ECLI:NL:RBDHA:2025:24534

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
C/09/694571 / KG ZA 25-1126
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot ontruiming van de woning na echtscheiding en convenant

In deze zaak vordert de man, eiser, dat de vrouw, gedaagde, de woning verlaat die hij in eigendom heeft. De partijen zijn in 2005 gehuwd en hebben een dochter, die minderjarig is. In 2023 is de echtscheiding uitgesproken door de rechtbank Overijssel, waarbij een convenant en ouderschapsplan zijn vastgesteld. In het convenant is afgesproken dat de vrouw met de dochter in de woning kan blijven wonen, maar dat de man de woning uiterlijk op 1 januari 2024 moet verlaten. De man heeft de woning op die datum verlaten, maar de vrouw weigert te vertrekken, ondanks dat de man op 26 mei 2025 een geregistreerd partnerschap is aangegaan, wat volgens de man betekent dat de vrouw de woning per die datum moet verlaten. De vrouw voert verweer en stelt dat er andere afspraken zijn gemaakt. De voorzieningenrechter oordeelt dat de vrouw de woning uiterlijk op 1 juli 2026 moet verlaten, rekening houdend met het belang van de minderjarige dochter. De vordering van de man wordt toegewezen, met een dwangsom voor het geval de vrouw niet tijdig vertrekt.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/694571 / KG ZA 25-1126
Vonnis in kort geding van 19 december 2025
in de zaak van
[de man]te [woonplaats 1],
eiser,
advocaat mr. N.P.J.M. Kreté-Marres,
tegen:
[de vrouw]te [woonplaats 2],
gedaagde,
advocaat mr. M.Z.D. Nasrullah te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de man’ en ‘de vrouw’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 17 november 2025 met producties 1 tot en met 5;
- de op 5 december 2025 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door gedaagde pleitnotities zijn overgelegd.
1.2.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
Partijen zijn op [datum 1] 2005 onder huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. Gedurende het huwelijk zijn partijen ouders geworden van dochter [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2012. [minderjarige] is thans minderjarig.
2.2.
Op [datum 2] 2023 heeft de rechtbank Overijssel de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is bepaald dat het daaraan aangehechte convenant en ouderschapsplan onderdeel uitmaken van die beschikking. Op 2 januari 2024 is de echtscheiding ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.3.
In het door partijen gesloten convenant staat onder meer:
Artikel 3. EIGEN WONING
3.1
De woning aan het [adres] te [plaats 1] is eigendom van de man.
3.2
Partijen achten het wenselijk dat de vrouw met het kind in de woning kan blijven wonen.
3.3.
De man zal de woning uiterlijk per 01-01-2024 verlaten. Op grond van de echtscheidingsregeling” blijft de woning voor de man nog 2 jaar nadat hij de woning heeft verlaten als Eigen Woning kwalificeren. Daarna verschuift de woning naar Box III. De man verleent gedurende de in artikel 3.3 genoemde periode aan de vrouw het exclusieve recht van bewoning van de aan hem voor 100% in eigendom toebehorende woning. Dit recht eindigt slechts eerder op het moment dat:
a.
a) faillissement of surseance van betaling van één van partijen of aanvrage daartoe;
b) onder curatelenstelling van één der partijen en ingeval van onder bewindstelling van het vermogen van één der partijen;
c) hertrouwen of sluiten van een geregistreerd partnerschap;”
2.4.
De man heeft op 1 januari 2024 de woning verlaten en woont momenteel in een
huurwoning in [plaats 2]. De vrouw is met dochter [minderjarige] in de woning blijven wonen. Op 26
mei 2025 is de man een geregistreerd partnerschap aangegaan. Op 31 juli 2025 heeft tussen
partijen een kort geding plaatsgevonden over de zorg- en contactregeling met dochter [minderjarige].
Partijen hebben tijdens die zitting afspraken gemaakt die zijn opgenomen in een proces-verbaal.

3.Het geschil

3.1.
De man vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
de vrouw te veroordelen om binnen zeven dagen na dit vonnis, dan wel uiterlijk 31 december 2025, dan wel met ingang van een door de voorzieningenrechter te bepalen termijn, de woning van de man aan het [adres] te ([postcode]) [plaats 1] definitief te verlaten en zich uit te schrijven bij de Basisregistratie Personen (BRP) van het adres van voornoemde woning van de man, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag dat de vrouw de betreffende woning niet definitief heeft verlaten en zich niet heeft uitgeschreven op de door de voorzieningenrechter bepaalde dag;
de vrouw te veroordelen om uiterlijk op de dag dat zij de woning van de man verlaat alle roerende goederen die de man op 1 januari 2024 in de woning heeft achtergelaten en in het bijzonder de vissen van de man in de vijver in de tuin van zijn woning, in goede staat aan de man te overhandigen, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag dat de vrouw de roerende goederen van de man die zich op 1 januari 2024 in de woning bevonden inclusief de vissen in de vijver niet compleet en in goede staat heeft overhandigd;
de vrouw te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
Daartoe voert de man – samengevat – het volgende aan. In het convenant hebben partijen afspraken gemaakt over het exclusieve gebruiksrecht van de woning voor de vrouw. Dat gebruiksrecht zou op basis van de afspraken volgens de man maximaal een duur van twee jaar hebben. Het gebruiksrecht eindigt eerder indien sprake is van één van de in het convenant genoemde situaties. Op 26 mei 2025 is de man een geregistreerd partnerschap aangegaan. Op grond van de afspraken in het convenant is de vrouw daarom gehouden de woning per die datum te verlaten, aldus de man. De vrouw moet de woning volgens de man in ieder geval uiterlijk op 1 januari 2026 verlaten hebben. De man heeft de vrouw meerdere keren gewezen op de naderende einddatum, maar de vrouw weigert de woning te verlaten. De man vordert nakoming van de gemaakte afspraken.
3.3.
De vrouw voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

4.1.
De man vordert nakoming van de in het convenant neergelegde afspraken en vordert in het verlengde daarvan dat de vrouw wordt veroordeeld om de woning te verlaten. De vrouw stelt zich op het standpunt dat er geen duur van slechts twee jaar is afgesproken, maar dat zij en de man andere afspraken hebben gemaakt. Zo zouden zij hebben afgesproken dat de vrouw samen met dochter [minderjarige] in de woning zou mogen blijven wonen totdat [minderjarige] de leeftijd van achttien jaar zou bereiken. Dit is door de man weersproken. Volgens de man heeft de in het convenant opgenomen termijn van twee jaar te gelden en is die termijn destijds afgestemd met het moment dat dochter [minderjarige] op de middelbare school zou starten. De vrouw voert verder aan dat de bepaling omtrent het (eerder) eindigen van het gebruiksrecht door het aangaan van een geregistreerd partnerschap niet bedoeld is voor het geval dat de man een geregistreerd partnerschap zou aangaan, maar uitsluitend voor het geval de vrouw een geregistreerd partnerschap zou aangaan (of zou hertrouwen).
4.2.
De voorzieningenrechter merkt op dat partijen afspraken hebben gemaakt in een convenant en dat zij dat convenant in hun echtscheidingszaak hebben voorgelegd aan de rechter met het verzoek om te bepalen dat de inhoud van het convenant deel uitmaakt van de door de rechter te wijzen beschikking. De rechter heeft dat verzoek toegewezen. Partijen hebben daarmee zodoende duidelijke, bindende afspraken gemaakt over – onder andere – de woning en de voorzieningenrechter stelt voorop dat partijen bij een overeenkomst over en weer gehouden zijn die overeenkomst na te komen.
4.3.
De voorzieningenrechter leest dat partijen in artikel 3.3 van het convenant een maximale termijn van twee jaar voor het exclusieve gebruiksrecht van de woning voor de vrouw overeen zijn gekomen. Hetgeen de vrouw daaromtrent ter zitting naar voren heeft gebracht, namelijk dat partijen mondeling een andere duur zouden hebben afgesproken, blijkt uit geen document en is ook overigens niet door feiten of omstandigheden geschraagd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn partijen voor het exclusieve gebruiksrecht van de woning voor de vrouw een duur van maximaal twee jaar overeengekomen, startend vanaf 1 januari 2024. Dat betekent dat de vrouw de woning volgens het bindende convenant uiterlijk op 1 januari 2026 verlaten moet hebben.
4.4.
Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter nog, immers is de einddatum 1 januari 2026 al zeer nabij, dat – anders dan de man aanvankelijk stelde – op basis van het convenant niet met succes kan worden betoogd dat het exclusieve gebruiksrecht eigenlijk per 26 mei 2025 al eindigde vanwege het door de man aangegane geregistreerd partnerschap. Voor de hand ligt dat het partijen in het convenant hebben gedoeld op een geregistreerd partnerschap (of huwelijk) van de vrouw, als gerechtigde tot het gebruik van de woning. Het ligt niet bepaald voor de hand dat het convenant de man het recht zou geven het gebruik van de woning door de vrouw te doen eindigen door op een hem conveniërend moment met een nieuwe geliefde in het huwelijk te treden of een partnerschap aan te gaan. De tekst van het convenant biedt daarvoor geen enkel aanknopingspunt.
4.5.
Gelet op het voorgaande is de vrouw in beginsel gehouden om ervoor te zorgen dat zij de woning uiterlijk 1 januari 2026 verlaten heeft. De voorzieningenrechter zal bepalen dat de vrouw de woning moet ontruimen, maar zal daarvoor een ruimere termijn hanteren. Daarvoor is het volgende redengevend.
4.6.
[minderjarige], de minderjarige dochter van partijen, woont samen met de vrouw in de woning van de man. Partijen zijn in de ouderschapsregeling overeengekomen dat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vrouw is en dat [minderjarige] voor het grootste gedeelte van de tijd bij de vrouw woont. Ontruiming van de woning door de vrouw heeft dan ook in beginsel tot gevolg dat ook dochter [minderjarige] de woning moet verlaten. Dat is een factor waar de voorzieningenrechter rekening mee moet houden [1] . Dakloosheid van een kind wordt immers maatschappelijk niet aanvaardbaar geacht. In dit geval is dat niet zozeer aan de orde, omdat de man ter zitting heeft aangeboden dat [minderjarige] in de woning mag blijven wonen. Dat betekent dat ontruiming van de woning door de vrouw niet automatisch tot gevolg heeft dat [minderjarige] dakloos hoeft te worden. Maar de voorzieningenrechter ziet er wel aanleiding in om de ontruimingstermijn daarop aan te passen.
4.7.
De voorzieningenrechter acht het, gelet op het hiervoor overwogene en de ouderschapsregeling die partijen hebben getroffen, in het belang van [minderjarige] dat de vrouw een extra termijn wordt gegund voor het vinden van andere woonruimte. Ter zitting werd duidelijk dat de vrouw, ondanks dat zij wel actief op zoek was naar een andere woning, nog geen andere woning heeft gevonden. De voorzieningenrechter zal daarom bepalen dat de vrouw de woning van de man uiterlijk op 1 juli 2026 verlaten moet hebben. Die einddatum valt ongeveer samen met het einde van het schooljaar van dochter [minderjarige]. Met die einddatum beoogt de voorzieningenrechter voor [minderjarige] enige rust te creëren in die zin dat zij zeker weet dat haar moeder in ieder geval voor die periode en ongeveer tot het einde van het schooljaar in de woning kan blijven.
4.8.
Een (extra) periode van minimaal één jaar – zoals de vrouw voor ogen stond – acht de voorzieningenrechter, mede gelet op de belangen van de man, te lang en niet redelijk. Immers zijn partijen duidelijk een termijn van twee jaar overeengekomen waarin de man – althans zo begrijpt de voorzieningenrechter – de kosten voor de woning heeft gedragen. Bovendien wist de vrouw dat zij na die termijn de woning zou moeten verlaten en zij heeft ruim de tijd gehad andere woonruimte te zoeken. Die termijn wordt met dit vonnis nu met ruim een half jaar verlengd. Bedacht moet worden dat de kosten voor de man voor het aanhouden van de woning (terwijl zijn andere woonlasten ook doorlopen) na 1 januari 2026 aanzienlijk zullen stijgen omdat de woning vanaf dat moment in Box III valt en de man meer belasting verschuldigd zal zijn.
4.9.
De conclusie is dat de vordering van de man wordt toegewezen, met dien verstande dat de vrouw de woning uiterlijk op 1 juli 2026 verlaten moet hebben en ervoor zorg moet dragen dat zij per die datum niet meer op het betreffende adres is ingeschreven. Oplegging van een dwangsom, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing, is aangewezen. De op te leggen dwangsom zal worden gemaximeerd. De voorzieningenrechter laat in het midden of de vrouw over deze verlengde verblijfsperiode aan de man een vergoeding voor het gebruik van de woning verschuldigd is. Een veroordeling tot betaling is niet gevorderd; de voorzieningenrechter ziet geen ruimte aan het verlengde verblijf de betaling van een vergoeding door de vrouw als voorwaarde aan het recht op verblijft tot 1 juli 2026 te verbinden, mede omdat hierover geen debat is gevoerd.
4.10.
Naast de vordering tot ontruiming vordert de man dat de vrouw wordt veroordeeld om op straffe van een dwangsom alle roerende goederen die de man op 1 januari 2024 in de woning heeft achtergelaten, en in het bijzonder de vissen in de vijver in de tuin, in goede staat aan de man te overhandigen. Hoewel de vrouw geen concreet verweer tegen deze vordering van de man heeft gevoerd en de voorzieningenrechter van oordeel is dat de vrouw inderdaad de roerende zaken en meer specifiek de vissen van de man netjes aan hem moet overdragen, ziet de voorzieningenrechter onvoldoende grond om deze vordering toe te wijzen. Immers heeft de man onvoldoende duidelijk gemaakt om welke goederen (en in welke staat) het precies gaat. Hoewel de vissen specifiek zijn benoemd, ontbreekt bijvoorbeeld het aantal vissen waarop de vordering ziet. Hierdoor is te onduidelijk wanneer de vrouw wel of niet aan de gevorderde veroordeling heeft voldaan. De voorzieningenrechter wijst deze vordering van de man daarom af.
4.11.
In de omstandigheid dat partijen gewezen echtelieden zijn, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
veroordeelt de vrouw om uiterlijk 1 juli 2026 de woning van de man aan het [adres] te ([postcode]) [plaats 1] te verlaten en zich per die datum uit te schrijven bij de BRP, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag dat de vrouw vanaf 1 juli 2026 de woning niet definitief heeft verlaten en zich niet heeft uitgeschreven, met een maximum van € 50.000,00;
5.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025.
lp

Voetnoten

1.Zie Hoge Raad 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1799.