Eiseres maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om haar Ziektewet-uitkering per 6 maart 2025 te beëindigen. Nadat het UWV niet tijdig op het bezwaar had beslist, stelde eiseres beroep in bij de rechtbank Den Haag wegens het uitblijven van een beslissing. De rechtbank constateerde dat het UWV de beslistermijn had overschreden en dat de zaak een bijzonder geval betrof vanwege het benodigde medisch advies van een verzekeringsarts.
De rechtbank verwees naar eerdere uitspraken waarin is bepaald dat het UWV in dit soort zaken een termijn van zes weken krijgt om de medische beoordeling te verrichten, gevolgd door drie weken om een besluit te nemen, in totaal maximaal negen weken na de uitspraak. Omdat het UWV niet kon aangeven wanneer de medische beoordeling zou plaatsvinden, stelde de rechtbank deze termijn onverkort vast.
De rechtbank legde het UWV op binnen negen weken na verzending van de uitspraak alsnog een beslissing te nemen en stelde een dwangsom van €100 per dag vast voor elke dag dat het UWV deze termijn overschrijdt, met een maximum van €15.000. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten aan eiseres. De uitspraak werd gedaan zonder zitting wegens kennelijke gegrondheid van het beroep.