ECLI:NL:RBDHA:2025:24509

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
692831
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot uitbetaling van waarborgsom in kort geding met betrekking tot koopovereenkomst

In deze zaak vorderen eisers, bestaande uit twee personen, dat gedaagde 1 wordt veroordeeld om een schriftelijke verklaring af te leggen die toestemming geeft voor de uitbetaling van een waarborgsom van € 159.000 aan hen. Deze waarborgsom is door gedaagde 1 gestort op de derdengeldenrekening van gedaagde 2 in het kader van een koopovereenkomst voor een woning. Eisers hebben de koopovereenkomst ontbonden en vorderen nu de uitbetaling van de waarborgsom, omdat de kopers de woning niet hebben afgenomen. Gedaagde 1 betwist de uitbetaling en beroept zich op een onzekerheidsexceptie, terwijl gedaagde 2 zich ook op deze exceptie beroept. De voorzieningenrechter oordeelt dat eisers voldoende spoedeisend belang hebben en dat gedaagde 1 de betaling namens de kopers heeft gedaan, waardoor eisers recht hebben op de waarborgsom. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van eisers toe, inclusief een dwangsom voor gedaagde 1 bij niet-nakoming van de veroordeling. Gedaagde 2 wordt ook veroordeeld om de waarborgsom aan eisers uit te betalen. De proceskosten worden voor gedaagde 1 toegewezen, terwijl de kosten tussen eisers en gedaagde 2 worden gecompenseerd.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/692831 / KG ZA 25-1000
Vonnis in kort geding van 1 december 2025
in de zaak van

1.[eisers sub 1] te [woonplaats 1],

2. [eisers sub 2]te [woonplaats 1]
eisers,
advocaat mr. C. Teiwes te Den Haag,
tegen:

1.[gedaagde 1] te [woonplaats 2],

gedaagde,
advocaat mr. N.P.O. Ruysch te Delft
en

2.Maatschap [gedaagde 2] te Naaldwijk

gedaagde,
advocaat mr. P.J.L.J. Duijsens te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eisers]’, ‘[gedaagde 1]’ en ‘[gedaagde 2]’

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de door [gedaagde 2] overgelegde conclusie van antwoord met producties;
- de op 17 november 2025 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door alle partijen spreekaantekeningen zijn overgelegd.
1.2.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
[eisers] hebben op 16 september 2024 met [koper 1], [koper 2] en hun kinderen (hierna: [de kopers]) een koopovereenkomst gesloten ter zake de verkoop van hun woning aan de [adres] in [plaats] (hierna: de koopovereenkomst).
De woning is aan [de kopers] verkocht voor een bedrag van € 1.590.000.
2.2.
Op grond van de koopovereenkomst waren [de kopers] gehouden tot het stellen van zekerheid in de vorm van een bankgarantie of het storten van een waarborgsom ter hoogte van € 159.000. Op 4 februari 2025 is dat bedrag door [gedaagde 1] naar de derdengeldrekening van [gedaagde 2] overgemaakt. Bij de overschrijving is als omschrijving vermeld: ‘Borg 629 [de kopers]’.
2.3.
Op 8 april 2025 hebben [gedaagde 1] en [de kopers] enkele documenten ondertekend waarin een toelichting wordt gegeven op door [gedaagde 1] aan [de kopers] geleende bedragen, waaronder een bedrag van € 159.000. In de toelichting bij dit bedrag staat:
“Tussen partij [gedaagde 1] en partij [de kopers] is een overeenstemming van geldlening overeen gekomen waarbij [gedaagde 1] het vernoemde bedrag onvoorwaardelijk ter beschikking stelt als (tijdelijke) geldlening ten behoeve van de borg [adres] [plaats] via [gedaagde 2].
Aflossing en afrekening middels aangeleverde factuur/nota van afrekening
202504.”
2.4.
Tussen [eisers] en [de kopers] is een geschil ontstaan over de nakoming van de koopovereenkomst. Dit heeft ertoe geleid dat [eisers] de koopovereenkomst buitengerechtelijk hebben ontbonden.
2.5.
[eisers] zijn vervolgens een procedure bij de rechtbank gestart om die ontbinding voor recht te laten verklaren. Ook vorderden zij in die procedure veroordeling van [de kopers] tot betaling van de verschuldigde contractuele boete. Tijdens de mondelinge behandeling op 24 juli 2025 hebben [eisers] en [de kopers] een schikking getroffen.
Op basis van die schikking kregen [de kopers] alsnog de gelegenheid om de woning af te nemen. Als zij daarmee in gebreke zouden blijven, zou de koopovereenkomst worden ontbonden en dienden [de kopers] aan [eisers] de contractuele boete van € 159.000 te betalen. [gedaagde 2] werd gemachtigd dit bedrag aan [eisers] over te maken.
2.6.
Omdat [de kopers] de woning niet afnamen, hebben [eisers] [gedaagde 2] verzocht het boetebedrag ter hoogte van de waarborgsom aan hen over te maken. [gedaagde 2] heeft op 3 september 2025 bevestigd dat hij aan dit verzoek gehoor zal geven. Ook [de kopers] heeft hij van de voorgenomen betaling de hoogte gebracht.
2.7.
Bij e-mail van 8 september 2025 heeft [gedaagde 1] [gedaagde 2] verzocht om het bedrag van € 159.000 aan hem over te maken en niet zonder zijn schriftelijke toestemming aan te wenden voor betalingen aan derden. Hij wijst er in zijn e-mail op dat hij geen partij is bij de afspraken tussen [eisers] en [de kopers] en dat hij [de kopers] niet heeft gemachtigd of toestemming heeft gegeven voor het maken van die afspraken. Dat laatste was volgens hem een vereiste als de woning niet door [de kopers] zou worden afgenomen.
2.8.
Bij brief van 9 september 2025 heeft [gedaagde 2] via zijn advocaat aan [eisers], [gedaagde 1] en [de kopers] laten weten dat hij zich beroept op de onzekerheidsexceptie en dat hij niet tot uitbetaling over zal gaan voordat er door middel van een onderlinge regeling of een (onherroepelijke) uitspraak van een rechter duidelijk is wie aanspraak maakt op het op zijn derdengeldrekening gestorte bedrag.

3.Het geschil

3.1.
[eisers] vorderen – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter [gedaagde 1] veroordeelt om binnen een week na betekening van het te wijzen vonnis
primair
aan [gedaagde 2] een schriftelijke verklaring af te leggen die erop neerkomt dat hij toestemming geeft het bedrag van € 159.000 aan [eisers] over te maken en die verklaring te voorzien van een handtekening en een kopie van een geldig identiteitsbewijs;
subsidiair
alle feitelijke en/of juridische handelingen te verrichten die nodig zijn om [gedaagde 2] ertoe te bewegen het onder hem rustende bedrag naar [eisers] over te maken.
in beide gevallen op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500 per dag(deel) waarop [gedaagde 1] niet aan de veroordeling voldoet met een maximum van € 50.0000.
3.2.
Daarnaast vorderen zij dat de voorzieningenrechter [gedaagde 2] veroordeelt om
primair
binnen een week na betekening van het te wijzen vonnis de aan [eisers] toekomende waarborgsom uit te keren;
subsidiair
binnen twee weken nadat [gedaagde 1] heeft voldaan aan hetgeen waartoe hij wordt veroordeeld de waarborgsom aan [eisers] over te maken;
in beide gevallen op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500 per dag(deel) waarop [gedaagde 2] niet aan de veroordeling voldoet met een maximum van € 50.0000.
3.3.
[eisers] vorderen tot slot dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten.
3.4.
Ter onderbouwing van hun vorderingen voeren [eisers] – samengevat – het volgende aan. De betaling die [gedaagde 1] heeft gedaan heeft te gelden als een betaling door [de kopers] nu [gedaagde 1] de betaling voor en namens hen heeft gedaan. De koopovereenkomst verzet zich niet tegen betaling door een derde. Bovendien blijkt onder meer uit de omschrijving bij de betaling dat [gedaagde 1] zich bewust is geweest van de strekking van de betaling. [gedaagde 1] heeft dan ook geen geldige reden om de betaling van de waarborgsom door [gedaagde 2] aan [eisers] te blokkeren. [gedaagde 2] heeft zich gelet op het voorgaande ten onrechte beroepen op de onzekerheidsexceptie. Hij dient het op zijn derdenrekening gestorte bedrag aan [eisers] uit te betalen.
3.5.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

4.1.
[eisers] beogen met deze procedure te bewerkstelligen dat de op de derdengeldenrekening van [gedaagde 2] gestorte waarborgsom aan hen wordt uitgekeerd conform de afspraak die zij daarover met [de kopers] hebben gemaakt. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten dat [eisers] daarbij een spoedeisend belang hebben. De voorzieningenrechter volgt laatstgenoemden daarin niet. [eisers] hebben erop gewezen dat de verkoop van hun woning langer heeft geduurd dan gepland door de chicanes van [de kopers] en dat zij als gevolg daarvan schade hebben geleden. Die schade wordt (gedeeltelijk) gecompenseerd door de overeengekomen boete van € 159.000. Omdat de betaling van die boete zonder – in hun ogen – geldige reden door [gedaagde 1] wordt geblokkeerd, worden zij gedwongen om in te teren op hun vermogen en loopt hun schade veder op, zo stellen [eisers] Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben [eisers] daarmee voldoende toegelicht waarom niet van hen gevergd kan worden dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwachten.
4.2.
[eisers] beroepen zich in deze procedure op artikel 6:30 van het Burgerlijk Wetboek (BW). In dat artikel staat dat een verbintenis ook door een ander dan de schuldenaar kan worden nagekomen, tenzij de inhoud of de strekking van die verbintenis zich daartegen verzet. Er is slechts sprake van een derdenbetaling als een derde zich ervan bewust is dat de verbintenis op een ander rust dan hemzelf en die derde ook beoogt die verbintenis van die ander te voldoen.
4.3.
[gedaagde 1] is volgens [eisers] de derde die namens [de kopers] de uit de koopovereenkomst voortvloeiende verplichting tot betaling van een waarborgsom van 10% van de koopsom heeft voldaan. Tussen partijen is niet in geschil dat betaling van die waarborgsom door een derde mogelijk was. Het verweer van [gedaagde 1] komt erop neer dat hij het bedrag op de derdengeldenrekening van [gedaagde 2] heeft overgemaakt in de veronderstelling dat hij greep zou houden op het geld en dat het geld direct zou terugkomen als [gedaagde 2] een nota van afrekening voor de koop zou maken. Dit is hem, zo stelt hij, door [de kopers] voorgespiegeld. Ook als dit juist is, laat dit onverlet dat [gedaagde 1] het bedrag namens [de kopers] heeft betaald en dat hij wist dat die betaling verband hield met een uit de koopovereenkomst voortvloeiende verplichting van [de kopers] tot betaling van 10% van de koopsom. De omschrijving die [gedaagde 1] aan de betaling heeft gegeven (vgl. 2.2), maakt het bovendien aannemelijk dat [gedaagde 1] wist dat het ging om een (waar)borgsom.
De voorzieningenrechter gaat dan ook ervan uit dat de betaling van [gedaagde 1] strekte tot voldoening van de contractuele verplichting van [de kopers] tot storting van een waarborgsom. De schikking die [eisers] en [de kopers] hebben getroffen, heeft hier geen verandering in gebracht. Aldus konden [eisers] en [de kopers] zonder tussenkomst van [gedaagde 1] in het kader van de schikking handhaven de overeenkomst dat het op de derdengeldenrekening van [gedaagde 2] gestorte bedrag bij ontbinding van de overeenkomst aan [eisers] zou worden betaald.
4.4.
Voor zover [gedaagde 1] op basis van uitlatingen van [de kopers] een verkeerde voorstelling van zaken had over de aard van de betaling en de terugbetaling van het door hem ter beschikking gestelde bedrag, kan dat niet aan [eisers] worden tegengeworpen. Dit raakt de (contractuele) verhouding tussen [gedaagde 1] en [de kopers] Overigens staat in de toelichting op de geldleningsovereenkomst tussen [gedaagde 1] en [de kopers] dat [gedaagde 1] het bedrag onvoorwaardelijk ter beschikking heeft gesteld.
4.5.
Het voorgaande betekent dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter zeer aannemelijk is dat alleen [eisers] aanspraak kunnen maken op betaling van het op de derdengeldenrekening van [gedaagde 2] gestorte bedrag van € 159.000,-. [gedaagde 1] kan zich aldus niet gerechtvaardigd tegen die betaling verzetten. Gezien de mate van aannemelijkheid ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de gebruikelijke terughoudendheid bij beslissingen over de betaling van geldsommen (waar dit geschil in wezen op neerkomt) in dit geval niet te betrachten. De voorzieningenrechter zal de onder 3.1. weergegeven primaire vordering van [eisers] dan ook toewijzen. De voorzieningenrechter merkt daarbij op dat indien [gedaagde 1], teneinde discussie met [de kopers] zoveel mogelijk te voorkomen, aan die verklaring wil toevoegen dat zijn instemming met de uitbetaling aan [eisers] onverlet laat dat hij het bedrag na die uitbetaling op [de kopers] zal willen verhalen, dat geoorloofd is. Oplegging van een dwangsom, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter aangewezen. De op te leggen dwangsom zal worden toegewezen als gevorderd.
4.6.
Gelet op het voorgaande kan in het midden blijven of [gedaagde 2] zich terecht op de onzekerheidsexceptie van artikel 6:37 BW heeft beroepen. [gedaagde 2] heeft te kennen laten geven dat hij het oordeel van de voorzieningenrechter zal volgen. [gedaagde 2] zal dan ook worden veroordeeld om de waarborgsom aan [eisers] uit te betalen op de wijze zoals in het dictum vermeld. Nu, zoals zojuist al gememoreerd, [gedaagde 2] er tijdens de zitting blijk van heeft laten geven dat hij de veroordeling zal naleven, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om aan de jegens hem uit te spreken veroordeling een dwangsom te verbinden. De daartoe strekkende vordering van [eisers] zal dan ook worden afgewezen. De proceskosten in het geschil tussen [eisers] en [gedaagde 2] zullen aldus worden gecompenseerd dat ieder de eigen kosten draagt.
4.7.
[gedaagde 1] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten (inclusief nakosten) van [eisers] worden veroordeeld. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
- dagvaarding € 145,45
- griffierecht € 331,00
- salaris advocaat € 1.107,00
- nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 1.761,45

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde 1] om binnen een week na betekening van dit vonnis aan [gedaagde 2] schriftelijk de volgende verklaring af te leggen, ondertekend en vergezeld van een kopie van zijn (geldig) identiteitsbewijs:
‘Op 4 februari 2025 heb ik voor en namens [koper 1], [koper 2], de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] de waarborgsom van €159.000,00 (‘het bedrag’) voldaan op uw derdengeldenrekening terzake de koop van de [adres] te [plaats]. Bij dezen verklaar ik dat ik niet langer aanspraak maak op uitbetaling van genoemd bedrag. Tevens verklaar ik dat u vrij bent het bedrag over te maken aan [eisers sub 1] en [eisers sub 2] voornoemd’;
5.2.
veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van een dwangsom van € 500,00 per dag(deel) waarop hij niet aan de veroordeling onder 5.1 voldoet, tot een maximum van € 50.000,00;
5.3.
veroordeelt [gedaagde 2] om binnen twee weken nadat [gedaagde 1] aan de veroordeling onder 5.1 heeft voldaan de op zijn derdengeldenrekening gestorte waarborgsom van € 159.000,00 aan [eisers] over te maken;
5.4.
veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten van € 1.761,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde 1] niet tijdig voldoet aan de jegens hem uitgesproken veroordelingen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde 1] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
compenseert de kosten in het geschil tussen [eisers] en [gedaagde 2] aldus, dat elke partij de eigen kosten draagt en wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 1 december 2025.
EI