklaren omdat onvoldoende is onderbouwd dat deze post rechtstreekse schade als gevolg van het bewezenverklaarde feit betreft.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
- de verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,
- de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen,
- de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of
- de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.
Van de bedoelde ‘aantasting in persoon op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de vordering van de benadeelde partij binnen de laatstgenoemde categorie valt en gegrond kan worden op artikel 6:106, eerste lid, onder b, BW. Uit de toelichting op de vordering volgt dat de benadeelde partij post-traumatische stress klachten ervaart als gevolg van het bewezenverklaarde feit. Nog daargelaten dat deze stelling onbetwist is, is deze aantasting ook aannemelijk gelet op de aard en ernst van de onderhavige normschending. De rechtbank zal de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 12.500,00. De rechtbank heeft bij het vaststellen van dit bedrag aansluiting gezocht bij de Rotterdamse Schaal voor verkrachting (artikel 242 (oud) Sr). Naar het oordeel van de rechtbank passen de feiten in het onderhavige geval in de categorie ‘ernstig’ van die schaal, nu het om een eenmalige gebeurtenis ging, maar wel sprake was van een verkrachting in vereniging die door de medeverdachte is gefilmd.
De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
Conclusie
De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering van benadeelde partij [slachtoffer] toewijzen tot een bedrag van € 14.174,00, bestaande uit € 1.674,00 aan materiële schade en € 12.500,00 aan immateriële schade. De vordering zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 30 maart 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling verdachte
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 14.174,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 30 maart 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer] .

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen: 36f, 243 en 254 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
opzetverkrachting, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
30 (DERTIG) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
verstaat dat de schorsing van de voorlopige hechtenis met ingang van heden eindigt;
de vordering van de benadeelde partij
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 14.174,00 en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 30 maart 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
bepaalt dat als een van de mededader(s) de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
de schadevergoedingsmaatregel
legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 14.174,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 30 maart 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van [slachtoffer] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 105 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat als een van de mededader(s) de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J. Snoeijer, voorzitter,
mr. J.L.E. Bakels, rechter,
mr. L.J. van den Herik, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. R. Claessens, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 december 2025.
Bijlage: de bewijsmiddelen
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025102443, Onderzoek: 15UPPSALA, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 351).
1. Het proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden, opgemaakt op 3 april 2025, voor zover inhoudende (p. 31-32):
Wij, verbalisanten, verklaren het volgende:
Informatie over het gesprek
Informatief gesprek met: [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2002
Gesprekspartner: Slachtoffer
Datum en tijd gesprek: 30 maart 2025
Feiten en omstandigheden
[slachtoffer] was op stap met 2 vriendinnen en haar zusje [naam 2] . Ze gingen [slachtoffer] haar
verjaardag vieren in club [club] in Rotterdam. Ze hadden weleens eerder afgesproken met de jongens ( [verdachte] , [medeverdachte] en [naam 1] ). De jongens waren daar ook. [verdachte] zei op een gegeven moment: "Of jullie gaan met ons mee of wij met jullie". Ze
hebben vervolgens bij [slachtoffer] thuis afgesproken. Daar hebben ze een drankje gedaan. [slachtoffer] liep naar haar slaapkamer om haar pantoffels aan te doen. [slachtoffer] woont klein en er zit geen deur naar haar slaapkamer. [verdachte] aan kwam achter haar aan en wilde met haar naar bed. Hij begon [slachtoffer] aan te raken bij haar geslachtsdeel onder haar kleding. [slachtoffer] vond dit niet leuk. Ze zei dat hij moest stoppen en ze wilde niet
dat de anderen het konden zien. Hij bleef doorgaan, deed haar jurkje omhoog, haar ondergoed uit en begon te seksen. Hij legde [slachtoffer] op haar rug en ging boven op haar. [slachtoffer] zei: "Stop, ik wil het niet, ik wil niet dat hun het zien". [medeverdachte] kwam erbij. Hij was aan het filmen. [slachtoffer] zag [medeverdachte] binnenkomen en zag dat hij zijn flits aan had van zijn telefoon. [slachtoffer] lag op haar rug. [verdachte] ging op haar borst zitten en deed zijn geslachtsdeel in [slachtoffer] haar mond. [slachtoffer] kon niet praten. [verdachte] deed zijn handen op haar ogen. [verdachte] zei tegen [medeverdachte] : "Vinger haar". [medeverdachte] deed dat. [verdachte] zei vervolgens tegen [medeverdachte] : "Neuk haar". [slachtoffer] lag toen op haar rug, [verdachte] zat op haar borst. [medeverdachte] zat achter [verdachte] , tussen haar benen (denkt ze) en neukte [slachtoffer] in haar vagina. Het was heel kort. Het was ineens over. [verdachte] was in [slachtoffer] haar mond klaargekomen. Ze denkt niet dat [medeverdachte] in haar vagina is klaargekomen. Beide hadden geen condoom gebruikt.
2. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , opgemaakt op 2 april 2025, voor zover inhoudende (p. 53, 57-65):
De aangeefster verklaarde:
V: Waar wil je aangifte van doen?
A: Ehh...Verkrachting.
V: Wanneer is dat gebeurd?
A: In de nacht van 29 maart op 30 maart 2025.
V: Waar heeft die verkrachting plaatsgevonden?
A: In mijn woning in [plaats] . Het is gebeurd in mijn bed.
V: Tegen wie wil jij aangifte doen?
A: Tegen [verdachte] en [medeverdachte] . Ik weet inmiddels wat de achternaam van [verdachte] is. Hij heet [verdachte] van zijn achternaam. En [medeverdachte] heet [medeverdachte] van zijn achternaam.
V: Zijn er na 20 maart nog ontmoetingen met [verdachte] geweest?
A: Nee. Tot de avond dat ik mijn verjaardag ging vieren in club [club] . Om 03:40 uur appte [verdachte] dat hij met [naam 1] en [medeverdachte] onderweg was naar mijn huis. We zijn toen met z’n 5en naar mijn huis gegaan.
V: En toen?
A: Ik liep naar mijn slaapkamer om mijn pantoffels aan te doen. [verdachte] liep achter mij aan. Hij deed mijn jurkje omhoog en deed mijn ondergoed uit. Hij begon me aan te raken.
V: Hoe begon [verdachte] je aan te raken?
A: Bij mijn geslachtsdeel. Enne....toen ging hij mij dus vingeren. Ik zei dat hij moest stoppen want ik wilde niet dat de anderen dat zouden zien want mijn slaapkamer heeft geen deur. Maar [verdachte] ging er toch mee door. Hij ging toen ook seks hebben met mij. Op dat moment kwam [medeverdachte] mijn slaapkamer binnen. Ik zag dat hij de flits van zijn telefoon aan had staan, dus het leek of hij het aan het filmen was. Ik zei tegen [verdachte] : 'Wat doet hij??' [verdachte] zei toen tegen [medeverdachte] : 'kom hier'. [verdachte] ging op dat moment op mijn borstkas zitten en deed zijn geslachtsdeel in mijn mond en zijn handen voor mijn ogen. Ik zag niet wat er gebeurde maar hoorde dat [verdachte] tegen [medeverdachte] zei: 'vinger haar'. [medeverdachte] begon mij toen te vingeren. Ik probeerde tegen [verdachte] te zeggen: 'wat doe je allemaal' maar dat ging niet echt want ik had zijn geslachtsdeel nog in mijn mond. Hij zat ook nog steeds op mij. Toen zei [verdachte] tegen [medeverdachte] : 'neuk haar.' [medeverdachte] ging toen achter [verdachte] zitten en begon seks met mij te hebben. Naar mijn idee duurde dat best kort. [verdachte] was toen klaargekomen in mijn mond. Toen stopten ze.
Achteraf denk je natuurlijk wel van: ik had moeten gillen of bijten toen het gebeurde maar op het moment zelf dacht ik daar niet aan...ik leek wel te bevriezen...wist gewoon niet wat me overkwam. Ik was gewoon in shock denk ik.
V: [verdachte] kwam dus achter je aan naar de slaapkamer. Je vertelde dat hij aan je begon te zitten. Waar was dat?
A: Mijn pantoffels lagen naast het bankje. Dat was ook de plek dat hij aan me begon te zitten, ter hoogte van de deuropening, voor mijn bed.
V: Hij ging aan je zitten... Wat deed hij dan precies?
A: Hij deed mijn jurkje omhoog. Dat was nog op diezelfde plek. Toen legde hij mij op mijn rug op bed en deed mijn ondergoed uit.
V: Zei jij nog iets?
A. Ik zei dat ik het niet wilde en dat ik niet wilde dat ze het in de woonkamer konden zien.
V: En zei jij nog iets toen hij jou vingerde?
A: Weer dat hij moest stoppen en ik niet wilde dat anderen het zouden zien. Ik zei: 'dadelijk komt er iemand binnen.' [verdachte] zei toen: 'nee er gaat niemand binnen komen'.
V: Wat deed hij met zijn hand tijdens dat vingeren?
A: Hij ging in mijn vagina.
V: En verder ?
A: Met zijn vingers op en neer bewegen.
V: Hoe stopt dat vingeren?
A: Dat stopte gewoon. Hij deed zijn hand eruit en toen deed hij zijn eigen broek uit en zijn onderbroek. En toen begon hij seks met mij te hebben.
V: Hoe deed hij dat?
A: Hij deed zijn geslachtsdeel in mijn vagina.
V: Hoe lag jij dan?
A: Ik lag gewoon op mijn rug op het matras en ik denk dat hij een beetje door zijn knieën gezakt zat.
V: En toen, hoe ging het verder?
A: Dat duurde ook maar kort want op dat moment kwam [medeverdachte] binnen lopen. Met de flits van zijn telefoon aan. [medeverdachte] stond in de deuropening en [verdachte] riep [medeverdachte] erbij. Hij zei: 'kom, kom.' Ik zei tegen [verdachte] : 'wat doe je?? ....stop...'. Toen is [verdachte] op mijn borstkas gaan zitten.
V: Hoe?
A: Hij zat op mijn borstkas en zijn benen elk aan één kant van mijn lichaam. Zijn gezicht was in mijn richting. [verdachte] deed zijn geslachtsdeel in mijn mond en ik zei: 'wat doe je, wat doe je.’ [verdachte] deed zijn handen voor mijn ogen. Of eigenlijk 1 hand. [medeverdachte] stond inmiddels naast het bed aan de linker kant. [verdachte] zat nog steeds in de zelfde positie en hij zei tegen [medeverdachte] : 'vinger haar'.
V: Even terug naar het moment dat jij daar ligt. [verdachte] zit op jouw borstkas en zegt tegen [medeverdachte] dat hij je moet vingeren. Hoe ging het verder?
A: [medeverdachte] ging dat dus doen. Ik lag nog steeds in dezelfde positie maar ik kon niet zien wat er gebeurde want [verdachte] had nog steeds zijn hand voor mijn ogen.
V: Hoe wist jij dan dat [medeverdachte] jou vingerde?
A: Dat voelde ik.
V: Wat was dan de positie van [medeverdachte] toen hij jou vingerde?
A: Hij stond naast het bed aan de linker kant.
V: Waar waren [verdachte] zijn handen op dat moment?
A: 1 hand op mijn ogen en de andere hand weet ik niet.
V: Wat deed [medeverdachte] met zijn hand? Of wat voelde je?
A: Ik voelde dat hij met zijn vingers in mijn vagina ging en daarmee bewoog.
V: Zei jij nog wat?
A: Volgens mij niet. Ik schrok wel heel erg dat [medeverdachte] dat deed. Maar op dat moment wist ik niet wat ik moest zeggen. Ik bevroor een beetje.
V: Hoe stopte dat vingeren door [medeverdachte] ?
A: Dat stopte omdat [verdachte] tegen [medeverdachte] zei: 'neuk haar.' [medeverdachte] stopte toen met vingeren. Toen voelde ik hem...ehh... [verdachte] zat nog steeds in dezelfde positie. Ik voelde dat [medeverdachte] achter [verdachte] op bed ging zitten.
V: En toen?
A: Toen voelde ik ook [medeverdachte] zijn geslachtsdeel bij mij erin gaan.
V: Waarin?
A: In mijn vagina.
V: Hoe ging dat verder?
A: Dat was ook heel kort eigenlijk. Het was dat hij een paar keer erin en eruit ging. Toen kwam [verdachte] klaar in mijn mond. En toen stopte alles eigenlijk.
V: In welke positie zat [medeverdachte] toen hij met zijn geslachtsdeel in jouw vagina ging?
A: Ik kon dat niet zien maar ik voelde dat hij bij mijn benen was. Bij mijn bovenbenen. Ik voelde zijn benen tegen mijn bovenbenen aan.
V: Want hoe waren jouw benen?
A: Die waren wijd. Met mijn knieën naar boven. Ik voelde [medeverdachte] zijn benen aan de binnenkant van mijn bovenbenen.
V: Op welk moment haalde [verdachte] zijn hand van jouw ogen af?
A: Eigenlijk op het moment dat [medeverdachte] achter [verdachte] was gaan zitten.
V: Hoe ging het verder?
A: [medeverdachte] ging naar de woonkamer en ging naast mijn zusje zitten. [verdachte] en ik gingen naar de badkamer. Ik spuugde zijn zaad uit in de wc en ben mijn tanden gaan poetsen. [verdachte] ging ook zijn tanden poetsen.
V: En over de seks, zeiden jullie daar nog iets over?
A: Nee, ik besefte me nog niet goed wat er was gebeurd en ik wilde hen het liefst zo snel mogelijk weg hebben dus ik zei maar niks. Hierna ben ik naast mijn zusje op de bank gaan zitten. [verdachte] en [medeverdachte] waren aan het bellen in de gang. De deur was open dus ik zag ze staan. Toen vroegen ze of [naam 1] meeging maar [naam 1] wilde dat niet. Toen gingen [verdachte] en [medeverdachte] weg via de voordeur.
V: In hoeverre heb je nog met [verdachte] en [medeverdachte] gesproken, tussen het moment van seks en dat ze weggingen?
A: Niet.
V: Wat vertelde je hierna aan je zusje en [naam 1] ?
A: Ik vertelde dat ze dingen met mij hadden gedaan die ik niet wilde en dat [verdachte] [medeverdachte] ook op mij liet.
3. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer] , op 2 oktober 2025 opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank en de griffier, voor zover inhoudende:
31. U, mr. Swier , zegt mij dat ik dus op het bed lag op mijn rug en u vraagt mij of [verdachte] seks met mij heeft gehad, in de zin dat hij mij vaginaal heeft gepenetreerd. Ja. U vraagt mij of ik daar iets over heb gezegd tegen [verdachte] of ik het wel of niet wilde. Ik zei stop. U vraagt mij of ik vaak stop heb gezegd. Ja. U vraagt mij of [verdachte] dat kon horen. Ja. U vraagt mij of ik twijfel heb daarover. Nee. U vraagt mij of ik het duidelijk heb gezegd. Ja.
32. U vraagt mij of ik nog weet op welke moment [medeverdachte] de slaapkamer binnenkwam. [verdachte] zat toen op mijn borstkas. Op dat moment kwam [medeverdachte] binnen, hij had zijn telefoon in zijn hand met de flits aan. Hij was aan het filmen. Op dat moment kwam hij binnen. U vraagt mij of ik meteen dacht dat [medeverdachte] filmde. Ja. U vraagt mij wat [verdachte] op mijn borstkas deed. Hij deed zijn geslachtsdeel in mijn mond. U vraagt mij of ik daar pijpen mee bedoel. Ja.
33. U vraagt mij wat [medeverdachte] heeft gedaan. Ik zei tegen [verdachte] : ‘wat doet hij’. En toen zei [verdachte] tegen [medeverdachte] : ‘vinger haar’ en dat ging [medeverdachte] toen ook doen. U vraagt mij of ik nog meer heb gezegd tegen [verdachte] . Nee. U vraagt mij of het flitslicht toen ook is uitgegaan. Volgens mij ging de flits uit en toen ging [medeverdachte] mij vingeren. U vraagt mij wat [medeverdachte] vervolgens is gaan doen. [medeverdachte] heeft mij gevingerd en [verdachte] zei tegen [medeverdachte] ‘ga achter mij zitten en neuk haar’. [medeverdachte] is tussen mijn benen achter [verdachte] gaan zitten. [verdachte] zat toen nog op mijn borstkas en toen heeft [medeverdachte] ook toen seks met mij gehad.
35. U zegt mij dat ik heb verklaard dat [medeverdachte] seks met mij heeft gehad. U vraagt mij of dat lang duurde. Dat duurde kort. U vraagt mij of ik een inschatting van de tijd kan maken. Ik denk een minuut. U vraagt mij wat [medeverdachte] heeft gedaan nadat hij seks met mij had gehad. Hij is toen naar de woonkamer gegaan.
36. U vraagt mij wat [verdachte] deed nadat [medeverdachte] seks met mij had gehad. [verdachte] liep naar de badkamer om zijn tanden te poetsen en kort daarna zijn [verdachte] en [medeverdachte] weggegaan. U vraagt mij of de seks tegelijkertijd met beide mannen eindigde. Het eindigde volgens mij tegelijk.
4. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 2] , opgemaakt op 30 maart 2025, voor zover inhoudende (p. 88-94):
De getuige verklaarde:
V: Over wie kom jij hier vertellen?
A: Over mijn zus.
V: Hoe heet jouw zus?
A: [slachtoffer] .
A: Gisteravond gingen we naar [club] in Rotterdam voor haar verjaardag. Er waren daar 3 jongens, die mijn zus al kenden. Wij bleven een beetje bij hun staan de hele avond en het was gezellig. Toen zijn we naar mijn zus haar huis gegaan. Eerst mijn zus en ik samen en zij zijn later naar ons toe gekomen.
V: Hoe laat waren die jongens bij jullie?
A: Ik denk dat zij ergens tussen 04.15 uur en 04.30 uur bij ons waren.
V: Dan zijn ze bij jullie in de woning, en dan?
A: We zaten op de bank en ik denk na 3 minuten zat ik al alleen op de bank met [naam 1] .
V: Hoe kwam dat dan?
A: Ik weet het niet. Dat ging echt heel snel. Zij stond op en ging naar haar slaapkamer. Hoe dat precies ging weet ik niet meer. Met zij bedoel ik mijn zus [slachtoffer] .
V: Zij staat op en gaat naar de slaapkamer, wist jij wat zij daar ging doen?
A: Nee.
V: En wat bedoel je daarmee?
A: Eerst bleef [medeverdachte] wel bij ons op de bank zitten maar dat was heel even. Hij stond toen op en liep naar mijn zus en [verdachte] en ging filmen.
V: En [verdachte] dan, die staat op van de bank en gaat achter je zus aan?
A: Ja, dat klopt.
V: Hoe komt het dat hij dat doet?
A: Hij is heel opdringerig en heel pushen.
V: [slachtoffer] en [verdachte] gaan naar haar slaapkamer. Wat gebeurd er met de deur?
A: Zij heeft geen deur in haar slaapkamer.
V: Je vertelde dat [medeverdachte] een paar minuten later naar de slaapkamer ging, hoe weet jij dat het een paar minuten later was?
A: Dat was mijn gevoel.
V: Je zegt [medeverdachte] was aan het filmen. Hoe zag je dat?
A: Ik zag het op zijn telefoon en ik heb gezien dat die flits aan ging.
V: Dus [medeverdachte] staat bij de ingang van de slaapkamer?
A: Ja, ik zag dat [medeverdachte] van de bank op stond en naar de slaapkamer van mijn zus liep. Ik zag dat hij daar naar binnen ging. Niet lang daarna zag ik dat hij eruit kwam en zijn riem en broek los had.
V: En dan?
A: [medeverdachte] kwam terug lopen en ging op de bank zitten. Toen zei hij tegen mij: 'Hoe heet ze?' en 'Heeft ze geen soa?'
V: En dan?
A: Toen kwamen [slachtoffer] en [verdachte] ook terug. Ik zag [slachtoffer] rondjes door het huis lopen. Ik dacht op dat moment dat zij nerveus was, maar had geen idee waarom zij dit deed. Ik zag vervolgens dat de jongens hun schoenen aandeden en weg gingen.
V: Hoeveel later was het dat de jongens weg gingen?
A: Ik denk dat het kwart over 5 was. Zij zijn niet lang binnen geweest bij ons. Ik schat in totaal maar een half uurtje.
V: Hoe was [slachtoffer] toen zij uit haar slaapkamer kwam lopen?
A: Zij was heel stil en liep rondjes door haar kamer heen. Ik zag dat zij ook een beetje wit was weggetrokken. Zij was gewoon heel stil en ik merkte direct aan haar dat er iets was.
V: De jongens vertrekken en dan?
A: We zijn naar bed gegaan maar voordat wij naar bed gingen vertelde zij dat er iets was gebeurd.
V: Wat verteld zij jou dan?
A: Ze vertelde dat [verdachte] op haar borst was gaan zitten en met zijn geslachtsdeel in haar mond ging.
V: Wat vond zij daar van?
A: [slachtoffer] zei dat zij een paar keer tegen hem, [verdachte] , stop had gezegd.
V: Wat heeft [slachtoffer] verteld over het feit dat het geslachtsdeel van [verdachte] in haar mond doet?
A: Ja, hij kwam klaar in haar mond. Dat vertelde zij mij.
V: [verdachte] komt klaar in de mond van [slachtoffer] en dan?
A: Toen had [medeverdachte] zijn geslachtsdeel in de vagina van [slachtoffer] .
V: Hoe is dat gegaan?
A: Wat zij mij heeft verteld dat [verdachte] al zo op haar zat en dat hij toen tegen [medeverdachte] zei: 'Neuk haar' en dat zij dat toen ook gingen doen. Ik bedoel hiermee dat [slachtoffer] het geslachtsdeel van [verdachte] in haar mond had en op hetzelfde moment [medeverdachte] haar in haar vagina aan het neuken was.
V: Heeft zij verteld hoe dat ging dat [medeverdachte] zijn penis in haar vagina deed?
A: Zij vertelde dat op het moment dat [medeverdachte] dat deed [verdachte] zijn hand op haar ogen had en dat zij niets kon zien.
V: Hoe lang heeft het geduurd dat [medeverdachte] met zijn penis in de vagina van [slachtoffer] zat?
A: Dat heeft zij mij niet verteld maar ik denk niet langer dan een minuut.
V: Waarom denk je dat?
A: Omdat [medeverdachte] echt maar heel kort in de slaapkamer is geweest.
5. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 27 oktober 2025, voor zover inhoudende (p. 153, met bijlagen: p. 155, 156, 161, 162, 165, 166, 172, 173, 174, 175, 176):
Ik, verbalisant, verklaar het volgende:
Ik heb aanvullend onderzoek gedaan in de veiliggestelde data van
de telefoon van slachtoffer [slachtoffer] . Tijdens voornoemd onderzoek trof ik een chat aan tussen [slachtoffer] en een contact met de naam [naam 4] . Deze chat begint op 31 maart 2025 om 10:18:50 uur en eindigt op 31 maart 2025 om
19:57:48 uur. Bij dit proces-verbaal is een print van de volledige chat bijgevoegd. Hieronder zal ik enkele relevante passages benoemen.
Op pagina 11 en 12 noemt [slachtoffer] de naam [medeverdachte] als persoon die het gedaan heeft samen met een vriend. [slachtoffer] schrijft dat het ‘zo eng’ was (pagina 31). [slachtoffer] schrijft dat het echt vies was (pagina 32). Hierna schrijft [slachtoffer] dat ze haar pantoffels ging halen in haar kamer en dat toen eerst de een achter haar aan kwam en daarna [medeverdachte] (pagina 34 en 35). Ook schrijft [slachtoffer] dat [medeverdachte] aan het filmen was (pagina 45 en 46). De eerder genoemde vriend noemt [slachtoffer] op pagina 52 [verdachte] . Op pagina 80 zegt [slachtoffer] ‘hun hadden iets voor mijn ogen gedaan'. Op pagina 82 antwoord [slachtoffer] ‘jaa' op de vraag ‘en hielden jou vast’.
Bijlage p. 172 – 176:
From: [naam 4] Zag je jou ook op filmpje denk je?
From: [naam 4] Hoofd endo
From: [slachtoffer] Geen idee
From: [slachtoffer] Ik zag niks
From: [naam 4] Je lag op je buik
From: [slachtoffer] Nee
From: [slachtoffer] Rug
From: [slachtoffer] Maar hun hadden iets voor mijn ogen gedaan
6. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 6 juni 2025, voor zover inhoudende (p. 148-149):
Ik, verbalisant, verklaar het volgende:
Uit de telefoon van slachtoffer [slachtoffer] is de chat tussen haar en het contact [naam 3] veiliggesteld. In de veiliggestelde chat is te zien dat het eerste bericht tussen [slachtoffer] en [naam 3] op 30 maart 2025 om 02:06:56 uur was. Het eerstvolgende bericht wordt gestuurd door [naam 3] naar [slachtoffer] . In dit bericht is een schermprint te zien van een Google zoekresultaat op de zoekopdracht ‘wat doen na verkrachting’. Verder gaat het in de chat op enkele momenten zijlings over de verkrachting Zo vraagt [naam 3] op 1 april 2025 'gaat het goed?’ [slachtoffer] reageert door te schrijven ‘nee voel me echt kut’, 'en leeg ofso', ‘en verdrietig’. [naam 3] vraagt vervolgens ‘heb je je psycholoog al gesproken? [slachtoffer] reageert door te schrijven ‘Zie het de hele tijd voor me en denk dr hele tijd aan’.
7. Het proces-verbaal van forensisch onderzoek persoon, opgemaakt op 9 april 2025, voor zover inhoudende (p. 228-230):
Ik, verbalisant, verklaar het volgende:
Op 30 maart 2025 omstreeks 14:00 uur, kreeg ik van de inzetcoördinator het verzoek om te gaan naar het politiebureau te Leidschendam-Voorburg. Aldaar zou er een forensisch medisch onderzoek plaatsvinden bij een slachtoffer naar aanleiding van een verkrachting.
Betrokkene
Slachtoffer
Achternaam: [geslachtsnaam]
Voornamen: [voornamen]
Geboortedatum: [geboortedatum 2] 2002
Op 30 maart 2025 omstreeks 15:00 uur werd gestart met het Forensisch Medisch Onderzoek. Er werden door de arts een aantal bemonsteringen genomen van de mond en het genitaal gebied. Deze bemonsteringen zijn veiliggesteld in een zogenaamde zedenkit. Deze zedenkit is door [naam 5] , voornoemd, verpakt, verzegeld, gewaarmerkt en voorzien van sporenidentificatienummer (SIN): ZAAE7329NL
8. Een geschrift, te weten Rapport Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een melding van een zedenmisdrijf gepleegd in Rijswijk op 30 maart 2025, opgemaakt op 18 juni 2025, voor zover inhoudende (p. 240-250):

1. Vraagstelling

DNA-onderzoek is uitgevoerd om vast te stellen van wie het DNA in de bemonsteringen afkomstig kan zijn. Slachtoffer [slachtoffer] en verdachten [medeverdachte] en [verdachte] zijn betrokken bij het vergelijkend DNA-onderzoek.

2. Ontvangen materiaal

SIN: ZAAE7329NL
Omschrijving: Onderzoeksset zedendelicten van slachtoffer [slachtoffer] met daarin achttien bemonsteringen:

4. DNA-onderzoek

Onderstaande bemonsteringen zijn onderworpen aan een DNA-onderzoek. Het DNA-onderzoek aan bemonstering ZAAE7329NL#05 is herhaald om een informatiever DNA-profiel te verkrijgen. Bemonsteringen ZAAE7329NL#07 en #08 bevatten een relatief kleine hoeveelheid mannelijk DNA. Daarom zijn deze bemonsteringen en de referentiemonsters van verdachten [medeverdachte] en [verdachte] tevens onderworpen aan een Y-chromosomaal DNA-onderzoek (zie kader 'Y-chromosomaal DNA-onderzoek').
SIN: ZAAE7329NL#05
Omschrijving bemonstering: buitenste schaamlippen (nat)
SIN: ZAAE7329NL#07
Omschrijving bemonstering: binnenste schaamlippen binnenzijde (nat)
SIN: ZAAE7329NL#08
Omschrijving bemonstering: diep vaginaal
7. Resultaten, interpretatie en conclusie van het onderzoek
In onderstaande tabel staan de resultaten van het (vergelijkend) DNA-onderzoek en van het onderzoek naar de aanwezigheid van sperma(vloeistof). In deze tabel zijn ook de resultaten van de berekende bewijskracht vermeld.
ZAAE7329NL#05 buitenste schaamlippen
(nat)
DNA kan afkomstig zijn van:
minimaal drie personen:
- slachtoffer [slachtoffer]
- verdachte [medeverdachte]
- verdachte [verdachte]
Bewijskracht:
- niet berekend
- ongeveer 27 miljoen
- meer dan 1 miljard
ZAAE7329NL#07
binnenste schaamlippen
binnenzijde (nat)
Autosomaal DNA kan afkomstig zijn
van:
minimaal één persoon:
- slachtoffer [slachtoffer]
Y-chromosomaal DNA kan afkomstig
zijn van:
minimaal twee mannen:
- verdachte [verdachte]
- minimaal één onbekende man
Bewijskracht:
- niet berekend omdat het NFI niet beschikt over
een gevalideerde methode voor het bepalen van
de bewijskracht van een overeenkomst met een
Y-chromosomaal DNA-mengprofiel
ZAAE7329NL#08
diep vaginaal
Autosomaal DNA kan afkomstig zijn
van:
minimaal één persoon:
- slachtoffer [slachtoffer]
Y-chromosomaal DNA kan afkomstig
zijn van:
minimaal twee mannen:
- verdachte [verdachte]
- minimaal één onbekende man
Bewijskracht:
- niet berekend omdat het NFI niet beschikt over
een gevalideerde methode voor het bepalen van
de bewijskracht van een overeenkomst met een
Y-chromosomaal DNA-mengprofiel
8. Bewijskracht van het vergelijkend DNA-onderzoek
Voor onderstaande bemonsteringen is de bewijskracht berekend (zie ook 'Aandachtspunt bij de bewijskracht van het vergelijkend DNA-onderzoek ). De bewijskracht is berekend met DNAStatistX.
ZAAE7329NL#05 buitenste schaamlippen (nat)Op basis van de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek kunnen verdachten [medeverdachte] en [verdachte] afzonderlijk DNA hebben bijgedragen aan deze bemonstering. Om te onderzoeken of beide personen ook gezamenlijk DNA kunnen hebben bijgedragen aan de bemonstering, zijn er vier hypothesen opgesteld en is berekend welke van deze hypothesen het DNA-mengprofiel het beste verklaart.
• DNA-mengprofiel ZAAE7329NL#05 is ten minste 80 miljoen keer waarschijnlijker wanneer beide verdachten DNA hebben bijgedragen aan de bemonstering (hypothese 1), dan wanneer één of geen van beide verdachten DNA heeft bijgedragen aan de bemonstering (hypothesen 2, 3 en 4).
9. Een geschrift genaamd ‘fotoblad’ met daarop afbeeldingen van pagina’s uit ‘FMO zedenboek’, opgemaakt op 30 maart 2025, voor zover inhoudende (p. 80):
Geen vaginaal geslachtsverkeer in laatste 7 dagen voor delict.
10. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] , opgemaakt op 4 april 2025, voor zover inhoudende (p. 276, 280, 281, 282):
De verdachte verklaarde:
V: Er is aangifte gedaan door [slachtoffer] van verkrachting, pleegdatum zondagochtend 30 maart 2025. Wat kan je hier zelf al over vertellen?
A: Ik was afgelopen zaterdag met mijn vrienden op de plek waar zij ook was een paar weken geleden. We hebben toen contact gehouden, omdat ik naar haar toe ging daarna. Toen heb ik seks met haar gehad. We zijn met zijn drieën daar heen gegaan [medeverdachte] , [naam 1] en Ik. Toen heb ik met haar seks gehad en daar heeft [medeverdachte] zich bijgevoegd op enig moment en zo is het gelopen.
V: Wat was jou doel om naar [slachtoffer] toe te gaan?
A: Om seks met [slachtoffer] te hebben en te chillen, maar seks met haar was mijn hoofddoel.
V: Jullie kwamen bij [slachtoffer] aan. Wat gebeurde er toen?
A: Toen zijn we met z’n allen naar binnen gegaan, hebben we wat gedronken en zag ik dat [naam 1] met haar zusje op de bank ging zitten. Ik ben toen met [slachtoffer] naar haar slaapkamer gegaan.
V: Vanaf dat punt, vertel eens stap voor stap wat er gebeurd.
A: Ik vingerde haar en zij bevredigde mij oraal. Dat stopte en toen hadden we seks met elkaar.
V: In welke posities waren jullie in opzichte van elkaar?
A: Als ik op mijn knieën zat, lag zij met haar gezicht bij mijn penis en zij lag op haar rug.
V: En waar lag zij op haar rug?
A: Op haar bed.
V: Hoe gaat dat verder?
A: Toen hebben we seks gehad met elkaar in bed. Zij lag op haar rug ik lag boven op.
V: Waar bestond die seks uit?
A: Vaginale penetratie.
V: Met wat was je haar vaginaal aan het penetreren?
A: met mijn penis.
V: Hoe ging het verder?
A: Tijdje seks gehad. Op een gegeven moment is ze mij weer oraal gaan bevredigen. En dat is het moment dat [medeverdachte] de slaapkamer binnen kwam lopen.
V: En toen?
A: Toen was ze mij nog oraal aan het bevredigen. Toen heeft [medeverdachte] ook seks met haar gehad.
V: Maar wat gebeurd er dan waardoor [medeverdachte] seks met haar heeft?
A: Hij kwam binnen, waarom weet ik niet maar daar gebeurde iets en hij heeft seks met haar. Het was voor mijn gevoel heel kort maar ik ben daar niet mee bezig geweest.
V: Hoe reageerde [slachtoffer] dat [medeverdachte] seks met haar had?
A: Ze was mij oraal aan het bevredigen dus aan haar merkte ik niet veel. Ik zag dat [medeverdachte] dat deed. Ik zag aan haar niks, ze duwde me niet weg of ze schreeuwde ook niet, dat is helemaal niet aan de orde geweest.
V: Wat zag jij dat [medeverdachte] deed?
A: Zijn broek los en hij bracht zijn penis naar binnen bij [slachtoffer] .
V: En waar bracht hij zijn penis naar binnen?
A: In haar vagina.
V: Wat vond je ervan dat [medeverdachte] er ineens bij kwam?
A: Het is wel eens vaker gebeurd dat we seks hadden met 1 of twee meiden, dus ik vond het niet heel raar, het gebeurde wel eens vaker.
V: Hoelang heeft hij [slachtoffer] gepenetreerd?
A: Nog minder dan een minuut.
V: Hoe stopte de seks?
A: Nadat ik was klaargekomen.
11. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] , opgemaakt op 14 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 296):
De verdachte verklaarde:
A: Dan de avond zelf. Ik vertel vanaf het moment dat we bij haar huis aankwamen.
We zijn in de woonkamer gaan zitten met z’n allen en hebben wat gedronken en muziek geluisterd. [slachtoffer] is op een gegeven moment opgestaan en naar haar slaapkamer gegaan.
[medeverdachte] was nog in die slaapkamer van [slachtoffer] . Ik heb achteraf gezien, te makkelijk gedacht dat zij consent gaf aan de situatie. Ik had op dat moment aan
haar moet vragen: “Ben je er oké mee?”.
12. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] , opgemaakt op 4 april 2025, voor zover inhoudende (p. 324-327):
De verdachte verklaarde:
V: Je wordt verdacht van verkrachting dan wel verkrachting in vereniging. Er is aangifte gedaan van verkrachting. Dat is op 29 maart 2025 geweest, op zondagochtend vroeg. Dat is rond 4:00 uur geweest. Kan je daar iets over zeggen
A: Ik ben meegegaan met twee vrienden van mij naar twee meiden.
V: Jullie gaan naar de woning, je zegt dat je geen seks hebt gehad. [slachtoffer] heeft aangifte gedaan en zegt dat zij wel seks met jou heeft gehad. Wat kan je daarover vertellen?
A: We kwamen daar aan en op een gegeven moment ging [verdachte] met [slachtoffer] naar de slaapkamer. Na een kwartiertje vroegen ze kom ook. Ik hoorde gewoon 'kom, [medeverdachte] , kom’. Dat zei [verdachte] . Ik ben er naar toe gegaan en ik heb wel mijn broek uitgedaan. Zal ik uitleggen hoe [verdachte] zat?
V: Ja doe maar.
A: Zij lag op haar rug en hij zat met zijn hoofd richting haar toe
V Hoe bedoel je dat?
A: Hij zit ter hoogte van haar buik, met zijn knieën langs haar. Als hij naar beneden keek, zag hij haar borsten. Ik keek [verdachte] op de rug.
V: [slachtoffer] verklaart dat toen jij binnen kwam lopen dat zij zag dat jij je telefoon in je hand had en het lampje van je telefoon aan stond. Wat kan je daar over zeggen?
A: Nee u bedoelt de flitser toch?
V: [slachtoffer] had namelijk het vermoeden dat je aan het filmen was toen je de kamer in liep. Dat is de reden dat je telefoons in beslag zijn genomen. Daar willen we onderzoek naar doen, of daar een filmpje op staat.
A: Helemaal aan het begin, toen zij net bezig waren, heb ik wel gefilmd.
13. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] , opgemaakt op 5 april 2025, voor zover inhoudende (p. 336, 337, 339):
De verdachte verklaarde:
V: Even terug komend op de jouw opmerking ‘Ik stond in de woning en toen kwam het akkefietje met de flitser’.
A: Ik heb het gisteren laten zien bij de politie. Ze hebben het filmpje gezien en dat hebben ze beschreven.
V: Je hebt een kort filmpje gemaakt toen je naar binnen liep?
A: Ik ben de kamer in gelopen toen ik aan het filmen was.
O: Je verklaarde gisteren: 'Je komt de kamer binnen en je ziet [verdachte] zitten ter hoogte van [slachtoffer] haar buik. Ik keek [verdachte] op de rug.
V: Wil je op dit moment terugkomen op je verklaring?
OA: Had je je broek uit gedaan?
A: Ja.
O.A.: Had je ook je onderbroek uit gedaan?
A: Ja die was ook uit.
V: Je verklaarde dat je in de kamer stond met je broek en je onderbroek uit. Wat heb je toen gedaan in de slaapkamer?
A: Toen ben ik het bed op gegaan vanaf het voeteneinden. Ik liep tegen hun voeten aan. Ik ben het bed opgekropen.
O: [verdachte] is ook gehoord als verdachte. [verdachte] heeft verklaard: ‘ [slachtoffer] lag op haar rug. Ik zat links naast haar hoofd en [medeverdachte] zat tussen haar benen’.
V: Wat kan jij hierover verklaren?
A: Dat is hetzelfde wat ik gezegd heb,. Hij zat over haar heen. Hij zat een been links en een been rechts. Het klopt dat ik tussen haar benen zat. Ik heb haar niet gezien.
V: Hoe heb jij kunnen weten dat [slachtoffer] het goed vond dat jij zonder broek en onderbroek bij hun op bed kwam?
A: Ze heeft het niet uitgesproken. [verdachte] heeft een aantal keren kom geroepen. Zij had niks gezegd.
V: Zijn er ook punten geweest, waarop ze zei dat ze het wel wilde?
A: Met woorden niet.Ze heeft het niet uitgesproken dat ze het wel wilde. Dat niet.