Uitspraak
Rechtbank den haag
1.De procedure
2.De feiten
a) faillissement of surseance van betaling van één van partijen of aanvrage daartoe;
Rechtbank Den Haag
In deze zaak vordert de man, eiser, dat de vrouw, gedaagde, de woning verlaat die hij in eigendom heeft. De partijen zijn in 2005 gehuwd en hebben een dochter, die minderjarig is. In 2023 is de echtscheiding uitgesproken door de rechtbank Overijssel, waarbij een convenant en ouderschapsplan zijn vastgesteld. In het convenant is afgesproken dat de vrouw met de dochter in de woning kan blijven wonen, maar dat de man de woning uiterlijk op 1 januari 2024 moet verlaten. De man heeft de woning op die datum verlaten, maar de vrouw weigert te vertrekken, ondanks dat de man op 26 mei 2025 een geregistreerd partnerschap is aangegaan, wat volgens de man betekent dat de vrouw de woning per die datum moet verlaten. De vrouw voert verweer en stelt dat er andere afspraken zijn gemaakt. De voorzieningenrechter oordeelt dat de vrouw de woning uiterlijk op 1 juli 2026 moet verlaten, rekening houdend met het belang van de minderjarige dochter. De vordering van de man wordt toegewezen, met een dwangsom voor het geval de vrouw niet tijdig vertrekt.