5.1.Het Uwv heeft niet nader onderbouwd of toegelicht waarom de omstandigheden omtrent de werkdruk van dien aard zijn dat de rechtbank zou moeten afwijken van de beslistermijn die zij in haar uitspraken van 31 maart 2025 heeft bepaald. In die uitspraken woog de rechtbank immers ook de omstandigheid van het artsentekort mee.De rechtbank ziet dus geen aanleiding om af te wijken van de hierboven beschreven beslistermijnen.
6. Het Uwv stelt in het verweerschrift dat nog niet kan worden aangegeven binnen welke termijn een besluit kan worden genomen. Het is de rechtbank dus niet gebleken dat bekend is wanneer de medische beoordeling zal plaatsvinden. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.
7. Eiser heeft de rechtbank verzocht om een gerechtelijke dwangsom op te leggen van € 100,- per dag. De rechtbank stelt vast dat deze dwangsom in overeenstemming is met het landelijke beleid van de rechtbanken hierover. De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit dossier van dit beleid af te wijken. De rechtbank zal bepalen dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de hierboven genoemde beslistermijn van negen weken door hem wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
8. Eiser heeft de rechtbank tevens verzocht het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de geleden schade, tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand en het griffierecht en tot vergoeding van de kosten van de ingeschakelde deskundige(n).
9. Uit de dossierstukken blijkt echter niet welke concrete schade is geleden noch welke specifieke kosten voor een ingeschakelde deskundige(n) zijn gemaakt. Voor vergoeding van geleden schade en kosten van een ingeschakelde deskundige(n) bestaat derhalve geen aanleiding.
10. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.
11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 0,5).