In deze zaak, die op 27 november 2025 door de Rechtbank Den Haag is behandeld, hebben eisers, twee broers die samen een fastfoodrestaurant exploiteren, een kort geding aangespannen tegen hun medevennoot, [gedaagde]. De eisers vorderen onder andere dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot nakoming van de vennootschap onder firma-akte en dat hij zijn eenmanszaak, die hij op dezelfde locatie als het restaurant heeft opgericht, moet staken. De eisers stellen dat [gedaagde] in strijd handelt met de afspraken uit de vof-akte door het restaurant te sluiten en een nieuw restaurant te openen. Daarnaast vorderen zij een betaling van € 31.018 aan [eisers sub 1]. Tijdens de mondelinge behandeling op 13 november 2025 is gebleken dat de verhoudingen tussen de partijen ernstig verstoord zijn, wat volgens [gedaagde] een gewichtige reden voor ontbinding van de vennootschap met zich meebrengt. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat het niet te verwachten is dat de rechter in een bodemprocedure [gedaagde] zal veroordelen tot nakoming van de vof-akte, en dat het waarschijnlijker is dat de vennootschap zal worden ontbonden. De vordering tot betaling van € 31.018 is eveneens afgewezen, omdat de voorzieningenrechter onvoldoende bewijs heeft gezien dat [gedaagde] dit bedrag aan [eisers sub 1] verschuldigd is. De voorzieningenrechter heeft uiteindelijk beslist dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.