AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van artikel 59a Vreemdelingenwet 2000
De minister van Asiel en Migratie legde op 4 december 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel is gebaseerd op zware gronden waaronder het niet op voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland en het onttrekken aan toezicht, alsmede lichte gronden zoals het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats.
Eiser voerde aan dat zijn identiteit wel vastgesteld kan worden en dat het vertrek met onbekende bestemming in 2022 niet meer tegen hem kan worden gebruikt. Tevens betwistte hij het ontbreken van een vaste verblijfplaats. De rechtbank oordeelde dat de zware gronden 3a en 3b feitelijk juist zijn en voldoende grond bieden voor de maatregel, waardoor de overige gronden niet hoeven te worden besproken.
Daarnaast stelde eiser dat een lichter middel, zoals een meldplicht, had kunnen worden toegepast. De rechtbank verwierp dit omdat uit de gronden een significant risico op onttrekking aan toezicht blijkt, mede gezien het eerdere vertrek met onbekende bestemming.
Eiser bracht ook aan dat de minister zijn asielaanvraag op grond van artikel 17 vanPro de Dublinverordening had moeten behandelen en dat hij risico loopt bij overdracht aan Duitsland. De rechtbank stelde dat deze gronden bij het beroep tegen het overdrachtsbesluit aan de orde kunnen komen, niet bij de bewaringsrechter.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel rechtmatig is en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.59846
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. D. Gürses),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).
Procesverloop
Bij besluit van 4 december 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 16 december 2025 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
1. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
1.1.
Eiser betoogt dat hij bij zijn eerdere asielaanvraag, in 2022, een rijbewijs heeft overgelegd, daarom kunnen zijn identiteit en nationaliteit wel worden vastgesteld. Zware grond 3d is, volgens eiser, dan ook feitelijk onjuist. Daarnaast is eiser in mei 2022 met onbekende bestemming vertrokken, maar dit kan gelet op het tijdsverloop niet meer worden tegengeworpen. Daardoor kan zware grond 3b niet ten grondslag liggen aan de maatregel. Verder betoogt eiser dat hij kan verblijven bij kennissen. Daarmee betwist eiser lichte grond 4c.
1.2.
De beroepsgrond slaagt niet. Zware grond 3a is namelijk feitelijk juist en eiser heeft deze feitelijke juistheid niet betwist. Ook zware grond 3b is feitelijk juist. Vast staat namelijk dat eiser in 2022, nadat Italië akkoord was gegaan met de overdracht van eiser, met onbekende bestemming is vertrokken. Ook dit wordt niet door eiser betwist. Dat dit al drie jaar geleden is, doet niet af aan de feitelijke juistheid van zware grond 3b. Dat wat eiser heeft aangevoerd in het kader van zware grond 3d en lichte grond 4c behoeft geen bespreking, omdat zware gronden grond 3a en 3b voldoende zijn om de maatregel te kunnen dragen. [1]
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
2. Eiser betoogt dat de minister een lichter middel had kunnen opleggen, zoals een meldplicht. Eiser kan namelijk bij kennissen verblijven. Daarnaast wil hij ook graag meewerken aan een meldplicht en eiser is een asielzoeker waardoor terughoudend gebruik gemaakt moet worden met het opleggen van een maatregel van bewaring.
2.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat uit de gronden van de maatregel van bewaring een risico op onttrekking aan het toezicht volgt en in dit geval geen lichter middel kon worden toegepast. Daarnaast heeft de minister terecht gewezen op het eerdere vertrek met onbekende bestemming van eiser, waardoor er geen reden is voor het opleggen van een lichter middel.
Overig
3. Eiser heeft verder naar voren gebracht dat de minister zijn asielaanvraag op grond van artikel 17 vanPro de Dublinverordening aan zich had moeten trekken en dat hij bij overdracht aan Duitsland risico loopt om teruggestuurd te worden naar Libië, waar hij gevaar loopt. Deze gronden kan eiser naar voren brengen bij het beroep tegen het overdrachtsbesluit. De bewaringsrechter kan hier geen oordeel over geven.
Leidt ambtshalve toets tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de
minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de
rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [2]
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.