De minister van Asiel en Migratie legde op 20 november 2025 aan eiser een maatregel van bewaring op op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000, vanwege het noodzakelijk vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit en het verkrijgen van gegevens voor de asielprocedure.
Eiser betwistte enkele gronden voor de bewaring, zoals het onttrekken aan toezicht en het ontbreken van een vaste verblijfplaats, maar de rechtbank oordeelde dat de minister voldoende en feitelijk juiste gronden had aangevoerd. Eiser hield zich niet aan de eerder opgelegde meldplicht en was niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen.
De rechtbank verwierp ook het verweer dat een lichter middel had moeten worden toegepast, omdat het risico op onttrekking aan toezicht aanwezig bleef. Ambtshalve toetsing leidde tot de conclusie dat de maatregel rechtmatig was en nog voortduurde, mede omdat de nationaliteit van eiser nog niet was vastgesteld.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.