ECLI:NL:RBDHA:2025:24516

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
NL25.58372
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:54 AwbArt. 30a Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens te late indiening beroepsgronden in asielzaak

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie waarin zijn asielaanvraag niet-ontvankelijk werd verklaard en hij werd verplicht onmiddellijk naar Bulgarije te gaan.

Het beroepschrift werd tijdig ingediend, maar bevatte geen gronden. De rechtbank gaf een hersteltermijn van vijf werkdagen om alsnog gronden in te dienen, maar binnen die termijn werden geen gronden ontvangen. Pas na afloop van de termijn diende de gemachtigde alsnog de gronden in.

De rechtbank oordeelde dat de te late indiening van de beroepsgronden niet verschoonbaar was en verklaarde het beroep daarom niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid van verzet binnen zes weken.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het te laat indienen van de beroepsgronden zonder verschoonbare omstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.58372

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. F.A. van den Berg),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 november 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard [1] en bepaald dat eiser onmiddellijk naar Bulgarije moet gaan.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb bevat het beroepschrift ten minste de gronden van het beroep. Dat zijn de punten waarop degene die beroep instelt het niet eens is met het bestreden besluit.
2. Als er geen gronden worden ingediend, kan de rechtbank op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb het beroep niet-ontvankelijk verklaren. Dat houdt in dat het beroep niet inhoudelijk wordt behandeld. De rechtbank moet dan wel eerst een mogelijkheid tot herstel bieden.
3. Gemachtigde heeft namens eiser op 27 november 2025 tijdig beroep ingesteld tegen het besluit van 21 november 2025. Het beroepschrift bevatte echter geen gronden. Daarom heeft de rechtbank op 28 november 2025 via een bericht in het digitale dossier aan gemachtigde verzocht om binnen vijf werkdagen na de dag van verzending van dat bericht alsnog de gronden van het beroep in te dienen. Daarbij is meegedeeld dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien de gronden niet binnen die termijn worden ingediend. Binnen de gestelde hersteltermijn, die afliep op 5 december 2025, zijn geen gronden ontvangen.
4. Op 11 december 2025 heeft de gemachtigde van eiser alsnog de gronden van beroep ingediend. De rechtbank gaat alleen over tot niet-ontvankelijkheidverklaring van het beroep indien de te late indiening van de beroepsgronden niet verschoonbaar is. Van dergelijke omstandigheden is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank is daarom van oordeel dat de beroepsgronden te laat zijn ingediend en dat niet is gebleken dat deze termijnoverschrijding verschoonbaar is.
5. Gelet hierop is het beroep kennelijk niet-ontvankelijk.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 17 december 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).