ECLI:NL:RBDHA:2025:24552

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
C/09/693618 / KG ZA 25-1048
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Contact- en locatieverbod voor (voormalig) verzekeringnemer op vordering van verzekeringsmaatschappij

In deze zaak vorderden de eiseressen, bestaande uit verschillende entiteiten van Univé, een contact- en locatieverbod tegen de gedaagde, die hen herhaaldelijk lastigviel na onvrede over de afhandeling van zijn schadeclaim. De gedaagde had een autoverzekering afgesloten bij Univé Schade en had na een aanrijding zijn schade gemeld. Univé Schade weigerde de schade onder de DSA-regeling te vergoeden, wat leidde tot een reeks klachten en ongepaste communicatie van de gedaagde. Ondanks waarschuwingen van Univé c.s. bleef de gedaagde hen lastigvallen met bedreigende en ongepaste uitlatingen. De voorzieningenrechter oordeelde dat de gedaagde een onacceptabel niveau van overlast veroorzaakte, wat leidde tot de beslissing om contact- en locatieverboden op te leggen voor een periode van vijf jaar. De rechter oordeelde dat de gedaagde in het ongelijk was gesteld en dat de vorderingen van Univé c.s. gerechtvaardigd waren, gezien de ernst van de situatie en de impact op de medewerkers van Univé.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/693618 / KG ZA 25-1048
Vonnis in kort geding van 21 november 2025
in de zaak van

1.N.V. UNIVÉ SCHADE te Assen,

2.
Stichting UNIVÉ RECHTSHULPte Assen,
3.
UNIVÉ SERVICES B.V.te Assen,
4.
Coöperatie UNIVÉ HET GROENE HART U.A.te Zoetermeer,
eiseressen,
advocaat mr. W.T.C. Weterings en S.H. Velers te Arnhem,
tegen:
[gedaagde]te [woonplaats] ,
gedaagde,
in persoon verschenen.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘Univé Schade’, ‘Univé Rechtshulp’, ‘Univé Services’, ‘Univé Het Groene Hart’ en ‘ [gedaagde] ’. Eiseressen worden hierna gezamenlijk aangeduid als ‘Univé c.s.’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 30 oktober 2025 met producties;
- het verweerschrift van [gedaagde] van 5 november 2025 met daarbij de producties 1 tot en met 7;
- de op 6 november 2025 van de zijde van Univé c.s. overgelegde (vervangende) productie 10;
- de op 7 november 2025 gehouden mondelinge behandeling;
- de op 11 november 2025 van de zijde van [gedaagde] overgelegde ‘Akte ter aanvulling’ waarvan van de zijde van Univé c.s. is meegedeeld dat tegen indiening daarvan geen bezwaar bestaat.
1.2.
Het door [gedaagde] ingediende verweerschrift bevat diverse reconventionele vorderingen. Tijdens de mondelinge behandeling is aan [gedaagde] meegedeeld dat deze niet in behandeling genomen zullen worden omdat een eis in reconventie op grond van artikel 6.1 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken alleen kan worden ingesteld door een partij die bij advocaat is verschenen, terwijl [gedaagde] in deze procedure niet door een advocaat wordt vertegenwoordigd.
1.3.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
[gedaagde] heeft per 16 februari 2024 bij Univé Schade een autoverzekering (WA + beperkt casco) afgesloten voor zijn auto. Daarnaast had [gedaagde] verzekeringen afgesloten bij Univé Rechtshulp en Univé Het Groene Hart.
2.2.
Op 30 mei 2025 heeft een aanrijding plaatsgevonden tussen de auto van [gedaagde] en een andere auto, waarbij de auto van [gedaagde] beschadigd is geraakt. [gedaagde] heeft de schade gemeld bij Univé Schade. [gedaagde] houdt de bestuurder van de andere auto verantwoordelijk voor de schade aan zijn eigen auto. Hij heeft bij Univé Schade aangedrongen op behandeling van zijn schade onder de DSA (directe schadeafhandeling). Deze regeling houdt in dat Univé Schade onder bepaalde voorwaarden de schade aan de auto van een verzekerde uitkeert en die uitgekeerde schade vervolgens verhaalt op de tegenpartij. Univé Schade heeft [gedaagde] te kennen gegeven dat hij niet voor de verhaalservice onder de DSA in aanmerking komt omdat de tegenpartij van [gedaagde] geen aansprakelijkheid heeft erkend. Univé Schade heeft [gedaagde] bericht dat zijn dossier gesloten wordt. [gedaagde] is wel gewezen op zijn Rechtshulpverzekering bij Univé Rechtshulp zodat onder die polis mogelijk een verhaalsactie richting de tegenpartij geïnitieerd kon worden.
2.3.
[gedaagde] heeft bij Univé Schade een klacht ingediend over de afhandeling van zijn schadeclaim. Op 12 juni 2025 heeft Univé Schade [gedaagde] onder meer bericht dat zijn schade niet in behandeling genomen zal worden. Dit bericht heeft een groot aantal schriftelijke reacties van [gedaagde] aan Univé Schade en Univé Rechtshulp tot gevolg gehad (als productie 9 heeft Univé c.s. e-mailberichten van 13, 14, 15, 16 en 17 juni 2025 overgelegd).
2.4.
Op 16 juni 2025 heeft Univé Services [gedaagde] meegedeeld dat de toonzetting in zijn e-mails en telefoongesprekken als onprettig en onwenselijk wordt ervaren. [gedaagde] is er door de klachtenmanager van Univé Services op gewezen dat Univé c.s. verzekeringen kan stopzetten bij ongewenst gedrag naar haar organisatie of medewerkers. Bij e-mail van 16 juni 2025 heeft [gedaagde] Univé laten weten dat dat zijn laatste (interne) correspondentie zou zijn en dat alle verdere communicatie zal plaatsvinden via externe instanties of wettelijk vertegenwoordigers.
2.5.
Ook hierna heeft [gedaagde] Univé c.s. tientallen e-mails gestuurd en ook veelvuldig telefonisch contact met Univé c.s. opgenomen. Op 20 juni 2025 heeft [gedaagde] acht keer naar medewerkers van Univé c.s. gebeld, met een totale gespreksduur van drie uur. [gedaagde] heeft onder meer op bedreigende en schreeuwende toon aangegeven dat hij de directie wilde spreken.
2.6.
Bij brief van 30 juni 2025 heeft de afdeling Veiligheidszaken Univé van Univé Services [gedaagde] een laatste waarschuwing gegeven in verband met de onacceptabele wijze van communiceren. Op 7 juli 2025 heeft [gedaagde] een medewerkster van Univé Rechtshulp telefonisch een ‘stoephoer’, een ‘tyfushoer’, een ‘uitgerangeerd wijf’ en een ‘schande voor de maatschappij’ genoemd. Ook is [gedaagde] blijven e-mailen met Univé c.s. Op 14 juli 2025 is [gedaagde] wederom aangeschreven en gevraagd en gesommeerd om alle communicatie richting alle Univé onderdelen te stoppen.
2.7.
In de periode 31 mei tot 9 augustus 2025 heeft [gedaagde] Univé c.s. ten minste 182 keer gebeld.
2.8.
Op 29 juli 2025 heeft Univé Schade de verzekeringen die [gedaagde] had lopen, opgezegd omdat sprake is van een vertrouwensbreuk (artikel 3.4.7 van de algemene voorwaarden) en omdat haar medewerkers door [gedaagde] ongewenst zijn behandeld (artikel 3.4.9 van de algemene bepalingen). In deze brief zijn diverse voorbeelden aangehaald van dwingende en bedreigende uitspraken die [gedaagde] aan de telefoon heeft gedaan. Ook daarna is [gedaagde] blijven communiceren. Bij brief van 6 augustus 2025 heeft Univé Schade [gedaagde] voorgehouden dat hij in de ‘vorige week’ minimaal 25 berichten heeft gestuurd en minimaal veertien keer heeft gebeld met de schadeafdeling van Univé Schade. Ook staat vermeld dat [gedaagde] op 29 juli 2025 minimaal 20 keer heeft gebeld met een medewerker van de afdeling Veiligheidszaken Univé van Univé Services en op 31 juli 2025 40 keer.
2.9.
Op 29 augustus 2025 heeft Univé Schade [gedaagde] nogmaals gewaarschuwd om zijn communicatie met Univé c.s. te stoppen. Hem is voorgehouden dat als hij toch doorgaat met communiceren er consequenties aan zijn gedrag verbonden kunnen worden, zoals het vorderen van een contactverbod bij de civiele rechter.
2.10.
De Geschillencommissie van het Kifid heeft bij (niet-bindende) uitspraak van 1 oktober 2025 onder meer geoordeeld dat de DSA-regeling in het dossier van [gedaagde] niet van toepassing is. Ook heeft de Geschillencommissie geoordeeld dat Univé Schade de autoverzekering op grond van de voorwaarden heeft mogen stopzetten en dat de opzegging niet in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. [gedaagde] heeft te kennen gegeven dat hij de uitspraak van het Kifid niet zal accepteren. Ook in de maand oktober 2025 heeft [gedaagde] vele e-mails naar Univé c.s. verstuurd. Ook heeft hij verzekeringsaanvragen bij Univé Schade gedaan. Deze aanvragen zijn afgewezen.
2.11.
Gebleken is dat [gedaagde] op 12 oktober 2025 ook contact heeft opgenomen met VHD B.V., die voor Univé optreedt bij pech en reisproblemen en ook met Coöperatie Univé Oost U.A.
2.12.
Op 16 mei 2025, 30 juli 2025 en 17 september 2025 heeft [gedaagde] bezoeken gebracht aan locaties van Univé Het Groene Hart. Medewerkers van Univé c.s. hebben het gedrag van [gedaagde] als bedreigend ervaren. Het kantoor van Univé Het Groene Hart heeft op enig moment een externe beveiliger ingeschakeld en het hanteert sinds het laatste bezoek van [gedaagde] een gesloten deuren beleid.
2.13.
[gedaagde] heeft de directeur van Univé Schade op zijn privéadres een aanmaningsbrief gestuurd en ook op zijn mobiele privénummer voicemailberichten achtergelaten.
2.14.
De persoonsgegevens van [gedaagde] zijn door Univé c.s. voor de duur van vijf jaar geregistreerd in het Incidentenregister.

3.Het geschil

3.1.
Univé c.s. vorderen – zakelijk weergegeven – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde] te verbieden om, te rekenen vanaf de eerste dag na betekening van dit vonnis, voor vijf jaar, althans gedurende een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn, op welke manier dan ook, via welk medium dan ook, al dan niet onder eigen naam, contact op te nemen, dan wel te laten opnemen met Univé c.s. en/of één of meer van de aan haar gelieerde entiteiten en/of meer medewerkers(s) over vertegenwoordigers van Univé c.s.;
met uitzondering vanhet opnemen van contact door [gedaagde] of een door hem ingeschakelde derde met een aangewezen advocaat van Univé c.s. in verband met en aanhangig te maken, gerechtelijke procedure waarin [gedaagde] als eisende partij betrokken is, onder de voorwaarde dat dit contact uitsluitend bestaat uit beperkte correspondentie die noodzakelijk is ten behoeve van het starten en het voeren van de gerechtelijke procedure
II. primair: [gedaagde] te verbieden om, te rekenen vanaf de eerste dag na betekening van dit vonnis, voor vijf jaren, althans gedurende een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn, te begeven op de locaties van Univé c.s. dan wel de (privé)adressen van hun medewerkers of vertegenwoordigers;
met uitzondering vanhet bezoeken van een locatie door een vertegenwoordiger van [gedaagde] in verband met een aanhangig te maken, gerechtelijke procedure waarin [gedaagde] als eisende partij betrokken is;
subsidiair: [gedaagde] te verbieden om, te rekenen vanaf de eerste dag na betekening van dit vonnis, voor vijf jaren, althans gedurende een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn, zich te begeven op e locaties Univé kantoor van Het Groene Hart te ( [adres] , [postcode] ) [plaats] ;
met uitzondering vanhet bezoeken van deze locatie door een vertegenwoordiger van [gedaagde] in verband met een aanhangig te maken, gerechtelijke procedure waarin [gedaagde] als eisende partij betrokken is;
III. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 500,- voor elke overtreding c.q. niet-nakoming van de hiervoor onder I en II gevorderde verboden alsmede een dwangsom van € 500,- per overtreding c.q. niet-nakoming van de hiervoor onder I en II gevorderde verboden voor iedere dag dat die overtreding voortduurt;
IV. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van veertien dagen na de datum van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.
3.2.
Daartoe voeren Univé c.s. – samengevat – het volgende aan.
[gedaagde] heeft uit onvrede over de afwikkeling van een schadeclaim onder zijn bij Univé Schade afgesloten autoverzekering Univé c.s. structureel en op ongepaste wijze lastiggevallen en hen onophoudelijk belaagd met vele e-mails en telefoongesprekken. Deze gedragingen zijn onrechtmatig. [gedaagde] weigert met dit gedrag te stoppen en blijft Univé c.s. en haar medewerkers lastigvallen, zodat een aan [gedaagde] opgelegd contact- en locatieverbod noodzakelijk en gerechtvaardigd is.
3.3.
[gedaagde] voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

4.1.
In deze zaak staat de vraag centraal of aan [gedaagde] contact- en locatieverboden moeten worden opgelegd. Daarvoor is, gelet op het in de persoonlijke vrijheid van [gedaagde] ingrijpende karakter ervan, slechts plaats wanneer de veiligstelling van de persoonlijke vrijheid van medewerkers van Univé c.s. tegen inbreuken daarop door [gedaagde] op geen andere wijze te bereiken is.
4.2.
[gedaagde] voert in de kern als verweer dat de vermeende overlast die medewerkers van Univé c.s. ervaren het gevolg is van eigen onrechtmatig handelen omdat Univé Schade ten onrechte de behandeling van het schadedossier van [gedaagde] heeft gesloten. Het contact van [gedaagde] is noodzakelijk om Univé Schade alsnog te bewegen tot afwikkeling van zijn schademelding onder de DSA, zodat daarmee het onrechtmatig handelen van Univé c.s. weg wordt genomen, aldus [gedaagde] .
4.3.
De voorzieningenrechter volgt [gedaagde] niet in zijn verweer. Univé c.s. hebben inzichtelijk gemaakt dat [gedaagde] in ongeveer een half jaar tijd excessieve aantallen (e-mail)berichten aan Univé c.s. heeft gestuurd en ook excessieve aantallen telefoontjes met haar heeft gepleegd. Daarbij heeft [gedaagde] zich herhaaldelijk grievend en bedreigend uitgelaten richting medewerkers van Univé c.s. vanwege zijn ongenoegen over de wijze waarop zijn schadedossier is behandeld. Ook heeft [gedaagde] gebeld naar het privénummer van een aan Univé Schade verbonden directeur en hem een brief op zijn privéadres gestuurd.
4.4.
De handelwijze van [gedaagde] legt niet alleen een groot beslag op de organisatie van Univé c.s., maar brengt ook een onveilig gevoel mee bij diverse medewerkers van Univé c.s. Dit heeft er zelfs toe geleid dat voor een kantoor van Univé Het Groene Hart een externe beveiliger is ingeschakeld. [gedaagde] heeft zich van eerdere waarschuwingen van Univé Schade over zijn communicatiestroom en communicatietoon niets aangetrokken. Zelfs na het doorlopen van formele wegen, zoals de interne klachtprocedure en een procedure bij het Kifid, waar [gedaagde] op inhoudelijke gronden in het ongelijk is gesteld, heeft [gedaagde] niet ingebonden.
4.5.
De frequentie en toon waarop [gedaagde] Univé c.s. benadert is in strijd met de eisen die de maatschappelijke zorgvuldigheid in dat kader stelt en noodzaakt tot ingrijpen in kort geding. Dat [gedaagde] aan het slot van de zitting te kennen heeft gegeven dat Univé c.s. niet meer hoeft te verwachten dat hij contact zal opnemen omdat hij “er klaar mee is”, maakt dat niet anders. [gedaagde] heeft al eerder te kennen gegeven dat hij zijn communicatie zal stoppen, maar daar heeft hij zich vervolgens niet aan gehouden. Aan [gedaagde] zullen dan ook zoals gevorderd contact- en locatieverboden worden opgelegd, waarbij wordt voorzien in de mogelijkheid van contact in verband met een aanhangig te maken procedure, op de wijze zoals eveneens is gevorderd.
4.6.
Nu de verzekeringen van [gedaagde] bij Univé c.s. zijn beëindigd, en hij een interne registratie bij Univé c.s. heeft voor de duur van vijf jaar, is er voor hem, behoudens genoemde uitzondering voor contact in verband met een aanhangig te maken procedure, geen reden om contact met Univé c.s. (en haar entiteiten) op te nemen, via welk medium dan ook en evenmin om locaties van Univé c.s. of privéadressen van medewerkers van Univé c.s. te betreden. De op te leggen verboden zullen gelden voor vijf jaar, in lijn met de duur van de interne registratie van [gedaagde] bij Univé c.s.
4.7.
Oplegging van dwangsommen, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing, is aangewezen. De op te leggen dwangsommen zullen worden gemaximeerd.
4.8.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Univé c.s. worden begroot op:
- dagvaarding € 120,21
- griffierecht € 714,00
- salaris advocaat € 1.107,00
- nakosten
€ 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) +
Totaal € 2.119,21
4.9.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
verbiedt [gedaagde] om, vanaf de eerste dag na betekening van dit vonnis, voor vijf jaar, op welke manier dan ook, via welk medium dan ook, al dan niet onder eigen naam, contact op te nemen, dan wel te laten nemen met Univé c.s. en/of één of meer van de aan Univé c.s. gelieerde entiteiten en/of één of meer van de aan Univé c.s. gelieerde entiteiten en/of één of meer medewerker(s) of vertegenwoordigers van Univé c.s.,
met uitzondering vanhet opnemen van contact door [gedaagde] of een door hem ingeschakelde derde met een aangewezen advocaat van Univé c.s. in verband met een aanhangig te maken gerechtelijke procedure waarin [gedaagde] als eisende partij betrokken is, onder de voorwaarde dat dit contact uitsluitend bestaat uit beperkte correspondentie die noodzakelijk is ten behoeve van het starten en het voeren van de gerechtelijke procedure;
5.2.
verbiedt [gedaagde] om, vanaf de eerste dag na betekening van dit vonnis, zich voor vijf jaar te begeven op de locaties van Univé c.s. dan wel de (privé)adressen van hun medewerkers of vertegenwoordigers,
met uitzondering vanhet bezoeken van een locatie door een vertegenwoordiger van [gedaagde] in verband met een aanhangig te maken gerechtelijke procedure waarin [gedaagde] als eisende partij betrokken is;
5.3.
bepaalt dat [gedaagde] een dwangsom is verschuldigd van telkens € 500,- voor elke overtreding c.q. niet-nakoming van de onder 5.1. en 5.2. geformuleerde verboden, telkens met een maximum van € 25.000,-;
5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.119,21, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.5.
veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.L.M. Luiten en in het openbaar uitgesproken op 21 november 2025.
ddg