ECLI:NL:RBDHA:2025:24502

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 november 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
693368
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing van een kort geding verzoek tot gebieds- en contactverbod in een echtscheidingszaak met minderjarige

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag op 24 november 2025 uitspraak gedaan in een kort geding tussen een vrouw en een man, die in een echtscheidingsprocedure verwikkeld zijn. De vrouw, eiseres, verzocht om een gebieds- en contactverbod tegen de man, gedaagde, op basis van eerdere beschuldigingen van geweld en mishandeling. De vrouw vorderde dat de man gedurende 12 maanden geen contact met haar en hun minderjarige zoon mocht hebben en zich binnen een straal van vijf kilometer van hun woonadres en andere belangrijke locaties moest onthouden.

De rechtbank heeft de procedure en de feiten in overweging genomen, waaronder de eerdere rechtszaken en de situatie van de partijen. De vrouw had in het verleden aangifte gedaan van mishandeling door de man, maar de voorzieningenrechter kon niet vaststellen of er op dat moment een concrete dreiging van onrechtmatig handelen door de man bestond. De man verblijft momenteel in het buitenland en er was geen recent contact tussen de partijen, behalve via hun advocaten. De voorzieningenrechter concludeerde dat er geen spoedeisend belang was voor het opleggen van de gevraagde verboden en wees de vorderingen van de vrouw af.

De voorzieningenrechter benadrukte het belang van de minderjarige en drong aan op samenwerking tussen de partijen en hulpverlening om het contact tussen de man en de minderjarige te herstellen. De rechtbank besloot dat iedere partij zijn eigen proceskosten draagt, gezien de familierechtelijke aard van het geschil.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/693368 / KG ZA 25 / 1037
Vonnis in kort geding van 24 november 2025
in de zaak van
[de vrouw]te [woonplaats] ,
eiseres,
advocaat mr. G.S. de Haas te Geertruidenberg,
tegen:
[de man]te [woonplaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. W.J. Vroegindeweij te Katwijk.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vrouw’ en ‘de man’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord met producties;
- de namens de man overgelegde nadere productie;
- de op 10 november 2025 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door de vrouw pleitnotities zijn overgelegd.
1.2.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
Partijen zijn in 2012 in [land 1] met elkaar getrouwd en wonen sinds 2014 in Nederland. Op [geboortedatum] 2017 is hun zoon [minderjarige] geboren. Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] .
2.2.
In juli 2025 is de vrouw met [minderjarige] naar [land 1] vertrokken. Aldaar heeft zij de rechtbank in [plaats] verzocht aan de man een contactverbod op te leggen. De rechtbank in [plaats] heeft dat verbod op 12 augustus 2025 opgelegd. In hoger beroep is het verbod opgeheven. De vrouw is op 11 september 2025 naar Nederland teruggekeerd en [minderjarige] op 19 september 2025.
2.3.
Op 30 juli 2025 heeft de man een verzoek tot echtscheiding bij de rechtbank Den Haag ingediend.
2.4.
Vervolgens hebben partijen over en weer de rechtbank verzocht om verschillende voorlopige voorzieningen te treffen. De rechtbank heeft bij beschikking van 7 augustus 2025 onder meer bepaald dat de vrouw gerechtigd is tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning en dat [minderjarige] aan haar wordt toevertrouwd. Over de door de man verzochte voorlopige zorgregeling overweegt de rechtbank het volgende:
Van de zijde van de vrouw zijn er ernstige beschuldigen gedaan richting de man. De man betwist die beschuldigingen. De rechtbank kan op basis van de stukken niet vaststellen in hoeverre de beschuldigingen van de vrouw waar zijn. De rechtbank constateert dat er in [land 1] een contactverbod is uitgesproken op verzoek van de vrouw ten laste van de man. De man is daartegen in hoger beroep gegaan. Op dit moment speelt er heel veel tussen partijen. De rechtbank acht het van belang dat de vrouw en [minderjarige] zo spoedig mogelijk terugkeren naar Nederland, dat er een melding wordt gedaan bij Veilig Thuis en dat partijen met Veilig Thuis veiligheidsafspraken gaan maken. Met hulpverlening, bijvoorbeeld het Centrum voor Jeugd en Gezin, zullen er afspraken over het contact tussen de man en [minderjarige] moeten worden gemaakt. Op dit moment ziet de rechtbank geen mogelijkheid om een voorlopige zorgregeling voor [minderjarige] en de man vast te stellen, zodat de rechtbank het verzoek van de man hiertoe zal afwijzen.
2.5.
Op 24 augustus 2025 heeft de vrouw bij de politie aangifte gedaan van poging tot doodslag en van mishandeling door de man. Volgens de aangifte heeft de man zowel de vrouw als [minderjarige] mishandeld.
2.6.
In de periode van 3 oktober tot 22 oktober 2025 heeft het crisisinterventieteam van Zorg- en Veiligheidshuis Hollands Midden verschillende gesprekken met [minderjarige] gevoerd.

3.Het geschil

3.1.
De vrouw vordert dat de voorzieningenrechter de man verbiedt om
  • gedurende 12 maanden direct of indirect contact met haar en [minderjarige] te zoeken;
  • gedurende 12 maanden zich binnen een straal van vijf kilometer van het woonadres van de vrouw en [minderjarige] , de school van [minderjarige] en andere door de vrouw veel bezochte locaties te bevinden;
een en ander op straffe van een dwangsom van € 25.000 per keer dat de man een van deze verboden overtreedt met een maximum van € 100.000 en met veroordeling van de man in de proceskosten.
3.2.
Daartoe voert de vrouw – samengevat – het volgende aan. In het verleden is sprake geweest van extreem geweld van de man tegen de vrouw en [minderjarige] . De vrouw heeft hiervan aangifte gedaan bij de politie. Door de verbale en fysieke agressie waarmee de vrouw in het verleden te maken heeft gehad, heeft de vrouw voortdurend last van angst, spanning en inbreuk op haar persoonlijke vrijheid. Ook vreest zij dat de man [minderjarige] zal ontvoeren.
3.3.
De man voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

4.1.
Voor toewijzing van het gevorderde gebieds- en contactverbod als tijdelijke ordemaatregel is vereist dat de vrouw daarbij een spoedeisend belang heeft, in die zin dat van haar niet gevergd kan worden dat zij (de uitkomst van) een bodemprocedure afwacht. Daarbij geldt als uitgangspunt dat het aan de vrouw is om aannemelijk te maken dat de man zich zodanig jegens haar en [minderjarige] gedraagt of zal gedragen dat dit gedrag als (dreigend) onrechtmatig handelen moet worden aangemerkt en daarom de gevorderde verboden (op dit moment) zijn gerechtvaardigd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de vrouw daar niet in geslaagd.
4.2.
De vrouw stelt dat zij en [minderjarige] in het verleden ernstig zijn mishandeld door de man. Of die – door de man betwiste – stelling juist is, kan de voorzieningenrechter niet vaststellen. Dit kan ook in het midden blijven. Het gaat erom of er op dit moment sprake is van een dreigend gevaar van (nieuwe) incidenten, zoals de vrouw stelt. De voorzieningenrechter acht dat niet aannemelijk. De relatie tussen partijen is feitelijk beëindigd en de man verblijft op dit moment in [land 2]. Tijdens de zitting heeft de man verklaard dat hij pas terug naar Nederland zal keren als hij een woning heeft. Naar zijn eigen verwachting is dat pas nadat de echtscheidingsprocedure is afgerond, omdat er dan duidelijkheid is over de verdeling van de appartementen die partijen gezamenlijk in eigendom hebben. Daar komt bij dat uit niets blijkt dat de man recent nog direct contact met de vrouw heeft opgenomen. Volgens de eigen verklaring van de vrouw ter zitting heeft er na de indiening van het echtscheidingsverzoek tussen hen alleen nog communicatie via hun advocaten plaatsgevonden. Voor zover de man al familieleden van de vrouw heeft benaderd tijdens het recente verblijf van de vrouw en [minderjarige] in [land 1], ziet de voorzieningenrechter daarin geen aanleiding om aan te nemen dat de man zich niet zal onthouden van het (ook) op een andere wijze zoeken van contact met de vrouw en [minderjarige] . Daarbij betrekt de rechtbank dat de reden voor het benaderen van de familieleden van de vrouw ogenschijnlijk was gelegen in het feit dat de vrouw [minderjarige] destijds onder valse voorwendselen naar [land 1] had meegenomen en daar gedurende enkele weken is verbleven zonder dat de man contact met [minderjarige] had. Ook het eenmalige bezoek van de man aan de school van [minderjarige] na zijn terugkeer uit [land 1] op een moment dat het vonnis van de rechtbank in [land 1] kennelijk nog niet was vernietigd, acht de voorzieningenrechter tegen deze achtergrond onvoldoende om het gestelde dreigende gevaar aan te nemen. Dit te minder omdat de man heeft verteld dat hij na overleg met de politie en met de directeur van de school van [minderjarige] en in aanwezigheid van de directeur op het schoolplein contact heeft gehad met [minderjarige] .
4.3.
Een en ander leidt er naar het oordeel van de voorzieningenrechter toe dat niet is komen vast te staan dat er op dit moment een concrete dreiging van onrechtmatig handelen door de man bestaat. Een spoedeisend belang voor het opleggen van een gebieds- en contactverbod ontbreekt dan ook. De vorderingen van de vrouw zullen dan ook worden afgewezen.
4.4.
De voorzieningenrechter hecht eraan om de man en de vrouw op het hart te drukken het belang van [minderjarige] voorop te stellen. Uitgangspunt is dat [minderjarige] met beide ouders onbelast contact kan hebben. De weg daar naartoe gaat via de hulpverlening en niet op eigen inzicht. In dat kader dringt de voorzieningenrechter er bij de vrouw op aan dat zij haar medewerking verleent aan het traject dat door Veilig Thuis is ingezet om het contact tussen [minderjarige] en de man te herstellen.
4.5.
Vanwege de familierechtelijke aard van dit geschil, zal de rechtbank bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
wijst de vorderingen van de vrouw af;
5.2.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 24 november 2025.
EI