ECLI:NL:RBDHA:2025:24458

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
C/09/682260 / JE RK 25-506
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in een pleeggezin ondanks negatieve screening pleegouder

Op 18 november 2025 heeft de Rechtbank Den Haag een beschikking gegeven over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2010, in een pleeggezin. De zaak betreft de Stichting Jeugdbescherming West Haaglanden als gecertificeerde instelling, die het verzoek indiende om de machtiging te verlengen tot 2 juni 2026. Dit verzoek volgde op een eerdere beschikking van 26 mei 2025, waarin de ondertoezichtstelling van de minderjarige werd verlengd en de machtiging tot uithuisplaatsing tot 2 december 2025. De rechtbank constateert dat er ernstige zorgen zijn over de ontwikkeling van de minderjarige, die te maken heeft met instabiliteit en onveilige situaties in het verleden. Ondanks een negatieve screening van de pleegouder door een instantie, heeft de rechtbank geoordeeld dat de huidige situatie bij de oma van de minderjarige 'goed genoeg' is en dat het in het belang van de minderjarige is om bij haar te blijven. De rechtbank benadrukt dat er aandacht moet zijn voor de schoolgang van de minderjarige en dat er stappen moeten worden gezet om haar ontwikkeling te waarborgen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de beslissing direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/682260 / JE RK 25-506
Datum uitspraak: 18 november 2025
Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. H. Boertien-van der Heide uit Den Haag,
[de oma],
hierna te noemen: de oma,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L. Rijsdam te Leiden.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Bij beschikking van 26 mei 2025 heeft de kinderrechter in deze rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 2 juni 2026, alsmede de machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 2 december 2025. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden en de zaak is verwezen naar de meervoudige kamer voor verdere behandeling.
1.2.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de voornoemde beschikking van 26 mei 2025, en de hierin genoemde stukken;
- de schriftelijke update van de gecertificeerde instelling van 31 oktober 2025.
1.3.
Op 18 november 2025 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
  • [naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling;
  • de moeder met haar advocaat;
- de advocaat van de oma.
De oma is niet verschenen. De rechtbank stelt vast dat de oma wel juist is opgeroepen.
1.4.
De rechtbank heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld haar mening te geven. [minderjarige] heeft daar geen gebruik van gemaakt.

2.De feiten

2.1.
Voor een overzicht van de feiten verwijst de rechtbank naar de beschikking van 26 mei 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling handhaaft het verzoek en verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. Van mei 2025 tot augustus 2025 zijn er twee jeugdbeschermers betrokken geweest bij [minderjarige]. Per augustus 2025 is de vaste jeugdbeschermer uit dienst en is de tweede jeugdbeschermer met zwangerschapsverlof, waardoor er sindsdien (opnieuw) geen vaste jeugdbeschermer betrokken is bij [minderjarige]. De afgelopen periode is, met het samenwerkingsverband, gekeken naar de opties om [minderjarige] weer in te laten stromen binnen het onderwijs. Van het samenwerkingsverband heeft de gecertificeerde instelling vernomen dat er gesprekken worden gevoerd met de stamschool om tot een plan te komen. [minderjarige] vult momenteel haar doordeweekse dagen met het helpen bij de hondenuitlaatservice van oma en tante en zij zal binnenkort starten met een baantje bij de bloemenwinkel van de buurman, waar zij zal worden opgeleid tot bloemist. Op dit moment bestaan er geen dringende zorgen over haar sociaal-emotionele ontwikkeling, maar die zorgen zouden kunnen ontstaan als zij langere tijd niet naar school gaat en daardoor geen contact met leeftijdsgenoten heeft. Verder heeft [minderjarige] de afgelopen periode frequent contact onderhouden met haar coach, waarbij het [minderjarige] steeds meer lukt om te praten over de gebeurtenissen die zij heeft meegemaakt. [minderjarige] en de moeder hebben nog steeds geen contact met elkaar en [minderjarige] heeft deze behoefte op dit moment ook niet.
3.3.
In januari 2025 is de oma negatief gescreend als pleegouder door [instantie 1], waarbij [instantie 1] weigerde nadere (inhoudelijke) motivering over te leggen. Ondanks herhaaldelijke verzoeken vanuit de gecertificeerde instelling, heeft [instantie 1] geweigerd nadere informatie te geven en is het nog steeds onduidelijk op welke gronden de negatieve screening heeft plaatsgevonden. De gecertificeerde instelling heeft de informatie evenmin via de oma gekregen en onduidelijk blijft of de oma het verzoek om deze informatie ook daadwerkelijk bij [instantie 1] heeft neergelegd. Uiteindelijk heeft de gecertificeerde instelling het gezin aangemeld bij [instantie 2] voor een nieuwe screening, maar zij konden dit niet oppakken omdat zij daarvoor eerst de reden van de negatieve screening wilde weten. Ondanks dat er een negatief advies ligt vanuit [instantie 1] heeft de gecertificeerde instelling ervoor gekozen om [minderjarige] te laten verblijven bij de oma. In samenwerking met de oma, tante, [minderjarige] en de gecertificeerde instelling zijn er veiligheidsafspraken gemaakt om de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen. [minderjarige], de tante en de oma hebben zich aan de afspraken gehouden en zich begeleidbaar opgesteld. De gecertificeerde instelling ziet dat [minderjarige] zich voldoende veilig ontwikkelt binnen het hechte familiesysteem waar zij zich fijn en veilig voelt en heeft geen signalen gekregen die het noodzakelijk maken dat [minderjarige] ergens anders gaat wonen. De situatie bij de oma is volgens de gecertificeerde instelling dan ook goed genoeg. Het uithuisplaatsen van [minderjarige] elders zal naar inschatting van de gecertificeerde instelling een zodanige ontwrichting veroorzaken bij [minderjarige] dat dit niet in haar belang wordt geacht. Het is daarom van belang dat het verblijf van [minderjarige] bij de oma wordt gecontinueerd en dat het voor [minderjarige] duidelijk is dat zij bij de oma mag zijn. Wel zou het helpend zijn als de oma kennis heeft van traumasensitief opvoeden en die kan toepassen in de praktijk, maar inzet hiervoor is, voor zover bekend bij de gecertificeerde instelling, niet door de oma getoond. De komende tijd zal de gecertificeerde instelling zich richten op de mogelijkheden om het verblijf van [minderjarige] bij de oma – zonder machtiging tot uithuisplaatsing – te continueren.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de moeder is geen verweer gevoerd tegen de verzochte verlenging van de machtiging uithuisplaatsing, maar wel tegen de verzochte duur. De moeder staat er achter dat [minderjarige] bij de oma verblijft, maar zij heeft wel grote zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] en de opvoedomgeving bij de oma, die niet veilig is. De oma en de moeder hebben momenteel geen contact met elkaar, waardoor de moeder onvoldoende zicht heeft op [minderjarige] bij de oma. De oma doet niet wat er van haar gevraagd wordt, [minderjarige] gaat alleen om met mensen binnen haar familiekring en [minderjarige] heeft momenteel niet de benodigde hulpverlening, omdat zij overdag veel werkt. Volgens de advocaat van de moeder had de oma de onderbouwing van de negatieve screening kunnen opvragen, maar heeft zij dit nagelaten. Hierdoor is niet duidelijk geworden of het voor [minderjarige] voldoende veilig is om bij de oma te verblijven en kan [instantie 2] de opvoedsituatie van [minderjarige] niet screenen. Volgens de moeder is de oma daarnaastij een stoorzender in het herstellen van het contact met [minderjarige] en hierdoor groeien [minderjarige] en de moeder steeds meer uit elkaar. De moeder vindt dat de oma (meer) kan meebewegen in het bewerkstelligen van contactherstel. De moeder heeft daarbij de hoop dat er op korte termijn een passende school voor [minderjarige] wordt gevonden, maar zij vreest tegelijkertijd dat de oma de schoolgang van [minderjarige] tegenhoudt. De afgelopen periode is er, ondanks pogingen vanuit de moeder en de advocaat, geen contact geweest met de gecertificeerde instelling, zijn gestelde vragen onbeantwoord gebleven, en zijn er geen stappen ondernomen. De advocaat acht het van belang dat er vanuit de gecertificeerde instelling antwoorden worden gegeven en stappen worden ondernomen en daarom verzoekt de advocaat om de machtiging tot uithuisplaatsing voor een korte tijd te verlengen en het verzoek voor het overige aan te houden.
4.2.
Namens de oma is ingestemd met het verzochte. De opvoedsituatie van [minderjarige] bij de oma is voldoende veilig. De oma zet zich naar haar beste kunnen in voor [minderjarige]. Zo heeft de oma, ondanks het uitvallen van de jeugdbeschermers, een passende dagbesteding voor [minderjarige] weten te vinden. De afgelopen periode is de oma aan haar lot overgelaten en is zij in het diepe gegooid. Het is [minderjarige] wel gelukt om in gesprek te gaan en blijven met haar coach. [minderjarige] heeft zelf aangegeven op dit moment geen behoefte te hebben aan contactherstel met de moeder en geen behoefte te hebben aan (verdere) traumabehandeling. De afgelopen periode heeft de oma gepoogd om informatie te verkrijgen over de negatieve screening van [instantie 1]. Het valt de oma niet te verwijten dat (nog) niet duidelijk is waarom de oma negatief is gescreend. De advocaat van de oma heeft aangegeven (nogmaals) te proberen om de onderbouwing van de negatieve screening op te vragen bij [instantie 1]. Op dit moment is het voor [minderjarige] van belang dat er snel duidelijkheid komt of zij bij de oma kan blijven wonen. Het is dan ook belangrijk dat het verzoek wordt toegewezen zoals verzocht en dat wordt onderzocht wat nodig is voor [minderjarige] in de toekomst.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de rechtbank van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1]
5.2.
De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Er bestaan inmiddels al geruime tijd ernstige zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige]. [minderjarige] heeft haar hele leven veel instabiliteit en onrust gekend, waarbij zij is blootgesteld aan veel wisselende verblijfplaatsen en aan onveilige situaties. Mede hierdoor kampt [minderjarige] met verschillende trauma’s, hechtingsproblematiek en vertoonde zij in het verleden gedragsproblematiek. Er is daarbij sprake van een complexe familieverhouding tussen de moeder en de oma die tot gevolg heeft dat [minderjarige] (blijvend) belast wordt met spanningen. [minderjarige] en de moeder hebben op dit moment geen contact met elkaar en [minderjarige] heeft deze behoefte ook nog steeds niet. [minderjarige] staat al lange tijd onder toezicht van de gecertificeerde instelling en verblijft, na eerder op verschillende plekken te hebben verbleven, sinds augustus 2024 weer bij de oma. Tijdens de langdurige betrokkenheid van de gecertificeerde instelling hebben er meerdere wisselingen van jeugdbeschermers plaatsgevonden, waardoor [minderjarige] weinig vertrouwen heeft opgebouwd in de gecertificeerde instelling en de zorgen over [minderjarige] onvoldoende zijn weggenomen. Bij beschikking van 26 mei 2025 heeft de kinderrechter de gecertificeerde instelling de opdracht gegeven om te werken aan het opbouwen van een vertrouwensband met [minderjarige] zodat zij de benodigde stappen kon gaan zetten. Het is betreurenswaardig dat er – na het uitvallen van de vaste jeugdbeschermers, waarmee een goed contact was opgebouwd – nu opnieuw al maanden geen (vaste) jeugdbeschermer betrokken is bij [minderjarige]. De rechtbank benadrukt dat er sprake is van een schrijnende situatie, waarbij de gecertificeerde instelling tekort is geschoten richting [minderjarige].
5.3.
Ondanks de onrust en het ontbreken van de benodigde ondersteuning vanuit de gecertificeerde instelling, is het positief dat het beter lijkt te gaan met [minderjarige] bij de oma. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting constateert de rechtbank dat de veiligheid van [minderjarige] bij de oma op dit moment als ‘goed genoeg’ wordt beoordeeld. [minderjarige] heeft verder goed contact met haar coach en zij heeft momenteel een dagstructuur, inhoudende dat zij helpt bij de hondenuitlaatservice en een baan heeft bij een bloemenwinkel van de buurman, waar zij ook een opleiding tot bloemist zal gaan volgen. [minderjarige] wil heel graag bij haar oma blijven en de rechtbank ziet dat de oma zich inzet om [minderjarige] de stabiele basis te bieden die zij nodig heeft. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het in het belang is van [minderjarige] dat de plaatsing bij oma wordt voortgezet. Daarbij moet er wel aandacht blijven voor de schoolgang van [minderjarige]. De rechtbank heeft namelijk grote zorgen over de cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige], doordat zij nog steeds niet naar school gaat en weinig tot geen contact heeft met leeftijdsgenoten. De rechtbank benadrukt dat het van groot belang is dat zeer spoedig een passende school voor haar wordt gevonden en dat zij in staat wordt gesteld om een opleiding te volgen, een startkwalificatie te behalen en zich (verder) te ontwikkelen. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat ook de oma zich hiervoor zal inspannen en hier haar medewerking aan zal verlenen. Ook zal de komende tijd aandacht moeten blijven voor de mogelijkheden tot contactherstel met de moeder en de rol van de oma hierin. Gelet op haar leeftijd zal hierbij aansluiting moeten worden gezocht bij [minderjarige].
5.4.
Met het oog op de beslissingen die zullen moeten worden genomen over het (toekomst)perspectief van [minderjarige] is het volgende nog van belang. Alhoewel de rechtbank de opvoedsituatie bij de oma dus als “goed genoeg” beoordeelt blijft het van belang dat meer inzicht wordt verkregen op welke gronden [instantie 1] tot een negatieve screening van de plaatsing bij oma is gekomen. Met deze informatie kan immers verder inzichtelijk worden gemaakt wat de mogelijkheden zijn van de oma om [minderjarige] een blijvende stabiele, veilige en traumasensitieve opvoedsituatie te bieden en of en welke verdere hulpverlening hierbij noodzakelijk is. Ondanks herhaaldelijke pogingen van de gecertificeerde instelling en de oma, is er echter nog steeds geen (inhoudelijke) informatie omtrent de screening voorhanden. Het is van belang dat de oma, zoals toegezegd ter zitting door de advocaat van de oma, nogmaals de informatie over de (inhoudelijke) beoordeling van de screening bij [instantie 1] opvraagt.
5.5.
Gelet op de voorgaande overwegingen zal de rechtbank het verzoek toewijzen zoals verzocht.
5.6.
Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat de gecertificeerde instelling heeft toegelicht de komende tijd te willen onderzoeken of een overdracht naar het vrijwillig kader mogelijk is. De rechtbank benadrukt dat er sprake is van een kwetsbare situatie en dat er onduidelijkheid en spanning bestaat over de plaatsing van [minderjarige] bij de oma. Op dit moment is er daarbij geen (actieve) betrokkenheid van de gecertificeerde instelling. De rechtbank vraagt zich dan ook af of een overdracht naar het vrijwillig kader, gelet op de voornoemde zorgen, in de nabije toekomst passend en reëel is. Om een zorgvuldige overdracht naar het vrijwillig kader in de toekomst mogelijk te kunnen maken, is het noodzakelijk dat er de komende tijd een vaste jeugdbeschermer betrokken raakt en dat – in het belang van [minderjarige] – stappen worden gezet.
5.7.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 2 juni 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2025 door mr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel, mr. O.F. Bouwman en mr. T.E.F. Reijnders, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. R.M. Goossen als griffier, en op schrift gesteld op 5 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.