Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.Het verloop van de procedure
2.De feiten
“Het is van groot belang dat de omgang tussen moeder en [minderjarige] op een veilige manier wordt vormgegeven. Vanuit de gecertificeerde instelling zullen er dan ook voorwaardes opgesteld worden waar moeder zich aan dient te houden.
3.Het verzoek
De advocaat heeft bepleit dat de schriftelijke aanwijzing onzorgvuldig tot stand is gekomen. De moeder is niet gehoord over het genomen besluit en de beperkingen van het contact zijn onvoldoende gemotiveerd, niet noodzakelijk en niet proportioneel. In de schriftelijke aanwijzing is niet toegelicht waarom de omgang is beperkt tot een half uur. Vervolgens is ook geen reden gegeven waarom de omgang slechts is uitgebreid naar een uur en niet naar een langere duur en waarom de omgang niet vaker kan plaatsvinden. Er blijkt nergens uit dat [minderjarige] overprikkeld zou raken of onveiligheid zou ervaren van het contact met de moeder als dat langer zou duren of vaker zou plaatsvinden. Een uitbreiding in duur en frequentie van het contact helpt [minderjarige] juist om te wennen aan de moeder en is goed voor de continuïteit. Verder is niet toegelicht waarom het bezoek op het kantoor van de gecertificeerde instelling moet plaatsvinden. Het contact kan ook bij de moeder of eventueel bij de pleegouders plaatsvinden, op een meer ontspannen plek voor de moeder en [minderjarige]. Tot slot is niet toegelicht waarom de omgang begeleid moet plaatsvinden. Als de moeder niet heeft gebruikt is er ook geen toezicht nodig en is die inbreuk niet noodzakelijk. Voorafgaand aan het contactmoment kan worden vastgesteld dat de moeder nuchter is waarna er geen begeleiding nodig is. Het is in het belang van de uithuisplaatsing noodzakelijk dat het contact zo snel mogelijk wordt uitgebreid en er een omgangsplan wordt gemaakt, mede gelet op de aanmelding van de moeder bij het moeder-kindhuis en de geplande intake op 25 november 2025.
4.De standpunten
De gecertificeerde instelling betwist dat er onzorgvuldig is gehandeld. Het besluit is kenbaar gemaakt aan de moeder en haar advocaat en de moeder is daarna gehoord. De gecertificeerde instelling heeft zorgvuldig afgewogen wat in deze fase verantwoord is voor [minderjarige]. [minderjarige] is een jong en kwetsbaar kindje en instabiliteit en middelengebruik bij een ouder kan de hechting verstoren en gevoelens van onveiligheid versterken. Het is belangrijk dat de omgangsmomenten plaatsvinden in een setting waar rust, continuïteit en veiligheid is en er voldoende zicht is op de belastbaarheid van de moeder en de kwaliteit van de interactie. Er wordt ook toegewerkt naar een verdere uitbreiding van het contact, maar een geleidelijke opbouw is daarin noodzakelijk voor de veiligheid van [minderjarige]. Daarbij wordt ook gezien dat de moeder beschikbaar wil zijn voor [minderjarige], maar dat het haar ondanks de liefde voor [minderjarige] niet altijd lukt om keuzes te maken die in het belang van [minderjarige] zijn. De moeder heeft een terugval gehad waardoor twee omgangsmomenten niet zijn doorgegaan. Verder is [minderjarige] na de bezoeken zichtbaar moe, waarbij de reis naar het contactmoment ook belastend voor hem is. Met de moeder is besproken dat op het gezamenlijk overleg van 1 december 2025 opnieuw met de moeder gekeken zal worden of verdere uitbreiding mogelijk is en of het bezoek op een andere, minder belastende locatie kan plaatsvinden.
5.De beoordeling
Verder moet de kinderrechter beoordelen of er nog altijd voldoende grond is voor de schriftelijke aanwijzing. Het beperken van contact tussen ouders en kinderen betekent een inbreuk op het recht op eerbieding van het gezinsleven (family life) als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Deze inbreuk mag niet verder gaan dan in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. Hoe ver de beperking kan gaan, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Nadat een kind uit huis is geplaatst, rust er een grote verantwoordelijkheid op een EVRM-verdragsstaat om het bezoekrecht van een ouder met het kind te waarborgen. De beoordeling door de kinderrechter vindt plaats op basis van de situatie zoals die nu is (ex nunc), waarbij de kinderrechter rekening dient te houden met eventuele gewijzigde omstandigheden sinds de schriftelijke aanwijzing werd gegeven.
Verder heeft de gecertificeerde instelling in haar e-mails, haar verweerschrift en ter zitting uitvoerig gemotiveerd hoe zij is gekomen tot de beperkingen in het contact in het belang van [minderjarige]. De omgang bevindt zich op dit moment in een opbouwende fase waarbij rekening moet worden gehouden met de belastbaarheid van [minderjarige]. [minderjarige] is een jong en kwetsbaar kind dat nu nog geen 16 maanden oud is. Met de huidige duur en frequentie van de omgang is [minderjarige] zichtbaar moe na de contactmomenten met de moeder. De moeder werkt hard aan zichzelf, maar kampt ook met verslavingsproblematiek. Zij heeft de afgelopen periode een terugval gehad waarbij zij te laat en onder invloed bij het contactmoment aankwam. Dit brengt risico’s en onzekerheid met zich mee voor de veiligheid en de ontwikkeling van [minderjarige]. Daarbij kan het lastig zijn om voor het contactmoment vast te stellen in hoeverre de moeder nuchter is en of het contact veilig kan plaatsvinden, waardoor begeleiding op dit moment nog noodzakelijk is. De kinderrechter vertrouwt erop dat de omgang regelmatig tussentijds geëvalueerd zal blijven worden door de gecertificeerde instelling en met inachtneming van de veiligheid en het belang van [minderjarige] waar mogelijk zal worden uitgebreid. Daarbij heeft de gecertificeerde instelling ook de bereidheid uitgesproken om bij het eerstvolgende gezamenlijke overleg te kijken naar de mogelijkheden om de omgang op een andere -minder belastende- plek te laten plaatsvinden. De kinderrechter ziet dan ook geen reden om op grond van artikel 1:265f lid 2 BW een andere zorgregeling vast te stellen.
Geschillenbeslechting
6.De beslissing
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.