ECLI:NL:RBDHA:2025:24795

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
C/09/694471 KGZA 25-1115
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Waardeloosverklaring van hypothecaire inschrijving in kort geding

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag op 18 december 2025 uitspraak gedaan in een kort geding. Eiser, in zijn hoedanigheid van gevolmachtigde van de erfgenamen van twee overleden personen, heeft gevorderd dat de hypothecaire inschrijving ten behoeve van een overleden schuldeiser op een woning waardeloos wordt verklaard. De hypothecaire inschrijving dateert uit 1958 en is nooit uitgeschreven, ondanks dat de lening waarvoor deze is verstrekt, al lang geleden is afgelost. Eiser heeft aangetoond dat de schuldeiser en diens echtgenote zijn overleden en dat er geen erfgenamen zijn te traceren. De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat eiser als onmiddellijk belanghebbende kan worden aangemerkt en dat de hypothecaire inschrijving waardeloos verklaard kan worden op grond van artikel 3:29 BW. De voorzieningenrechter heeft de vordering van eiser tegen de overleden gedaagden niet-ontvankelijk verklaard, maar heeft de hypothecaire inschrijving waardeloos verklaard en bepaald dat het vonnis in kracht van gewijsde gaat. Dit vonnis is van belang voor de verkoop van de woning, die vrij van hypotheken moet kunnen worden geleverd.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel-voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/694471 KG ZA 25-1115
Vonnis in kort geding van 18 december 2025
in de zaak van
[eiser]te [woonplaats 1] ,
in zijn hoedanigheid van gevolmachtigde van de erfgenamen van
[erflater 1] en [erflater 2] ,
eiser,
advocaat: mr. C.E. de Vette te Den Haag,
tegen:

1.[gedaagde 1] ,

2. [gedaagde 2],
beiden laatstelijk wonend te [woonplaats 2] ,
gedaagden,
niet verschenen.
Eiser wordt hierna aangeduid als ‘ [eisers] c.s.’ en gedaagden als ‘ [gedaagden] c.s.’

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 13 november 2025, met producties 1 tot en met 11;
- de op 4 december 2025 gehouden mondelinge behandeling.
1.2.
Bij de mondelinge behandeling was aanwezig de heer [eisers] en zijn voornoemde advocaat. Voor gedaagden is niemand verschenen.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eisers] treedt op voor de erfgenamen van [erflater 1] en [erflater 2] , overleden in 2022 respectievelijk 2024, die gezamenlijk de eigendom hebben verkregen van de woning aan de [adres] te [plaats] , met als Kadastrale aanduiding gemeente [kadastrale aanduiding] (hierna: de woning).
2.2.
[erflater 1] heeft de woning in 1958
voor Hfl 11.000,-gekocht van [gedaagde 1] .
[erflater 1] heeft in dat kader Hfl 6.000 geleend van [gedaagde 1] , voor welke lening zekerheid is gesteld door verlening van een hypotheekrecht op de woning. Een en ander is vastgelegd bij notariële akte van 27 augustus 1958.
Het hypotheekrecht blijkt anno 2025 nog ingeschreven te staan in de openbare registers.
2.3.
[gedaagde 1] is volgens een in kopie overgelegde overlijdensakte op 2 mei 1959 overleden.

3.Het geschil

3.1.
[eisers] c.s. vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
a. a) de hypothecaire inschrijvingen ten behoeve van [gedaagde 1] op de woning waardeloos verklaart in de zin van art. 3:29 BW;
b) verklaart dat dit vonnis kracht van gewijsde heeft.
3.2.
[eisers] c.s. legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag.
Het hypotheekrecht uit 1958 is ten onrechte nooit uitgeschreven. De lening waarvoor het hypotheekrecht is verstrekt is al lang geleden afgelost. Dat heeft [erflater 1] herhaaldelijk verklaard, zoals blijkt uit de overgelegde verklaringen van familieleden en bekenden van [erflater 1] . Bovendien zijn mogelijke vorderingen uit hoofde van de geldleningsovereenkomst al meer dan 40 jaar verjaard op grond van art. 3:307 lid 2 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
[eisers] c.s. kan [gedaagde 1] of zijn echtgenote [gedaagde 2] niet vragen om het hypotheekrecht door te halen, omdat zij beiden bijna 65 jaar geleden overleden zijn (in 1959 respectievelijk 1960). [gedaagden] en [gedaagde 2] hadden geen kinderen en ook geen testament. [eisers] c.s. is er niet in geslaagd mogelijke erfgenamen op te sporen, ondanks uitgebreid onderzoek (buurtonderzoek, Google, opvolgende notaris, boedelregister). [eisers] c.s. heeft een spoedeisend belang bij zijn vorderingen omdat de erfgenamen op korte termijn de woning willen verkopen en die vrij van hypotheken moeten kunnen leveren.

4.De beoordeling

Wettelijk kader
4.1.
Artikel 3:274 lid 1 BW bepaalt dat wanneer een hypotheek is tenietgegaan, de schuldeiser verplicht is om aan de rechthebbende op het bezwaarde goed, bij authentieke akte een verklaring af te geven dat de hypotheek is vervallen. In lid 3 van dit artikel is bepaald dat wanneer de vereiste verklaring niet wordt afgegeven artikel 3:29 BW van overeenkomstige toepassing is. Artikel 3:29 lid 1 BW bepaalt dat wanneer de vereiste verklaring niet wordt afgegeven, de rechtbank de inschrijving waardeloos verklaart op vordering van de onmiddellijk belanghebbende.
[eisers] c.s. is niet-ontvankelijk jegens [gedaagden] c.s.
4.2.
[eisers] c.s. heeft gesteld dat de schuldeiser geen verklaring kan afgeven omdat hij is overleden. Dat [gedaagde 1] is overleden blijkt uit de overgelegde (kopie van) overlijdensakte. Ook zijn echtgenote [gedaagde 2] is volgens de overgelegde informatie uit het Centraal Testamentenregister overleden op 28 januari 1960. De voorzieningenrechter gaat er daarom vanuit dat [gedaagden] c.s. inderdaad zijn overleden.
Overleden personen kunnen echter geen partij meer zijn in een procedure. Voor zover zijn eis is gericht tegen [gedaagden] c.s. zal [eisers] c.s. daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
[eisers] c.s. is onmiddellijk belanghebbende
4.3.
[eisers] c.s. is echter wel aan te merken als onmiddellijk belanghebbende in de zin van artikel 3:29 lid 1 BW, op grond waarvan hij een zelfstandig belang heeft om de inschrijving van het hypotheekrecht waardeloos te (laten) verklaren als degene die volgens artikel 3:28 BW de verklaring had behoren af te geven dat niet doet. De reden voor het niet afgeven van die verklaring is daarbij niet relevant. Dus ook in dit geval kan [eisers] c.s. de rechtbank (voorzieningenrechter) om die verklaring vragen.
4.4.
[eisers] c.s. heeft zich blijkens de stukken tot het uiterste ingespannen om mogelijke erfgenamen van [gedaagden] c.s. op te sporen. Naast buurtonderzoek en onderzoek via Google, heeft hij onderzoek laten verrichten in het boedelregister en het testamentenregister. Ook heeft hij de opvolger van de notaris die destijds betrokken was bij het passeren van de hypotheekakte, de geldleningsovereenkomst en de overeenkomst inzake de koop van de woning geraadpleegd. Dit heeft er niet toe geleid dat eventuele erfgenamen bekend zijn geworden.
4.5.
Uit de stukken volgt dat de geldlening waarvoor in 1958 het hypotheekrecht is verleend Hfl 6.000,- was. Ter onderbouwing van het standpunt dat de geldlening is afgelost heeft [eisers] c.s. verklaringen van familieleden en kennissen van [erflater 1] overgelegd. Daaruit komt naar voren dat [erflater 1] altijd zo snel mogelijk schulden afbetaalde, in 1973 heeft verklaard dat hij geen schulden had en in 2013 heeft verklaard dat hij de hypotheek binnen een paar jaar had afbetaald. Gelet op deze verklaringen, het beperkte bedrag van de geldlening en het tijdsverloop sinds 1958 is het zeer waarschijnlijk dat de geldlening is afgelost.
Daarnaast zijn er sterke aanwijzingen dat, mocht de lening niet afgelost zijn, de vordering van [gedaagde 1] al geruime tijd geleden is verjaard, gezien het tijdsverloop en de afwezigheid van (bekende) erfgenamen, waardoor stuiting van de verjaring niet in de rede ligt.
4.6.
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat er geen vordering meer is waarvoor het hypotheekrecht als zekerheid kan dienen. Het hypotheekrecht van [gedaagde 1] is daarom tenietgegaan en de inschrijving daarvan is waardeloos. Nu duidelijk is dat de daartoe strekkende verklaring in de zin van artikel 3:28 lid 1 BW niet door [gedaagde 1] of zijn eventuele erfgenamen afgegeven zal worden, zal de voorzieningenrechter die op de voet van artikel 3:29 BW geven.
[eisers] c.s. heeft daar een spoedeisend belang bij, omdat de woning in de verkoop staat en onbezwaard aan de kopers moet kunnen worden geleverd.
Kracht van gewijsde
4.7.
Op grond van artikel 3:29 lid 4 BW kan de verklaring van waardeloosheid die dit vonnis bevat, niet eerder worden ingeschreven dan nadat dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Dit vonnis gaat pas in kracht van gewijsde als er geen rechtsmiddel meer open staat. De hoger beroepstermijn voor dit vonnis bedraagt vier weken. Een manier om dit vonnis onmiddellijk in kracht van gewijsde te laten gaan, is dat [eisers] c.s. afziet van zijn recht op hoger beroep en berust in dit vonnis (artikel 334 Rv). [eisers] c.s. hebben in de dagvaarding al verklaard van hun recht op hoger beroep af te zien. Dat betekent dat er geen rechtsmiddel tegen dit vonnis open staat en dat het per vandaag in kracht van gewijsde gaat.
Proceskosten
4.8.
[eisers] c.s. hebben geen proceskostenveroordeling gevorderd en de voorzieningenrechter ziet daar ook ambtshalve geen aanleiding voor aangezien [eisers] c.s. niet-ontvankelijk is in haar vorderingen jegens [gedaagden] c.s.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
verklaart [eisers] c.s. niet-ontvankelijk in de vordering gericht tegen [gedaagden] c.s.;
5.2.
verklaart de hypothecaire inschrijving ten behoeve van [gedaagde 1] op de woning staande en gelegen aan de [adres] te [plaats] met als Kadastrale aanduiding gemeente [kadastrale aanduiding] , waardeloos in de zin van artikel 3:29 BW;
5.3.
verklaart dat dit vonnis kracht van gewijsde heeft.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2025.
SH