ECLI:NL:RBDHA:2025:24505

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
693795
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot nakoming van een vennootschap onder firma-akte in kort geding afgewezen

In deze zaak, die op 27 november 2025 door de Rechtbank Den Haag is behandeld, hebben eisers, twee broers die samen een fastfoodrestaurant exploiteren, een kort geding aangespannen tegen hun medevennoot, [gedaagde]. De eisers vorderen onder andere dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot nakoming van de vennootschap onder firma-akte en dat hij zijn eenmanszaak, die hij op dezelfde locatie als het restaurant heeft opgericht, moet staken. De eisers stellen dat [gedaagde] in strijd handelt met de afspraken uit de vof-akte door het restaurant te sluiten en een nieuw restaurant te openen. Daarnaast vorderen zij een betaling van € 31.018 aan [eisers sub 1]. Tijdens de mondelinge behandeling op 13 november 2025 is gebleken dat de verhoudingen tussen de partijen ernstig verstoord zijn, wat volgens [gedaagde] een gewichtige reden voor ontbinding van de vennootschap met zich meebrengt. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat het niet te verwachten is dat de rechter in een bodemprocedure [gedaagde] zal veroordelen tot nakoming van de vof-akte, en dat het waarschijnlijker is dat de vennootschap zal worden ontbonden. De vordering tot betaling van € 31.018 is eveneens afgewezen, omdat de voorzieningenrechter onvoldoende bewijs heeft gezien dat [gedaagde] dit bedrag aan [eisers sub 1] verschuldigd is. De voorzieningenrechter heeft uiteindelijk beslist dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/693795/ KG ZA 25-1058
Vonnis in kort geding van 27 november 2025
in de zaak van

1.[eisers sub 1] te [woonplaats 1],

2. [eisers sub 2]te [woonplaats 2] ([land]),
eisers,
advocaat mr. J.P. Sanchez Montoto te Zaandam,
tegen:
[gedaagde]te [woonplaats 1],
gedaagde,
advocaat mr. G. Hutchinson te Rotterdam.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eisers sub 1]’ ‘[eisers sub 2]’ en ‘[gedaagde]’. Eisers worden gezamenlijk aangeduid als [eisers]

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de door gedaagde overgelegde producties;
- de op 13 november 2025 gehouden mondelinge behandeling, waarbij namens [gedaagde] pleitnotities zijn overgelegd.
1.2.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
Partijen zijn broers en exploiteren gezamenlijk een fastfoodrestaurant aan de [adres] in [plaats]. Deze onderneming is in 2018 opgericht door [gedaagde]. In 2022 is de onderneming ingebracht in de vennootschap onder firma [bedrijfsnaam 1] (hierna: de vof) waarvan [gedaagde] en [eisers sub 1] destijds de vennoten waren. [eisers sub 2] is in 2024 als vennoot ingeschreven in het handelsregister.
2.2.
Op 1 oktober 2024 hebben partijen een document ondertekend dat ‘contract vennootschap onder firma’ is genaamd. In dit document is onder meer opgenomen dat:
  • de inbreng van alle vennoten gelijk is (artikel 4);
  • de winsten en verliezen van de vennootschap voor (nagenoeg) gelijke delen onder de vennoten worden verdeeld (artikel 9);
  • iedere vennoot bevoegd is voorschotten op zijn winstaandeel op te nemen uit de kas van de vennootschap, waarbij een eventuele surplus bij vaststelling van de jaarstukken worden verrekend (artikel 10);
  • de vennootschap onder meer eindigt door opzegging of ontbinding door een van de vennoten (artikel 12);
  • vennoten tijdens de duur van de vennootschap niet bij een andere onderneming werkzaam mogen zijn of bij een andere onderneming betrokken mogen zijn, behoudens schriftelijke toestemming van de andere vennoten (artikel 15)
2.3.
Medio 2025 is tussen [gedaagde] en [eisers sub 1] een geschil gerezen over de (hoogte van de) privé-opnames die zij beiden van de zakelijke bankrekening(en) hebben gedaan. Dit heeft er uiteindelijk toe geleid dat het door de vof geëxploiteerde restaurant door [gedaagde] is gesloten.
2.4.
[gedaagde] heeft op 22 september 2025 een eenmanszaak opgericht met de naam [bedrijfsnaam 2]. Onder deze naam heeft [gedaagde] op dezelfde locatie het restaurant alleen voortgezet.

3.Het geschil

3.1.
[eisers] vorderen dat de voorzieningenrechter [gedaagde]
I. veroordeelt tot nakoming van de vof-akte en hem beveelt zijn eenmanszaak direct te staken en gestaakt te houden en [eisers] weer toe te laten tot de bedrijfsruimte die als vennootschap werd geëxploiteerd zoals de situatie was voor 22 september 2025, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.500 per dag(deel) waarop hij zich hier niet aan houdt, met een maximum van € 100.000.
II. veroordeelt tot betaling van € 31.018 aan [eisers sub 1];
III. veroordeelt tot betaling van de proceskosten.
3.2.
Daartoe voeren [eisers] – samengevat – het volgende aan. Door het door de vennootschap geëxploiteerde restaurant te sluiten, [eisers] de toegang tot het pand te ontzeggen, alle gelden aan de zakelijke rekening te onttrekken en op dezelfde locatie een ‘nieuw’ restaurant te exploiteren handelt [gedaagde] in strijd met de afspraken uit de vof-akte, althans onrechtmatig. Daarnaast blijkt uit de jaarcijfers van 2024, zoals die door de boekhouder van de vof zijn opgesteld, dat [gedaagde] in 2024 meer heeft opgenomen dan het bedrag waartoe hij op grond van de winstverdelingsafspraken gerechtig was. Daarmee is [gedaagde] in feite overbedeeld. [gedaagde] dient daarom het bedrag waarop [eisers sub 1] gelet op zijn aandeel in de winst nog recht heeft (€ 93.081 - € 62.063 = € 31.018) aan [eisers sub 1] te betalen.
3.3.
[gedaagde] voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

4.1.
Bij de beoordeling of een voorlopige voorziening moet worden getroffen geldt als uitgangspunt dat de voorzieningenrechter zich richt naar de waarschijnlijke uitkomst van een eventuele bodemprocedure. De voorzieningenrechter moet dus beoordelen of het in hoge mate te verwachten is dat een vordering ook in de bodemprocedure zal worden toegewezen en of het daarbij passend is om bij wijze van voorlopige voorziening op de bodembeslissing vooruit te lopen. In dit geval pakt die beoordeling in het nadeel van [eisers] uit. Waarom dat zo is, wordt hierna per vordering toegelicht.
vordering I.: nakoming vof-akte
4.2.
De vordering onder I. is gericht op (ongewijzigde) voortzetting van de vof. Tijdens de zitting is aan de voorzieningenrechter gebleken dat het nog maar de vraag is of die voortzetting een reële mogelijkheid is. Niet in geschil is dat de verhoudingen tussen partijen zijn verstoord. De (ernstig) verstoorde verhoudingen tussen partijen brengen volgens [gedaagde] met zich dat er een gewichtige reden bestaat voor ontbinding van de vennootschap. Overigens stelt [gedaagde] ook dat de vof al (middels opzegging) is ontbonden. Hij wijst erop dat hij mondeling aan [eisers] kenbaar heeft gemaakt dat hij de samenwerking wil beëindigen en dat zijn gedragingen (het sluiten van het door de vof geëxploiteerde restaurant en het oprichten van een eenmanszaak) dat onderstrepen. Voor het geval het ‘contract vennootschap onder firma’ (door [eisers] de vof-akte genoemd) van toepassing is op de samenwerking, wat hij betwist, beroept [gedaagde] zich bovendien op artikel 12 sub d van dat contract. Op basis van die bepaling heeft iedere vennoot het recht om de onmiddellijke ontbinding van de vennootschap in te roepen als een of meerdere andere vennoten de bepalingen van de overeenkomst overtreden. De voorzieningenrechter begrijpt dat [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat het handgemeen dat tussen de broers heeft plaatsgevonden en de onrechtmatige onttrekkingen die [eisers sub 1] volgens hem heeft gedaan als tekortkomingen in de nakoming van de in het contract vastgelegde afspraken moeten worden gezien. De voorzieningenrechter is gelet op dit alles van oordeel dat het niet te verwachten is, en al helemaal niet in hoge mate, dat de rechter in een bodemprocedure [gedaagde] zal veroordelen tot nakoming van de vof-akte in de door [eisers] gevorderde zin. Het ligt meer voor de hand dat in de bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de vof is ontbonden of moet worden ontbonden, waarna (in beginsel) vereffening en verdeling van het vennootschapsvermogen zal moeten plaatsvinden. De voorzieningenrechter acht het aannemelijk dat in dat geval zal worden geoordeeld dat [gedaagde] de onderneming mag voortzetten, onder meer omdat hij degene is die de onderneming heeft opgericht, zodat het ook niet in de rede ligt dat [gedaagde] in de bodemprocedure zal worden veroordeeld tot staking van zijn eenmanszaak.
4.3.
Een afweging van de belangen van partijen leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat het gelet op de verstoorde verhoudingen tussen partijen niet te verwachten valt dat een veroordeling tot hervatting van de samenwerking tot een positief resultaat voor de onderneming zal leiden. Ook wordt meegewogen dat partijen tijdens de zitting met elkaar hebben afgesproken dat zij – op korte termijn – met elkaar in overleg zullen treden over de (financiële) afwikkeling van de vof. Met het oog hierop acht de voorzieningenrechter voorlopige voortzetting van de onderneming door een van de vennoten, waarbij [gedaagde] vooralsnog de meest gerede partij lijkt, in het belang van alle partijen.
vordering II.: betaling € 31.018
4.4.
Dat de rechter in de bodemprocedure [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van het door [eisers] gevorderde bedrag is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende waarschijnlijk om de in kort geding te betrachten terughoudendheid bij het toewijzen van geldsommen te verlaten. [gedaagde] betwist dat hij een bedrag aan [eisers sub 1] verschuldigd is en ook dat hij in 2024 tot een bedrag van € 122.739 aan privé-opnames heeft gedaan. Op basis van enkel het door [eisers] overgelegde overzicht van de boekhouder van de resultaten van de vof over het boekjaar 2024 (productie 10) kan niet worden aangenomen dat deze betwisting in een bodemprocedure geen stand zal houden. Weliswaar volgt uit de overzicht dat het totaalbedrag dat [gedaagde] in 2024 in privé heeft opgenomen hoger is dan zijn aandeel in de winst over dat jaar, maar zonder onderliggende stukken, die niet zijn overgelegd, kan niet met enige mate van zekerheid worden vastgesteld dat de in het overzicht genoemde bedragen juist zijn. Hierbij betrekt de voorzieningenrechter dat volgens de vof-akte, waarop [eisers] zich in dit kort geding beroepen, alle vennoten in (nagenoeg) gelijke delen zijn gerechtigd tot de winst terwijl in het overzicht van een andere winstverdeling wordt uitgegaan. [eisers] hebben hier geen verklaring voor gegeven.
conclusie en proceskosten
4.5.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen van [eisers] worden afgewezen.
4.6.
Hoewel [eisers] in het ongelijk zijn gesteld, ziet de voorzieningenrechter in de familieband tussen partijen en de tijdens de zitting gemaakte afspraak om met elkaar in overleg te treden over de afwikkeling van de vof aanleiding om te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
wijst de vorderingen af;
5.2.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op
27 november 2025.
EI