ECLI:NL:RBDHA:2025:24639

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 november 2025
Publicatiedatum
21 december 2025
Zaaknummer
C/09/651540 / FA RK 23-5504
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bepaling van eenhoofdig gezag en omgangsregeling onder regie van gecertificeerde instelling

In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag op 20 november 2025 een beschikking gegeven in een procedure over het gezag en de zorgregeling van een minderjarige. De vader heeft verzocht om hem met het eenhoofdig gezag over de minderjarige te belasten, terwijl de moeder verzocht heeft om het gezag en de hoofdverblijfplaats bij haar te bepalen. De rechtbank heeft eerder op 10 december 2024 een voorlopige zorgregeling vastgesteld, maar deze is niet uitgevoerd omdat de moeder onbereikbaar is geworden. De rechtbank heeft vastgesteld dat er een onaanvaardbaar risico bestaat dat de minderjarige klem of verloren raakt tussen de ouders, en heeft daarom het verzoek van de vader toegewezen. De moeder heeft geen contact meer met de vader en is niet betrokken in het leven van de minderjarige, wat de rechtbank heeft doen besluiten dat het gezag alleen aan de vader toekomt. De rechtbank heeft ook gesproken over de mogelijkheid van herstel van contact tussen de moeder en de minderjarige, waarbij de gecertificeerde instelling een rol zal spelen in de omgangsregeling. De rechtbank heeft het verzoek van de moeder om een dwangsom te koppelen aan de omgangsbeslissingen afgewezen, evenals het verzoek van de vader om de moeder het recht op omgang te ontzeggen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 23-5504
Zaaknummers: C/09/651540
Datum beschikking: 20 november 2025

Gezag, hoofdverblijfplaats, zorgregeling

Beschikking op het op 26 juni 2023 ingekomen verzoek van:

[de vader]

de vader,
wonend op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. P.F.M. Gulickx te Breda.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder],

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.G. J. van Kerkhof te Gilze.
Als informant wordt aangemerkt:

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,(hierna te noemen: de gecertificeerde instelling).

Procedure

Bij beschikking van 10 december 2024 van deze rechtbank:
  • is een beslissing ter zake van het gezag, de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling aangehouden;
  • is bepaald dat er
- wekelijks videobelcontact zal zijn tussen de moeder en de minderjarige [minderjarige];
- ( (binnen uiterlijk twee maanden na deze uitspraak) tweewekelijks een fysiek contactmoment zal zijn tussen de moeder en [minderjarige];
een en ander op een door de gecertificeerde instelling aan te wijzen dag/dagdeel en tijdstip.
Het is daarbij ook aan de gecertificeerde instelling om te bezien in hoeverre en op welke manier het contact tussen de moeder en [minderjarige] moet worden opgebouwd en kan worden uitgebreid;
- is bepaald dat de vader aan de moeder een dwangsom verbeurt van € 250,- voor iedere keer dat hij voormelde voorlopige zorgregeling niet nakomt, met een maximum van € 5.000,-.
De rechtbank heeft nogmaals kennis genomen van de stukken, waaronder nu ook het F9 formulier van 23 juli 2025 van de vader.
Op 6 november 2025 is de behandeling op de zitting voortgezet in de vorm van en
gecombineerde behandelingvan zowel onderhavig verzoek als het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling (C/09/691290 / JE RK 25-1570). Op laatstgenoemd verzoek is op 6 november 2025 toewijzend beslist, in die zin dat de ondertoezichtstelling met een jaar is verlengd. De schriftelijke uitwerking van die mondelinge beslissing is in een afzonderlijke beschikking vastgelegd.
Op de zitting zijn verschenen:
  • de vader bijgestaan door zijn advocaat;
  • de advocaat van de moeder;
  • [naam 1] namens de gecertificeerde instelling;
  • [naam 2] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft alles wat in genoemde beschikking van 10 december 2024 is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.
Aan de rechtbank liggen nog voor de verzoeken van de vader om hem met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] te belasten en om de moeder het recht op omgang met [minderjarige] te ontzeggen.
Daarnaast liggen nog aan de rechtbank voor de verzoeken van de moeder om haar met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] te belasten, om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij haar te bepalen, te bepalen op welke wijze er contact plaatsvindt tussen [minderjarige] en haar beide ouders en om een dwangsom te koppelen aan de in deze procedure te nemen omgangsbeslissingen.
De rechtbank heeft in de beschikking van 10 december 2024 een beslissing over de definitieve zorgregeling, het gezag en de hoofdverblijfplaats aangehouden in afwachting van het verloop van de opbouw en uitbreiding van de zorgregeling en de opstelling en mate van medewerking daarin door beide ouders.
Gezag en hoofdverblijf
Gebleken is dat er geen uitvoering is gegeven aan de voorlopige zorgregeling zoals vastgesteld in de beschikking van 10 december 2024. Het contact tussen [minderjarige] en de moeder is nog steeds niet hersteld. Niet omdat de vader daaraan geen medewerking heeft gegeven, maar omdat de moeder uit beeld is verdwenen en onbereikbaar is geworden voor alle betrokkenen, ook voor de gecertificeerde instelling en voor de advocaat van de moeder. Aan de voorlopige zorgregeling die bij de beschikking van 10 december 2024 is vastgesteld is daarom geen uitvoering gegeven.
De vader handhaaft zijn verzoek om eenhoofdig gezag en hij concludeert tot afwijzing van de verzoeken van de moeder om aan haar het eenhoofdig gezag toe te kennen en om bij haar de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] te bepalen. Op de zitting heeft hij toegelicht dat het niet mogelijk is om samen met de moeder zaken voor [minderjarige] te regelen omdat de moeder niet bereikbaar is of zegt er op terug te komen en dan niets meer van zich laat horen. Zo heeft hij onlangs een kort geding procedure moeten starten om vervangende toestemming te krijgen voor het aanvragen van een identiteitskaart voor [minderjarige] en voor het wijzigen van de zorgverzekering.
Op de zitting heeft de advocaat van de moeder verklaard dat de moeder kort voor de zitting telefonisch contact met hem heeft opgenomen. De moeder zou proberen naar de zitting te komen, maar dat is kennelijk niet gelukt. De advocaat van de moeder heeft van de moeder begrepen dat zij nog wel in contact staat met het consultatiebureau en op die manier op afstand op de hoogte blijft. Ook weten de ouders elkaar wel te vinden als er iets geregeld moet worden voor [minderjarige], aldus de advocaat van de moeder.
Op grond van artikel 1:253n tweede lid in samenhang met artikel 1:251a eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat het uitgangspunt van de wet is dat het gezag over een minderjarige gezamenlijk door de ouders wordt uitgeoefend. Voor een gezamenlijk gezag is echter wel vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over de minderjarige in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans ten minste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen.
De rechtbank zal het verzoek van de vader om hem te belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] toewijzen, onder gelijktijdige afwijzing van het verzoek van de moeder op dit punt. Vast is komen te staan dat de moeder uit beeld is verdwenen en dat de vader geen contact met de moeder kan krijgen als er gezagsbeslissingen voor [minderjarige] genomen moeten worden. Dit heeft er onder meer toe geleid dat de vader onlangs aan de rechtbank vervangende toestemming heeft moeten vragen voor een aantal zaken die voor [minderjarige] geregeld moesten worden. Ook is vanwege de onbereikbaarheid van de moeder de vastgestelde zorgregeling niet van de grond gekomen. Doordat de moeder niet bereikbaar is en niet betrokken is in het leven van [minderjarige], bestaat er volgens de rechtbank een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige] klem of verloren zal raken tussen de ouders als zij beiden met het gezag blijven belast. De rechtbank zal gelet op wat hiervoor is overwogen ook het verzoek van de moeder om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij haar te bepalen, afwijzen.
Zorgregeling en dwangsom
Op de zitting is gesproken over de mogelijkheid van herstel van contact tussen [minderjarige] en de moeder en de opbouw van een omgangsregeling onder regie van de gecertificeerde instelling. De vader heeft daarbij nog opgemerkt dat de situatie ongewis is, vooral omdat de moeder nog steeds lijkt te kampen met verslavingsproblematiek. Toch ziet hij in dat veilig contact met de moeder voor [minderjarige] belangrijk is. De advocaat van de moeder heeft aangegeven dat het zeer jammer is dat de moeder zo afwezig is, maar dat zij nog een kans moet krijgen om tot herstel van contact met [minderjarige] te komen. De rechtbank zal daarom bepalen dat  als er volgens de gecertificeerde instelling mogelijkheden zijn om tot omgang tussen [minderjarige] en de moeder te komen  de omgang onder regie van de gecertificeerde instelling zal plaatsvinden, waarbij de aard van het contact, de frequentie en de duur van het contact door de gecertificeerde instelling zullen worden bepaald. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze omgangsbeslissing een dwangsom te verbinden. Het verzoek daartoe van de moeder zal worden afgewezen, evenals het verzoek van de vader om de moeder het recht van omgang met [minderjarige] te ontzeggen.

Beslissing

De rechtbank:
bepaalt dat voortaan alleen aan de vader het gezag zal toekomen over de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats];
bepaalt dat  als er volgens de gecertificeerde instelling mogelijkheden zijn om tot omgang tussen [minderjarige] en de moeder te komen  de omgang tussen [minderjarige] en de moeder onder regie van de gecertificeerde instelling zal plaatsvinden, waarbij de aard van het contact, de frequentie en de duur van het contact door de gecertificeerde instelling zullen worden bepaald;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.F. Baaij, kinderrechter, bijgestaan door
mr. I.E. Moerkerk-van Kersbergen als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 20 november 2025.