ECLI:NL:RBDHA:2025:24538

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
SGR 24/4391
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Openbaarmaking van documenten met betrekking tot maatregelen aan verzamelcentra en slachthuizen door NVWA - Wob-verzoek

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van Stichting Animal Rights tegen het besluit van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur om documenten openbaar te maken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Eiseres had in 2019 een Wob-verzoek ingediend om documenten met betrekking tot maatregelen die in 2018 aan verzamelcentra en slachthuizen door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) zijn opgelegd. Het verzoek werd gedeeltelijk afgewezen, wat leidde tot meerdere beroepsprocedures. De rechtbank oordeelt dat de minister ten onrechte de openbaarmaking van oornummers en bepaalde video-opnamen heeft geweigerd. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op om binnen drie maanden een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Eiseres krijgt een vergoeding voor de proceskosten en het griffierecht. De rechtbank verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk, omdat inmiddels een besluit is genomen op het bezwaar van eiseres.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/4391

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2025 in de zaak tussen

Stichting Animal Rights, uit Den Haag, eiseres

(gemachtigde: mr. M. van Duijn),
en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, verweerder

(gemachtigde: mr. P.E. van der Werf).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het besluit van verweerder op het verzoek van eiseres om documenten openbaar te maken (het primaire besluit) op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob).
1.1.
Verweerder heeft dit verzoek met het besluit van 10 december 2021 gedeeltelijk afgewezen. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Op 21 april 2022 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld omdat hij nog niet beslist had op haar bezwaar. Op 12 mei 2022 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder. Dit beroep is op 11 juli 2022 gegrond verklaard. [1] Op 8 maart 2023 heeft eiseres opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder. Dit beroep is op 17 mei 2023 gegrond verklaard. [2] Op 23 mei 2024 heeft eiseres voor de derde keer beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder.
1.2.
Op 18 juli 2024 heeft verweerder, met toepassing van de Wet open overheid (hierna: de Woo) die per 1 mei 2022 in werking is getreden, het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit gedeeltelijk gegrond verklaard (het bestreden besluit). Eiseres is het niet eens met (onderdelen van) dit besluit, waardoor het beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit mede betrekking heeft op het alsnog genomen besluit. [3]
1.3.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
Verweerder heeft stukken aan de rechtbank gezonden met een verzoek om beperkte kennisneming. [4] De rechtbank heeft van rechtswege toestemming om deze stukken in te zien. [5]
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 23 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres heeft op 9 september 2019 een Wob-verzoek gedaan. Eiseres heeft verzocht om alle documenten (zoals inspectierapporten, processen-verbaal, waarschuwingen en boeterapporten) met betrekking maatregelen die in 2018 aan verzamelcentra en slachthuizen namens de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: de NVWA) zijn opgelegd.
2.1.
Verweerder heeft een groot aantal documenten verstrekt, maar ook geweigerd om verschillende (delen van) documenten openbaar te maken op grond van verschillende weigeringsgronden zoals genoemd in artikel 5.1 van de Woo. Verweerder heeft de openbaarmaking van oornummers, KIP-nummers en persoonlijke nummers inzake vakbekwaamheid geweigerd openbaar te maken met een beroep op een relatieve weigeringsgrond: de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. [6] Verder heeft verweerder bepaalde video-opnamen geweigerd openbaar te maken met een beroep op een absolute weigeringsgrond: de persoonsgegevens in de beelden bevatten biometrische gegevens in de zin van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG). [7] Verweerder beschikt bovendien niet over software waarmee videobeelden gedeeltelijk bewerkt kunnen worden, zoals het
blurrenvan gezichten van personen.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres vindt dat verweerder de oornummers ten onrechte aan de openbaarheid heeft onttrokken. Primair voert zij hiertoe aan dat de persoonlijke levenssfeer van de dierenhouders niet wordt geraakt door openbaarmaking van de oornummers: aan de hand van de oornummers kunnen geen persoonsgegevens achterhaald worden, maar kan alleen een globale locatie van een bedrijf worden gevonden. Subsidiair stelt eiseres zich op het standpunt dat verweerder niet heeft aangetoond dat de bescherming van de persoonlijke levenssfeer noopt tot het niet openbaar maken van de oornummers. Verweerder toont in haar eigen promotiefilmpjes ook oornummers en verweerder heeft andere herleidbare gegevens, zoals relatienummers, BRS-nummers, UBN-nummers en EG-erkenningsnummers, inmiddels wel openbaar gemaakt.
3.1.
Verder vindt eiseres dat verweerder bepaalde video-opnamen ten onrechte aan de openbaarheid heeft onttrokken. Eiseres vindt het ongeloofwaardig dat verweerder niet over software beschikt om gezichten te
blurren. Het beschikken over deze software hoort bij de publieke taak die verweerder in het kader van de Woo heeft om maximale openbaarheid te betrachten.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Oornummers
4. In het verweerschrift heeft verweerder aangegeven het eens te zijn met eiseres dat het openbaar maken van oornummers niet, althans niet eenvoudig, kan leiden tot het achterhalen van persoonsgegevens. Daarom handhaaft verweerder niet langer haar standpunt dat met het openbaar maken van de oornummers het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in het geding kan komen. Verweerder heeft toegezegd het bestreden besluit op dit punt te herzien en de oormerken alsnog openbaar te maken. Gelet hierop is het beroep gegrond en zal de rechtbank het bestreden besluit, voor zover het ziet op het weigeren van openbaarmaking van de oornummers, vernietigen.
Video-opnamen
5. Met betrekking tot de video-opnamen heeft verweerder ter zitting aangegeven dat de video-opnamen die geweigerd zijn vanwege de oornummers die daarop te zien zijn, alsnog openbaar zullen worden gemaakt nu de weigering van openbaarmaking van oornummers ook wordt herzien.
5.1.
Verweerder handhaaft met betrekking tot de nog niet openbaar gemaakte video-opnamen haar standpunt dat zij de op de video-opnamen zichtbare gezichten en hoorbare stemmen van personen niet openbaar kan maken, omdat sprake is van biometrische gegevens als bedoeld in de AVG. Verweerder heeft op zitting echter aangegeven eiseres te volgen in haar standpunt dat hij een inspanningsverplichting heeft om de biometrische gegevens op de video-opnamen onzichtbaar dan wel onhoorbaar te maken. Het standpunt dat geen software beschikbaar zou zijn om de beelden te
blurren,is volgens verweerder niet houdbaar in het licht van de inspanningsplicht die hij heeft. Verweerder heeft ter zitting dan ook toegezegd ook op dit punt het bestreden besluit te zullen herzien. Ook hierom is het beroep gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom ook vernietigen voor zover het ziet op het weigeren van de openbaarmaking van de overige video-opnamen. De rechtbank zal verweerder opdragen om een nieuw besluit te nemen. Verweerder en eiseres hebben op de zitting beiden aangegeven een termijn van drie maanden voor het nemen van een nieuw besluit redelijk te vinden.
Beroep niet tijdig beslissen
6. In de uitspraak van 17 mei 2023 op het tweede beroep niet tijdig beslissen van eiseres, heeft de rechtbank verweerder opgedragen om binnen twee weken na de dag van verzending van die uitspraak alsnog een besluit te nemen op het bezwaar van eiseres. Niet in geschil is dat verweerder ten tijde van het instellen van het huidige beroep niet aan de opdracht van de rechtbank heeft voldaan. Inmiddels is wel een besluit genomen op het bezwaar van eiseres. Nu verweerder op het bezwaar heeft beslist, is het belang van eiseres bij een beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen te komen vervallen. Het beroep voor zover het gericht is tegen het niet tijdig beslissen, is daarom niet-ontvankelijk.
6.1.
Nu tussen partijen niet in geschil is dat de door de rechtbank opgelegde beslistermijn is overschreden, en pas na deze overschrijding een besluit op bezwaar is genomen, ziet de rechtbank wel aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres voor het beroep niet tijdig beslissen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep voor zover gericht tegen het niet-tijdig beslissen is niet-ontvankelijk. Eiseres krijgt hiervoor wel een vergoeding van haar proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 453,50. [8]
7.1.
Het beroep voor zover gericht tegen het alsnog genomen besluit is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin geweigerd is om de oornummers en de video-opnamen openbaar te maken.
7.2.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb dat verweerder binnen drie maanden na deze uitspraak een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.
7.3.
Omdat het beroep gegrond is, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt. Ook veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze vergoeding stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.814,-. [9]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit, gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin geweigerd is om de oornummers en de video-opnamen openbaar te maken;
  • draagt verweerder op binnen 3 maanden na deze uitspraak een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 371,- aan eiseres te vergoeden;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.267,50 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. C. Hofman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Bakker, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak van deze rechtbank van 11 juli 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:6630.
2.Uitspraak van deze rechtbank van 17 mei 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:6559.
3.Artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.Op grond van artikel 8:29, eerste lid, van de Awb.
5.Artikel 8:29, zesde lid, van de Awb.
6.Artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo.
7.Artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woo.
8.Namelijk: 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor ½.
9.Namelijk: 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 907,- per punt en een wegingsfactor 1.