ECLI:NL:RBDHA:2025:24743

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
NL25.23911
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Nigeriaan op basis van tegenstrijdige verklaringen over identiteit en paspoort

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, wordt het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag beoordeeld. Eiser, afkomstig uit Nigeria, had op 7 oktober 2021 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel, welke door de minister op 22 mei 2025 als kennelijk ongegrond werd afgewezen. De rechtbank heeft op 3 september 2025 de zaak behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde aanwezig waren, evenals de gemachtigde van de minister en een tolk. Tijdens de zitting werd een tussenuitspraak gedaan op 12 september 2025, waarin de minister werd verzocht nader onderzoek te verrichten naar het paspoort van eiser.

De rechtbank concludeert dat de minister in zijn besluitvorming onvoldoende rekening heeft gehouden met de echtheid van het paspoort, maar dat dit niet betekent dat de identiteit van eiser daarmee is aangetoond. De rechtbank wijst op de inconsistenties in de verklaringen van eiser over zijn identiteit en de herkomst van zijn documenten. De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft geconcludeerd dat eiser zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt, ondanks de positieve beoordeling van de echtheid van het paspoort door Bureau Documenten.

Uiteindelijk verklaart de rechtbank het beroep gegrond, maar laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand, wat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag blijft bestaan. De rechtbank oordeelt dat de minister niet in de proceskosten wordt veroordeeld, omdat eiser had moeten begrijpen dat zijn paspoort cruciaal was voor de beoordeling van zijn aanvraag.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.23911
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),

en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. W.M.A. van Hoof).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 7 oktober 2021 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 22 mei 2025 (het bestreden besluit) in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 3 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, dhr. Poronsaye als tolk en de gemachtigde van de minister.
1.2.
Bij tussenuitspraak van 12 september 2025 heeft de rechtbank de minister in de gelegenheid gesteld om nader onderzoek te verrichten met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in de tussenuitspraak.
1.3.
De minister heeft op 2 oktober 2025 een verklaring van onderzoek van Bureau Documenten en een aanvullende motivering ingediend. Eiser heeft daar op 20 oktober 2025 op gereageerd. Beiden hebben aangegeven geen nadere zitting te willen.
1.4.
De rechtbank heeft vervolgens op 29 oktober 2025 het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij alles wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist.
De geloofwaardigheid van de identiteit, nationaliteit en herkomst
Het paspoort
3. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat de minister in het kader van een zorgvuldige besluitvorming onderzoek moet laten doen door Bureau Documenten (BDOC) naar het paspoort van eiser. De rechtbank heeft daarbij het primaire standpunt van eiser, dat het paspoort niet relevant is omdat de documenten die hij tot dusver had overgelegd zijn identiteit, nationaliteit en herkomst reeds volledig onderbouwen, niet gevolgd. De rechtbank heeft ook niet gevolgd dat de minister in de systemen zelf had moeten zien dat eiser een paspoort heeft.
4. Uit de verklaring van onderzoek van BDOC over het paspoort (met afgiftedatum 12 april 2024) blijkt het volgende. Gelet op het beschikbare vergelijkings- of referentiemateriaal is de echtheid van het document positief beoordeeld. Er kan echter geen uitspraak worden gedaan over de opmaak en afgifte van het document, en er kan niet worden vastgesteld of het document inhoudelijk juist is.
5. De minister ziet in de verklaring van onderzoek van BDOC geen aanleiding om het bestreden besluit in te trekken. Volgens de minister maakt het paspoort de identiteit van eiser niet aannemelijk. De minister wijst op wat in r.o. 7 van de tussenuitspraak is vermeld over de documenten die eiser tot dusver had overgelegd. Verder heeft eiser niet steeds consistent verklaard over zijn identiteit, nationaliteit en afkomst. Ook heeft hij in de eerdere asielprocedure valse documenten overgelegd. De minister wijst op par. 2.3 van het Algemeen ambtsbericht Nigeria van januari 2023, waaruit blijkt dat documentfraude veelvuldig voorkomt in Nigeria. Ook blijkt uit p. 38 dat een National Identity Number (NIN) niet verplicht is voor de aanvraag van een Nigeriaans paspoort in het buitenland, terwijl dit is geïmplementeerd om documentfraude tegen te gaan. Verder heeft eiser geen steunbewijs van de paspoortaanvraag of -afgifte overgelegd. Ook heeft eiser in het nader gehoor van 2 augustus 2024 verklaard dat hij het paspoort al heeft aangevraagd, maar dat deze nog niet in zijn bezit is. De afgiftedatum van het overgelegde paspoort is
echter 12 april 2024. Dit is tegenstrijdig en het dossier geeft geen blijk van een verschoonbare verklaring.
6. Eiser voert aan dat hij zijn identiteit, nationaliteit en herkomst met het paspoort aannemelijk heeft gemaakt, omdat deze echt is bevonden. In de verklaring van onderzoek van BDOC is niet toegelicht waarom er over de opmaak, afgifte en inhoud geen uitspraak kan worden gedaan, en dit kan dus ook niet worden gevolgd. Nu eiser een echt paspoort heeft overgelegd, mag hem ook niet meer in zwaarwegende mate worden verweten dat hij in de vorige procedure valse documenten heeft overgelegd. Verder betekent het feit dat er veel documentfraude is in Nigeria, niet dat daar in het geval van eiser ook sprake van is. Ook mag eiser niet verweten worden dat een NIN niet verplicht was voor zijn paspoortaanvraag. Verder is het niet tegenstrijdig dat eiser in het nader gehoor heeft verklaard dat hij nog niet in bezit was van zijn paspoort terwijl de afgiftedatum 12 april 2024 is. Het paspoort kon immers afgegeven zijn, maar dat betekent niet dat eiser ook al in het bezit was van het paspoort.
7. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat eiser zijn identiteit, nationaliteit en herkomst met het paspoort niet (alsnog) aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank stelt voorop dat de conclusie van BDOC dat de echtheid van het document positief is beoordeeld, niet betekent dat het ook gaat om een authentiek paspoort. 1 Verder heeft de minister er terecht
1. Vergelijk de Vakbijlage van BDOC, p. 7.
op gewezen dat eiser niet consistent heeft verklaard over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst. Hij heeft immers in de eerdere asielprocedure de Liberiaanse nationaliteit opgegeven. Daarbij heeft hij ook valse documenten overgelegd. Hoewel eiser een echt paspoort heeft overgelegd, is dus geen sprake van een weerlegbaar bewijsvermoeden (waarbij het aan de minister is om nader onderzoek te doen als hij voorbij wil gaan aan het paspoort). De minister heeft in dat verband terecht gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 29 september 2021. De minister mocht voor zijn standpunt ook van belang vinden dat uit het ambtsbericht blijkt dat Nigeriaanse documenten fraudegevoelig zijn. Verder kan de rechtbank volgen dat eisers verklaring in het nader gehoor van 2 augustus 2024 dat het paspoort nog niet in zijn bezit is, tegenstrijdig is met dat het paspoort de afgiftedatum 12 april 2024 heeft. De enkele stelling van eiser dat het paspoort mogelijk al wel was afgegeven, maar nog niet in het bezit van eiser was, acht de rechtbank onvoldoende toelichting. Het had op de weg van eiser gelegen om uit te leggen hoe het mogelijk is dat zijn paspoort al maanden was afgegeven, maar nog niet in zijn bezit was.
De verklaringen van eiser op de zitting van 3 september 2025 bieden ook geen duidelijkheid. Eiser heeft toen verklaard dat hij het paspoort geregeld wilde hebben voor zijn huwelijk in maart of april van ‘dit jaar’ en dat hij vervolgens zichzelf, of zijn huwelijk, met dit paspoort heeft geregistreerd bij gemeente Rotterdam. De rechtbank acht verder van belang dat eiser geen enkel steunbewijs heeft overgelegd voor de aanvraag en afgifte van zijn paspoort bij de ambassade in Den Haag. Eiser heeft ook in de reactie van 20 oktober 2025 geen nadere toelichting of onderbouwing gegeven van het aanvraag- of afgifteproces De beroepsgrond slaagt niet.
Verblijf in Nederland na overdrachtsbesluit
8. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte niet heeft gemotiveerd waarom het feit dat hij na de Dublinprocedure niet uit Nederland is vertrokken, maakt dat hij niet in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd.
9. De rechtbank overweegt als volgt. De minister heeft ook betrokken dat eiser in de eerdere asielprocedure een valse identiteit heeft opgegeven en valse documenten heeft overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank kan alleen hieruit al de conclusie worden getrokken dat eiser niet in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd. De beroepsgrond treft daarom geen doel.

Herkomstvragen

10. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft toegelicht hoe zijn antwoorden op de herkomstvragen zijn meegewogen. Dit had temeer gemoeten vanwege de positieve conclusie van BDOC.
11. De rechtbank overweegt als volgt. In het bestreden besluit is opgemerkt dat de vragen hooguit iets kunnen zeggen over de herkomst van eiser en in beperkte mate iets over zijn nationaliteit, en dat de HIS-check ondergeschikt is aan het ontbreken van documenten of aan de twijfel aan eisers geloofwaardigheid in grote lijnen. De rechtbank kan deze toelichting volgen en acht deze voldoende. Ook als wordt aangenomen dat eiser juist heeft geantwoord op de herkomstvragen, kan dit zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet alsnog aannemelijk maken. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing aan artikel 8 van het EVRM

12. Eiser heeft op de zitting aangevoerd dat de minister, vanwege de duur van de procedure (4 jaar) ambtshalve moet toetsen of uitzetting naar Nigeria in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Eiser heeft intussen banden gekregen met Nederland en is zelfs gehuwd.
13. De rechtbank overweegt als volgt. Eiser heeft geen informatie overgelegd over zijn gestelde privé- en familieleven (bijvoorbeeld over zijn huwelijk). De rechtbank ziet alleen daarom geen aanleiding om ambtshalve te beoordeling of de uitzetting van eiser in strijd zou zijn met artikel 8 van het EVRM. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

14. Gelet op de tussenuitspraak, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Omdat de minister met het onderzoek van BDOC en de aanvullende motivering het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als kennelijk ongegrond in stand blijft.
14.1.
Hoewel het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank de minister niet in de proceskosten. Zoals de rechtbank in r.o. 8 van de tussenuitspraak heeft toegelicht, had het voor eiser duidelijk moeten zijn dat zijn paspoort van wezenlijk belang was voor de beoordeling van zijn aanvraag. Eiser heeft pas op de zitting verklaard over het paspoort, en dit paspoort moest in het kader van de zorgvuldigheid worden beoordeeld. Dit kan naar het oordeel van de rechtbank niet voor rekening komen van de minister.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
11 november 2025

Documentcode: [Documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kunt een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.