ECLI:NL:RBDHA:2025:24379

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
09-086526-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Jeugdstrafrecht: openlijke geweldpleging en diefstal met geweld door minderjarige

Op 18 december 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een jeugdstrafzaak tegen een minderjarige verdachte, geboren in 2010, die zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging en diefstal met geweld. De verdachte werd beschuldigd van twee keer openlijke geweldpleging tegen verschillende aangeefsters en van diefstal van make-up, voorafgegaan en gevolgd door geweld. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte op 14 maart 2025 samen met medeverdachten openlijk geweld heeft gepleegd tegen aangeefster [aangeefster 1] in een Kruidvat-winkel in Alphen aan den Rijn. De verdachte heeft geen fysieke bijdrage geleverd aan het geweld, maar heeft wel gefilmd en gelachen, wat bijdroeg aan de sfeer van ontremming. Op 13 maart 2025 heeft de verdachte samen met een medeverdachte make-up van aangeefster [aangeefster 2] gestolen, waarbij geweld is gebruikt. De rechtbank heeft de verklaringen van de aangeefsters en getuigen als geloofwaardig beoordeeld. De verdachte heeft ook op 17 april 2025 openlijk geweld gepleegd tegen aangeefster [aangeefster 3] in een McDonald's. De rechtbank heeft de verdachte schuldig bevonden aan alle tenlastegelegde feiten, maar heeft de medeverdachte vrijgesproken van de diefstal, omdat er onvoldoende bewijs was voor haar betrokkenheid. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een jeugddetentie van drie weken, met bijzondere voorwaarden, en een taakstraf van 160 uren, waarvan 80 dagen in voorarrest zijn omgezet in werkstraf. Daarnaast zijn er schadevergoedingen opgelegd aan de benadeelde partijen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummers: 09-086526-25 en 09-133755-24 (tul)
Datum uitspraak: 18 december 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaken tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] ( [land] ),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres 1] , [postcode 1] [woonplaats] ,
verblijfsadres: [adres 2] , [postcode 2] [verblijfplaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzitting van 4 december 2025.
De officier van justitie in deze zaak is mr. T. Nauta en de raadsvrouw van de verdachte is mr. N.M.H.M. den Dekker te Den Haag. De verdachte is op de terechtzitting verschenen.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.De bewijsbeslissing

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1, 2 primair en 3 tenlastegelegde.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak van het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde bepleit.
Op specifieke (bewijs)verweren van de raadsvrouw zal hierna, voor zover relevant, nader
worden ingegaan.
3.3
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in bijlage II de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.
3.4
Bewijsoverwegingen
3.4.1
Feit 1
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het openlijk geweld jegens aangeefster [aangeefster 1] op 14 maart 2025 in het Kruidvat in Alphen aan den Rijn.
De rechtbank stelt op grond van het procesdossier en het verhandelde ter zitting vast dat de verdachte op 14 maart 2025 samen met drie vriendinnen in het Kruidvat in Alphen aan den Rijn was. Aangeefster [aangeefster 1] was daar op dat moment aan het werk. Op de camerabeelden, die de rechtbank op de zitting heeft bekeken, is te zien hoe aangeefster een pad in de winkel inloopt en de medeverdachten en de verdachte achter haar aanlopen. Een van de medeverdachten loopt via de andere kant het pad in waar aangeefster inloopt, zodat aangeefster, zo ziet de rechtbank, als het ware wordt ingesloten. Vervolgens ontstaat er een woordenwisseling tussen de aangeefster en de medeverdachten. De verdachte zet een aantal stappen achteruit, maar blijft in de buurt van de medeverdachten kijken naar de woordenwisseling die wordt gevoerd. De verdachte pakt vervolgens haar telefoon en begint te filmen. Ondertussen is een andere Kruidvatmedewerker erbij gekomen, waarna de situatie escaleert. Vervolgens wordt aangeefster bij haar haren gepakt, geduwd, geslagen en geschopt. De verdachte blijft het voorval ondertussen filmen terwijl zij daarbij staat te lachen.
Uit vaste jurisprudentie volgt dat de enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt, niet zonder meer voldoende is om hem te kunnen aanmerken als iemand die in vereniging geweld pleegt. De rechtbank zal moeten beoordelen of de door de verdachte geleverde bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte geen fysieke bijdrage heeft geleverd aan de openlijke geweldpleging, maar is van oordeel dat zij door haar handelingen wel degelijk een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het openlijk geweld dat is gepleegd tegen de aangeefster. Ter zitting heeft de verdachte immers verklaard dat medeverdachte [medeverdachte] tegen haar zei dat zij moest gaan filmen, juist omdat de aangeefster dit niet wilde. De verdachte is vervolgens met haar telefoon gaan filmen. Op de camerabeelden is ook te zien dat de verdachte lachend kijkt naar de groep waar ondertussen geweldshandelingen plaatsvinden. Door aanwezig te zijn, te lachen en te filmen heeft de verdachte bijgedragen aan de sfeer van ontremming waarin anderen tot gewelddaden zijn overgegaan, en heeft zij bijgedragen aan het vernederende karakter van de gepleegde geweldshandelingen. Verder is de verdachte steeds bij de groep gebleven en heeft zij toen het geweld begon geen afstand genomen en daardoor continu de groep getalsmatig versterkt. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging jegens [aangeefster 1] .
3.4.2
Feit 2
De verdachte wordt primair verweten dat zij samen met een ander of anderen make-up producten van aangeefster [aangeefster 2] heeft weggenomen en daarbij geweld heeft gebruikt.
[aangeefster 2] heeft aangifte gedaan van geweld dat tegen haar is gepleegd door twee meisjes en van diefstal van haar make-up op 13 maart 2025. Uit de aangifte leidt de rechtbank af dat aangeefster langs een speeltuintje in Alphen aan den Rijn fietste en daar drie meisjes zag zitten. Aangeefster herkende één van de meisjes van vroeger als [naam 1] en de verdachte herkende zij van TikTok. Het derde meisje (de medeverdachte) (her)kende de aangeefster niet. De verdachte en de medeverdachte hielden aangeefster tegen door haar fiets vast te pakken. Aangeefster heeft verklaard dat het de verdachte was die de make-up van aangeefster uit haar tas pakte en deze in haar mouw stopte. Toen aangeefster zei dat zij haar spullen terug wilde en zij haar met rust moesten laten, kreeg zij een duw van de verdachte. Vervolgens werd aangeefster geslagen en geschopt door de verdachte. Vervolgens begon ook de medeverdachte haar te schoppen. Aangeefster heeft hierdoor pijn en letsel opgelopen. De aangeefster heeft na het incident de verdachte nog opgezocht op TikTok en heeft verklaard dat zij de persoon van het account [accountnaam] gelijk herkende als de verdachte, het meisje dat haar geslagen, geduwd en bestolen had.
De rechtbank vindt in het dossier steun voor de verklaring van aangeefster. Aangeefster verklaart letsel te hebben opgelopen door het slaan en schoppen door verdachte en de medeverdachte en haar verklaring wordt op dit punt ondersteund door de foto’s die als bijlage bij de aangifte zijn gevoegd. Getuige [getuige] verklaart dat hij zag dat aangeefster door twee meisjes aan haar haren werd getrokken en dat zij haar bleven trappen. De vader van aangeefster is naar aanleiding van een bericht van aangeefster naar de speeltuin gekomen. De verdachte, [naam 1] en de medeverdachte fietsten vervolgens met zijn drieën weg op één fatbike en de vader van aangeefster is achter hen aangefietst. De vader van aangeefster heeft hen ingehaald en laten stoppen, waarop de make-up is teruggegeven. Dat de vader vervolgens terugkomt met de make-up van aangeefster wordt ondersteund door de verklaring van getuige [getuige] .
De verdachte heeft verklaard dat de medeverdachte [medeverdachte] degene is geweest die de make-up heeft gepakt, maar de rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de verklaring van de aangeefster. Zij herkent de verdachte tot twee keer toe: een keer vlak voor de – kort gezegd – straatroof, en vervolgens na de straatroof als zij haar opzoekt op TikTok. De aangeefster is verder duidelijk en stellig dat het de verdachte is geweest die de make-up heeft gepakt. Haar verklaring wordt op belangrijke punten ondersteund door andere verklaringen. Uit de getuigenverklaringen volgt dat inderdaad make-up is weggepakt, en vervolgens ook (aan de vader van aangeefster) is teruggegeven. Het geweld dat is uitgeoefend op aangeefster is ten dele ook waargenomen en beschreven door getuige [getuige] , en volgt uit het waargenomen letsel op de foto’s bij de aangifte.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de verdachte degene is geweest die de make-up van aangeefster heeft weggenomen en daarbij geweld heeft toegepast.
Nauwe en bewuste samenwerking
Ook medeverdachte [medeverdachte] verklaart dat zij geweld heeft gebruikt tegen de aangeefster door haar te schoppen en te slaan. Zij verklaart echter dat zij niet wist dat er make-up van aangeefster is weggenomen. De rechtbank kan niet vaststellen dat medeverdachte [medeverdachte] op de hoogte was van de diefstal van de make-up, waarmee het oogmerk op de diefstal bij de medeverdachte ontbreekt. Dit betekent dat voor dit deel van de tenlastelegging onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken, voor zover de tenlastelegging ziet op het in vereniging plegen.
Conclusie
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal voorafgegaan en gevolgd van geweld.
3.4.3
Feit 3
De verdachte wordt ervan verdacht dat zij op 17 april 2025 tegen aangeefster [aangeefster 3] samen met anderen openlijk geweld heeft gepleegd.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte op 17 april 2025 met de medeverdachten in de McDonald’s in Alphen aan den Rijn was en dat daar een geweldsincident heeft plaatsgevonden, waarbij zij betrokken zijn geweest. De aangeefster heeft verklaard dat zij en haar vriendin boos werden aangekeken door de verdachte en medeverdachte. Toen zij vervolgens samen naar de wc gingen, kwamen de verdachte en de medeverdachte ook de wc ingelopen en begonnen zij haar uit te schelden. Op de camerabeelden, die de rechtbank op de zitting heeft bekeken, is te zien dat de aangeefster en haar vriendin weer aan tafel gaan zitten en de verdachte en medeverdachte vervolgens bij hun tafel komen staan. Te zien is dat de verdachte en aangeefster met elkaar praten. De vriendin van aangeefster heeft verklaard dat de verdachte en medeverdachte begonnen te schreeuwen en te schelden. Dat aangeefster zich zichtbaar ongemakkelijk voelt, is af te leiden uit het feit dat zij afstand tot de verdachte en medeverdachte probeert te creëren door een stukje in de tegengestelde richting op te schuiven. De verdachte leunt vervolgens met haar hand op de tafel en buigt zich richting aangeefster terwijl zij iets tegen haar zegt. Ook de medeverdachte komt dichterbij de aangeefster staan. De – naar de rechtbank begrijpt: – zus van de verdachte duwt de verdachte aan haar arm langs de aangeefster. In het voorbijgaan maakt de aangeefster een slaande beweging tegen de linkerschouder van de verdachte. Daarop volgt een geweldsexplosie vanuit de verdachte en de medeverdachte, waarbij de verdachte een hamburger tegen aangeefster gooit en met de medeverdachte aan de haren van aangeefster trekt en haar trapt en slaat tegen haar lichaam. De verdachte heeft door haar handelen een significante en wezenlijke bijdrage geleverd aan het geweld dat tegen de aangeefster is gepleegd.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het onder 3 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend is bewezen.
3.5
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
zij op 14 maart 2025 te Alphen aan den Rijn, openlijk, te weten in de Kruidvat gelegen aan de [adres 3] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [aangeefster 1] , door:
- die [aangeefster 1] in te sluiten en
- die [aangeefster 1] meermalen bij de haren vast te pakken en aan de haren te trekken en
- die [aangeefster 1] meermalen te duwen en aan haar te trekken en
- die [aangeefster 1] meermalen te slaan tegen het hoofd en de rug en
- die [aangeefster 1] te trappen tegen de buik en
- voornoemde geweldshandelingen (gedeeltelijk) te filmen;
2
zij op 13 maart 2025 te Alphen aan den Rijn, meerdere make-up producten, die aan [aangeefster 2] , toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en gevolgd van geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken
enom bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:
- de fiets van die [aangeefster 2] vast te pakken en die [aangeefster 2] tegen te houden en
- meerdere make-up producten uit de tas van die [aangeefster 2] weg te nemen en
- ( vervolgens) die [aangeefster 2] te duwen en
- die [aangeefster 2] meermalen te slaan tegen het hoofd en
- die [aangeefster 2] meermalen te schoppen tegen de rug en
- die [aangeefster 2] en aan de haren te trekken;
3
zij 17 april 2025 te Alphen aan den Rijn, openlijk, te weten in de McDonald's gelegen aan de [adres 4] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [aangeefster 3] , door:
- een hamburger tegen het hoofd van die [aangeefster 3] te gooien en
- die [aangeefster 3] meermalen te slaan tegen het hoofd, en
- die [aangeefster 3] bij de haren vast te pakken en (vervolgens) aan de haren te trekken en
- die [aangeefster 3] te trappen tegen het lichaam.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de verdachte

4.1
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen, omdat de verdachte een beroep op noodweer dan wel noodweerexces toekomt. Hiertoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de aangeefster als eerste de lichamelijke aanval opende, waartegen de verdachte zich moest verdedigen. De verdachte heeft daarbij slechts gereageerd op het onmiddellijke geweld vanuit de aangeefster.
4.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake was van een noodweersituatie. De verdachte kon zich gemakkelijk onttrekken uit de situatie door weg te lopen. Het beroep op noodweer(exces) moet daarom worden verworpen.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer vereist is dat sprake is van een aanranding, die ogenblikkelijk en wederrechtelijk is tegen eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed, waarbij het doel van de verdediging noodzakelijk en het verdedigingsmiddel geboden moet zijn.
De rechtbank is van oordeel dat zich geen noodweersituatie heeft voorgedaan waartegen de verdachte zich mocht verdedigen. De verdachte heeft samen met de medeverdachte de confrontatie met aangeefster opgezocht. Daarbij heeft de verdachte zich door haar woorden en door haar houding dreigend opgesteld richting de aangeefster. Binnen deze confrontatie heeft de aangeefster een zwaaiende of slaande beweging richting de verdachte gemaakt, waarbij zij de verdachte lijkt te hebben geraakt. Terwijl zij die zwaaiende beweging maakte, zat de aangeefster aan tafel en liep de verdachte van haar weg. De verdachte had ook na de beweging van aangeefster alle mogelijkheden om van de confrontatie weg te lopen. Zij heeft dit niet gedaan. Van een noodzaak zich te moeten verdedigen was dan ook geen sprake, zodat het beroep op noodweer alleen al daarom niet kan slagen. Daarbij komt nog dat het explosieve geweld dat de verdachte heeft gebruikt als reactie op aangeefster niet in verhouding staat tot de zwaaiende beweging die aangeefster heeft gemaakt. De verdachte heeft zich dan ook niet verdedigd, maar heeft aangevallen. Nu niet is gebleken van een noodweersituatie, kan ook het beroep op noodweerexces niet slagen. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.
Nu geen feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit of de verdachte uitsluiten, zijn het feit en de verdachte strafbaar.

5.De op te leggen straf

5.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 110 dagen, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk zal zijn aan de tijd in voorarrest doorgebracht. De officier van justitie heeft gevorderd het resterende gedeelte voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van twee jaren met bijzondere voorwaarde zoals deze door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) zijn geadviseerd.
5.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat bij de strafoplegging rekening moet worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Uit het Pro Justitia-rapport blijkt dat de verdachte kampt met verschillende problematiek en dat zij open staat voor begeleiding en verandering. De verdachte heeft meer dan tachtig dagen in voorlopige hechtenis gezeten en dit heeft zij als zeer belastend ervaren. Verzocht wordt om een voorwaardelijke taakstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden begeleiding en behandeling.
5.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit de rapportages en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feitenDe verdachte heeft zich in ruim een maand tijd schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld en twee keer openlijke geweldpleging. De verdachte heeft door haar handelen op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers, waarbij zij pijn en letsel hebben opgelopen. Hoewel de verdachte bij de openlijke geweldpleging op 14 maart 2025 geen fysieke bijdrage heeft geleverd, heeft zij door haar handelen bijgedragen aan het plegen van zinloos, intimiderend en ernstig geweld. De openlijke geweldplegingen hebben plaatsgevonden in een winkel en in een restaurant, waardoor verschillende mensen hier getuige van zijn geweest. Geweld in het openbaar draagt bij aan gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Ook heeft de verdachte door haar handelen laten zien dat zij geen respect heeft voor het eigendom van anderen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 6 november 2025. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat de verdachte in 2024 ook is veroordeeld voor openlijke geweldpleging tegen personen.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het psychologisch rapport van 12 september 2025. De deskundige schat het risico op recidive in als hoog. Uit het rapport blijkt dat bij de verdachte sprake is van een andere gespecificeerde psychotrauma- of stressgerelateerde stoornis, een oppositioneel-opstandige gedragsstoornis en een periodiek explosieve stoornis. Ook is er in het gezin sprake van een acculturatieprobleem en zijn er bij instanties grote zorgen over het functioneren van het gezin en de gezinsleden. Door haar problematiek is de verdachte onvoldoende in staat om haar grenzen adequaat aan te geven en lukt het haar onvoldoende om haar emoties in woorden uit te drukken, waardoor zij gefrustreerd raakt en boos wordt. Gelet op haar verleden, waarbij de verdachte is gevlucht vanuit [land] , staat zij in overlevingsstand. Zij is daardoor op haar hoede, gespannen en alert. De verdachte is hierdoor snel geprikkeld en wordt gemakkelijk boos. Door de periodiek explosieve stoornis schiet de verdachte door in haar boosheid. Zij verliest hierdoor de controle over haar gedrag en emoties en vertoont fysiek en verbaal agressief gedrag. Ook verkeert de verdachte door haar problematiek veelal in een geprikkelde stemming, voelt ze zich regelmatig aangevallen en legt zij de schuld van haar gedrag buiten zichzelf. Deze stoornissen waren hoogstwaarschijnlijk ook aanwezig ten tijde van de ten laste gelegde feiten. Gelet op het feit dat de verdachte een hele andere visie heeft op hoe de ten laste gelegde feiten zijn verlopen, onthoudt de deskundige zich van een advies met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte. Om het recidiverisico te verlagen en de ontwikkeling van de verdachte zo gunstig mogelijk te bevorderen wordt een ambulante behandeling geadviseerd die is gericht op het verwerken van trauma. Daarnaast wordt agressieregulatietherapie en een vaardigheidstraining met betrekking tot het aanleren van sociale vaardigheden geadviseerd. Ook is het van belang dat de verdachte onderwijs op haar niveau krijgt aangeboden. Geadviseerd wordt om deze behandelingen en begeleiding op te leggen in het kader van een voorwaardelijke jeugddetentie.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het rapport van de Raad van 28 november 2025 en de mondelinge toelichting die daarop door de deskundige ter zitting is gegeven. Daaruit volgt – kort samengevat – dat het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. Sinds maart 2025 is de voorlopige hechtenis van de verdachte meerdere keren geschorst en deze schorsingen zijn vervolgens drie keer opgeheven. Hoewel er steeds strengere voorwaarden zijn gesteld aan de schorsing van de voorlopige hechtenis, heeft dat er niet voor kunnen zorgen dat de verdachte zich aan haar voorwaarden heeft gehouden. De verdachte vertoont zelfbepalend gedrag, houdt zich niet aan haar schoolrooster en heeft verder geen andere vorm van dagbesteding of adequate vrijetijdsbesteding. In het verleden heeft de verdachte ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt die invloed hebben op haar emotieregulatie en boosheid. De ontwikkeling van de verdachte is op meerdere gebieden al langere periode gestagneerd. Tot op heden is er nog geen passende hulpverlening ingezet en zo lang dit niet wordt ingezet, blijven de zorgen groot. Het is van belang dat de verdachte structuur ervaart in zowel haar opvoedomgeving, op school als in in haar vrijetijdsbesteding. De verdachte is inmiddels aangemeld bij de Waag. De Raad vindt een voorwaardelijke jeugddetentie de meest passende strafrechtelijke reactie om als stok achter de deur te dienen. Om het delictgedrag van de verdachte te stoppen wordt toezicht en begeleiding door de jeugdreclassering nodig geacht. Om de kans op recidive zo veel mogelijk te voorkomen, worden strenge bijzondere voorwaarden geadviseerd.
De deskundige van Jeugdbescherming west heeft ter zitting naar voren gebracht dat de verdachte is aangemeld bij de Waag voor FAST-therapie. De ouders van de verdachte worden ook betrokken bij deze behandeling, maar aangezien zij hebben aangegeven geen hulpvraag te hebben, kan de behandeling niet van start gaan. Binnenkort staat er daarom een vervolggesprek gepland, waarbij ook de verdachte zal aansluiten, zodat de FAST-therapie alsnog kan worden ingezet.
Strafmodaliteit en strafmaatDe rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen. Daarin is als uitgangspunt vermeld voor openlijke geweldpleging een taakstraf van 40 uren. Voor een diefstal met geweld is als uitgangspunt opgenomen een werkstraf van 60 uren. In dit geval acht de rechtbank strafverhogend dat de verdachte in een korte periode drie geweldsfeiten heeft begaan en er sprake is van recidive. Gelet op het rapport van de psycholoog, ziet de rechtbank geen aanleiding om de verdachte de strafbare feiten in mindere mate toe te rekenen. De rechtbank houdt bij haar strafoplegging wel rekening met het feit dat de verdachte kampt met verschillende problematiek en dat het belangrijk is dat hiervoor behandeling wordt ingezet. Hoewel de verdachte een relatief lange tijd in voorarrest heeft doorgebracht, is dit deels te wijten aan haar eigen gedrag door zich niet te houden aan de schorsende voorwaarden.
Alles afwegende acht de rechtbank een werkstraf voor de duur van 160 uren, met aftrek van de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht (te weten 88 dagen, waarbij een dag geldt als twee uur werken) en een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van drie weken met een proeftijd van twee jaar passend en geboden. De voorwaardelijke jeugddetentie zal worden opgelegd, omdat de rechtbank het van belang vindt dat de straf bijdraagt aan voorkoming van nieuwe strafbare feiten en dient als motivatie voor de verdachte om mee te werken aan de benodigde hulpverlening. De rechtbank zal daaraan als bijzondere voorwaarden koppelen een meldplicht bij de jeugdreclassering, een locatiegebod met daaraan gekoppeld elektronische monitoring voor de duur van maximaal zes maanden, een locatieverbod voor Alphen aan den Rijn, het houden aan de afspraken en regels van haar zus, dan wel op de groep waar de verdachte geplaatst wordt, een behandelverplichting, het volgen van onderwijs, dan wel het hebben van een dagbesteding en meewerken aan hulpverlening van een coach.
Dadelijke uitvoerbaarheidDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die zijn gericht tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten een diefstal met geweld en twee keer openlijke geweldpleging tegen personen. Gelet op de ernst van de feiten en de rapportages van de psycholoog en de Raad, waaruit naar voren komt dat er sprake is van een hoog recidiverisico, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 77aa van dit wetboek uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
6. De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel [aangeefster 2]
, wettelijk vertegenwoordigd door [naam 2] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 5.724,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en vordert de verdachte hiertoe hoofdelijk te veroordelen. De vordering ziet op € 724,- aan materiële schade en
€ 5.000,- aan immateriële schade. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
6.1
Het standpunt van de officier van justitie
Ten aanzien van de materiële schade is niet onderbouwd waarop de gevorderde bedragen zijn gebaseerd. Gelet daarop sluit de officier van justitie aan bij het bedrag dat in de strafzaak van de medeverdachte is toegewezen aan materiële schade en concludeert derhalve tot hoofdelijke toewijzing van de vordering ten aanzien van de materiële schade tot een bedrag van € 600,-, bestaande uit € 550,- voor de schade aan de fiets en € 50,- voor de schade aan de jas. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade concludeert de officier van justitie tot hoofdelijke toewijzing tot een bedrag van € 500,-. De officier heeft daarbij betaling van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Voor het overige heeft de officier van justitie geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de vordering.
6.2
Het standpunt van de verdediging
Gelet op de verzochte vrijspraak, heeft de verdediging primair verzocht om de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel af te wijzen. Subsidiair wordt verzocht om de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, omdat deze niet is onderbouwd. De verdediging heeft geen kennis kunnen nemen van de stukken die zijn ingebracht in de strafprocedure van de medeverdachte. Daarnaast is niet onderbouwd of de ontstane schade het rechtstreekse gevolg is van de handelingen van de verdachte. Meer subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de hoogte van de vordering disproportioneel is, gelet op de ontbrekende onderbouwing.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 2 bewezenverklaarde feit. Uit het dossier volgt dat na de geweldpleging tegen de benadeelde partij een gat in haar jas zat en dat haar fiets beschadigd was. De rechtbank maakt gebruik van haar schattingsbevoegdheid naar billijkheid (zoals voortvloeit uit artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek), omdat de omvang van de geleden (materiële) schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, wegens het ontbreken van een onderbouwing. De rechtbank stelt de materiële schade vast op € 100,-, bestaande uit € 50,- aan schade aan de jas en € 50,- aan schade aan de fiets. De overige gevorderde materiële schade zal de rechtbank afwijzen.
Immateriële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 2 bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij heeft pijn, letsel en angstgevoelens opgelopen door het geweld dat jegens haar is gepleegd. Mede gelet op de bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegekend, acht de rechtbank aan immateriële schade een bedrag van € 500.- toewijsbaar. De rechtbank zal de vordering voor wat betreft de immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Totaal toegewezen
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 600,-, bestaande uit € 100,- aan materiële schade en € 500,- aan immateriële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 13 maart 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling verdachte
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Hoofdelijkheid
De rechtbank komt tot het oordeel dat de verdachte hoofdelijk aansprakelijk is voor de geleden schade, ondanks de omstandigheid dat het door de verdachte gepleegde strafbare feit, te weten de diefstal gevolgd door geweld, niet in vereniging is gepleegd. De rechtbank stelt vast dat de medeverdachte op 2 juli 2025 door de kinderrechter is veroordeeld voor openlijke geweldpleging tegen personen op 13 maart 2025. De kinderrechter heeft toen de vordering van benadeelde partij [aangeefster 2] gedeeltelijk en hoofdelijk toegewezen. De rechtbank stelt aldus vast dat dezelfde gebeurtenis op 13 maart 2025, waarbij benadeelde partij [aangeefster 2] door twee verdachten lichamelijk letsel is toegebracht, op verschillende wijze strafrechtelijk is gekwalificeerd. Dat laat onverlet dat de schade die de benadeelde partij heeft geleden, civielrechtelijk gezien wel degelijk door het onrechtmatige handelen van verdachte en de medeverdachte is toegebracht. Tegen die achtergrond ziet de rechtbank dan ook aanleiding om de verdachte hoofdelijk te veroordelen tot de te betalen schadevergoeding. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de medeverdachte een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 2 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 600,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 13 maart 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangeefster 2] .
Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
7. De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel [aangeefster 3]
, wettelijk vertegenwoordigd door [naam 3] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 800,-, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en vordert de verdachte hiertoe hoofdelijk te veroordelen. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel hoofdelijk voor toewijzing vatbaar is, vermeerderd met de wettelijke rente. De officier van justitie heeft daarbij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair verzocht de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op de bepleite ontslag van alle rechtsvervolging. Subsidiair heeft de verdediging verzocht het bedrag sterk te matigen, omdat er sprake is van eigen schuld aan de zijde van de benadeelde partij, doordat zij heeft bijgedragen aan het ontstaan van het geweld.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 3 bewezenverklaarde feit. Uit de toelichting bij de vordering volgt dat de benadeelde partij pijn en letsel heeft opgelopen door de openlijke geweldpleging. Er is bij de benadeelde partij een hersenschudding geconstateerd en zij ervaart gevoelens van onveiligheid. De benadeelde partij heeft een licht verstandelijke beperking en door deze kwetsbaarheid heeft de openlijke geweldpleging een extra grote impact gehad op haar. Hoewel de benadeelde partij een zwaaiende beweging heeft gemaakt in de richting van de verdachte, is er geen sprake van eigen schuld die moet worden meegewogen in de vaststelling van de schade. De reactie die de verdachte heeft gegeven op de zwaaiende beweging van de benadeelde partij, staat niet in verhouding met de actie van de benadeelde partij. De gedraging van de benadeelde partij valt daarbij in het niet. De rechtbank verwijst hiervoor verder naar hetgeen is overwogen onder 4.3. De rechtbank ziet in deze omstandigheden dan ook geen aanleiding voor een matiging van het te vergoeden bedrag. Gelet op het bovenstaande, zal de rechtbank de gevorderde, deugdelijk onderbouwde immateriële schade in zijn geheel (€ 800,-) toewijzen.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 17 april 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling verdachte
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 3 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 800,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 17 april 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangeefster 3] .
Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

8.De vordering tot tenuitvoerlegging

8.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op 5 november 2025 schriftelijk gevorderd dat de bij parketnummer 09-133755-24 door de kinderrechter van de rechtbank Den Haag op 30 augustus 2024 voorwaardelijke opgelegde straf, te weten een werkstraf voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen jeugddetentie, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarde. De officier van justitie concludeert ter zitting tot verlenging van de proeftijd met één jaar.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen. Subsidiair wordt verzocht te volstaan met een verlenging van de proeftijd.
8.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht termen aanwezig voor de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke deel van de opgelegde taakstraf, waartoe de verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank van 30 augustus 2024, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat zij zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten. De rechtbank vindt de tenuitvoerlegging echter niet opportuun. De verdachte zal wegens de hierna op te leggen bijzondere voorwaarden in onderhavige procedure de komende tijd hard moeten werken om tot een positieve ontwikkeling te komen en het recidiverisico te verminderen. Een uit te voeren werkstraf staat daar mogelijk aan in de weg. De rechtbank zal wel de proeftijd verlengen met een jaar.

9.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:
36f, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 141 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.5 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:
ten aanzien van feit 1:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
ten aanzien van feit 2:
diefstal, voorafgegaan en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heter daad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;
ten aanzien van feit 3:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt haar daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
straf
veroordeelt de verdachte tot:
een
jeugddetentievoor de duur van
3 (DRIE) WEKEN;
bepaalt dat deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij de hierbij op
twee jarenvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
1. zich gedurende een door de jeugdreclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht en haar medewerking verleent aan de daaruit voortvloeiende afspraken;
2. tussen 19:00 uur en 07:00 uur aanwezig is op het woon- of verblijfadres: [adres 2] , [postcode 2] te [verblijfplaats] , zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, met een maximale duur van zes maanden waarbij de veroordeelde zich onder elektronisch toezicht stelt ter nakoming van deze bijzondere voorwaarde; buiten de tijden van de avondklok mag de veroordeelde alleen met toestemming van de jeugdreclassering en onder begeleiding van een goedgekeurde volwassene het huis uit; de duur van de avondklok kan de jeugdreclassering beperken, in die zin dat de veroordeelde ’s avonds later thuis mag komen en ’s ochtends eerder van huis mag;
3. zich gedurende de proeftijd – behalve voor het reizen van en naar school en het volgen van onderwijs in Alphen aan den Rijn – niet bevindt in de gemeente Alphen aan den Rijn, zo lang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
4. zich houdt aan de afspraken met en de regels van haar zus, zolang zij daar woont, dan wel van de groep waar de veroordeelde geplaatst zal worden;
5. gedurende de proeftijd zal meewerken aan het volgen van een behandeling bij de Waag of een soortgelijke instelling, te bepalen door de jeugdreclassering en haar medewerking verleent aan de daaruit voortvloeiende afspraken;
6. gedurende de proeftijd onderwijs zal volgen en/of een andere zinvolle dagbesteding heeft en zich zal houden aan het daar geldende rooster, alles in overleg met de jeugdreclassering;
7. gedurende de proeftijd meewerkt aan de begeleiding van een coach, door de jeugdreclassering te bepalen, en zich houdt aan de afspraken die daarbij met haar worden gemaakt.
geeft opdracht aan Jeugdbescherming west te Gouda, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking zal verlenen
aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld
in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- haar medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden
toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek
van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de
jeugdreclassering, zo vaak en zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht,
daaronder begrepen.
beveelt dat de bovengenoemde voorwaarden en het – op grond van artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht – uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een
taakstraf, bestaande uit een
werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van
160 (HONDERDZESTIG) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van
80 (TACHTIG) DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (88 dagen), bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van deze werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag;
de vordering van de benadeelde partij [aangeefster 2] en de schadevergoedingsmaatregel
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk en hoofdelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij, een bedrag van € 600,-, bestaande uit € 100,- aan materiële schade en
€ 500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 13 maart 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;
bepaalt dat verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde, voor zover dit betrekking heeft op de overige materiële schade;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte hoofdelijk samen met haar mededader de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 600,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 maart 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door haar mededader, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
de vordering van de benadeelde partij [aangeefster 3] en de schadevergoedingsmaatregel
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij hoofdelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij, een bedrag van € 800,-, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 17 april 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;
bepaalt dat verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte hoofdelijk samen met haar mededader de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 800,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 april 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door haar mededader, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
de vordering tenuitvoerlegging 09-133755-24
verlengt de proeftijd voor de duur van één jaar
het bevel tot voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter, voorzitter,
mr. R. Zeijst-Repelaer van Driel, kinderrechter,
en mr. T.E.F. Reijnders, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.B.M.A. Roozen, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 december 2025.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1
zij, op of omstreeks 14 maart 2025 te Alphen aan den Rijn, openlijk, te weten in de Kruidvat gelegen aan de [adres 3] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [aangeefster 1] , door:
- die [aangeefster 1] in te sluiten en/of
- die [aangeefster 1] meermalen bij de haren vast te pakken en/of aan de haren te trekken en/of
- die [aangeefster 1] meermalen te duwen en/of aan haar te trekken en/of
- die [aangeefster 1] meermalen te slaan tegen het hoofd en/of de rug, althans tegen het lichaam en/of
- die [aangeefster 1] te trappen tegen de buik, althans tegen het lichaam en/of
- voornoemde geweldshandelingen (al dan niet gedeeltelijk) te filmen;
2
zij, op of omstreeks 13 maart 2025 te Alphen aan den Rijn,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meerdere make-up producten, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangeefster 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangeefster 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op
heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:
- de fiets van die [aangeefster 2] vast te pakken en/of die [aangeefster 2] tegen te houden en/of
- een of meerdere make-up producten uit de tas van die [aangeefster 2] weg te nemen en/of
- ( vervolgens) die [aangeefster 2] te duwen en/of
- die [aangeefster 2] meermalen te slaan tegen het hoofd, althans tegen het lichaam en/of
- die [aangeefster 2] meermalen te schoppen tegen het linker bovenbeen en/of de rug en/of de handen, althans tegen het lichaam en/of
- die [aangeefster 2] bij de haren vast te pakken en/of aan de haren te trekken;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 13 maart 2025 te Alphen aan den Rijn, openlijk, te weten op of aan de Schelhorst, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [aangeefster 2] , door:
- de fiets van die [aangeefster 2] vast te pakken en/of die [aangeefster 2] tegen te houden en/of
- ( vervolgens) die [aangeefster 2] te duwen en/of
- die [aangeefster 2] meermalen te slaan tegen het hoofd, althans tegen het lichaam en/of
- die [aangeefster 2] meermalen te schoppen tegen het linker bovenbeen en/of de rug en/of de handen, althans tegen het lichaam en/of
- die [aangeefster 2] bij de haren vast te pakken en/of aan de haren te trekken en/of
- voornoemde geweldshandelingen (al dan niet gedeeltelijk) te filmen;
3
zij, op of omstreeks 17 april 2025 te Alphen aan den Rijn, openlijk, te weten in de McDonald's gelegen aan de [adres 4] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [aangeefster 3] , door:
- een hamburger tegen het hoofd van die [aangeefster 3] te gooien en/of
- die [aangeefster 3] meermalen te slaan tegen het hoofd, althans tegen het lichaam en/of
- die [aangeefster 3] bij de haren vast te pakken en/of (vervolgens) aan de haren te trekken en/of
- die [aangeefster 3] te trappen tegen het lichaam.