ECLI:NL:RBDHA:2025:24313

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 november 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
NL25.47173 T
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak inzake asielaanvraag van Venezolaanse eiser met problemen met autoriteiten en criminele groepering

In deze tussenuitspraak beoordeelt de Rechtbank Den Haag het beroep van een Venezolaanse eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 15 september 2025 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel, die door de minister van Asiel en Migratie op 28 september 2025 als kennelijk ongegrond is afgewezen. De rechtbank heeft het beroep en een verzoek om een voorlopige voorziening op 30 oktober 2025 behandeld. Eiser stelt dat hij vreest voor vervolging door de Venezolaanse autoriteiten en de criminele groepering Tren de Aragua, die hem bedreigen vanwege zijn deelname aan protesten en zijn zichtbare tatoeages. De rechtbank constateert dat verweerder de door eiser overgelegde documenten niet heeft vertaald, wat in strijd is met de zorgvuldigheids- en motiveringsbeginselen. De rechtbank geeft verweerder de gelegenheid om dit gebrek te herstellen door de documenten te vertalen en een nieuwe motivering te geven. De rechtbank houdt verdere beslissingen aan tot de einduitspraak op het beroep.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.47173 T

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. W.N. van der Voet),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. A. de Graaf).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
1.1.
Eiser heeft op 15 september 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 28 september 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond [1] . Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank. Ook heeft eiser een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (NL25.47174).
1.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op
30 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
De eerdere procedure
2. Eiser heeft de Venezolaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1996. Op 12 september 2024 heeft hij zijn eerste asielaanvraag in Nederland ingediend. Deze aanvraag is door verweerder op 3 juni 2025 buiten behandeling gesteld omdat eiser op
1 januari 2025 met onbekende bestemming was vertrokken. In februari 2025 heeft eiser bericht de aanvraag in te willen trekken. Verweerder heeft aan eiser ook een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar opgelegd. [2]
Het asielrelaas
3. Op 15 september 2025 heeft hij de huidige, tweede, asielaanvraag ingediend. Hieraan heeft hij – kort samengevat – ten grondslag gelegd dat hij vreest voor de Venezolaanse autoriteiten vanwege zijn deelname aan protesten. Hij heeft om die reden in 2019 Venezuela verlaten. Na zijn verblijf in verschillende Latijns-Amerikaanse landen is hij, op advies van zijn partner die hij daar heeft leren kennen, teruggegaan naar Venezuela om zijn documenten in orde te maken. Eiser merkte toen dat de autoriteiten hem nog steeds lastigvielen, mede vanwege zijn zichtbare tatoeages. Hij is vervolgens naar Nederland gereisd om zijn partner te bezoeken. Ook zijn recente bedreigingen van de criminele groepering Tren de Aragua gericht aan eisers moeder en broer reden geweest voor eiser om asiel aan te vragen. Deze bedreigingen houden volgens eiser verband met het vermoeden dat eiser over financiële middelen beschikt omdat hij tatoeëerder is en een Europese partner heeft. De groepering eist geld. Bij terugkeer naar Venezuela vreest eiser voor de autoriteiten en vreest hij door de Tren de Aragua gedood te worden.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bestaat volgens verweerder uit de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
problemen met de Venezolaanse autoriteiten; en
problemen met de Tren de Aragua.
4.1.
Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Dat eiser problemen heeft met de Venezolaanse autoriteiten en met de Tren de Aragua vindt verweerder niet geloofwaardig. Eiser heeft volgens verweerder onvoldoende documenten overgelegd die de problemen met de Tren de Aragua onderbouwen en hij heeft daar geen goede verklaring voor. [3] Ook vormen de verklaringen van eiser over zowel de problemen met de Venezolaanse autoriteiten als ook over de problemen met de Tren de Aragua geen samenhangend en aannemelijk geheel. [4] Verder heeft eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend en hij heeft ook daar geen goede verklaring voor [5] . Verweerder vindt dat eiser mede op basis van bovenstaande en het feit dat hij zijn eerdere aanvraag heeft ingetrokken niet in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd. [6] Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij voor wat betreft het geloofwaardig geachte asielmotief een vrees voor vervolging heeft [7] of een reëel risico op ernstige schade loopt [8] bij terugkeer naar Venezuela. Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat het een opvolgende aanvraag is, die niet niet-ontvankelijk is [9] .
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Hij verzoekt allereerst om dat wat hij eerder in de procedure naar voren heeft gebracht als herhaald en ingelast te beschouwen. Ten onrechte legt verweerder de bewijslat voor eiser te hoog. Met de overgelegde aangiften, waarin ook staat wie deze heeft opgenomen, heeft eiser een begin van bewijs geleverd dat de Tren de Aragua het op hem gemunt heeft. Daarnaast is het wel aannemelijk dat eiser bij de autoriteiten bekend is vanwege zijn deelname aan demonstraties. Verweerder is ten onrechte niet ingegaan op de door eiser overgelegde stukken over zijn tatoeages, de banden tussen de Venezolaanse autoriteiten en de Tren de Aragua, zijn mishandelingen, het gebruik van steekpenningen en de noodzaak voor eiser om illegaal buiten Venezuela te verblijven. Verder onderstreept het grote aantal mishandelingen de negatieve belangstelling van de Venezolaanse autoriteiten voor eiser. Tot slot heeft eiser zijn relatie met een Europese vrouw wel aannemelijk gemaakt en is het in Venezuela niet vreemd dat hij vanwege een relatie met iemand uit Europa financieel werd afgeperst.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. Ter zitting heeft de rechtbank aan de orde gesteld dat zij geen kennis kan nemen van de door eiser overgelegde stukken omdat een vertaling ontbreekt. In deze tussenuitspraak komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder de door eiser overgelegde documenten onvoldoende zorgvuldig heeft onderzocht en het besluit op dit punt onvoldoende gemotiveerd heeft. De rechtbank stelt verweerder in de gelegenheid om dit gebrek te herstellen. Hieronder legt de rechtbank haar oordeel uit.
7. Ter onderbouwing van de door eiser gestelde problemen met Tren de Aragua heeft hij bij zijn zienswijze een aantal documenten overgelegd. Twee van deze documenten zijn volgens eiser aangiften van afpersing die door zijn moeder zijn gedaan. Over de aangifte door zijn moeder heeft eiser ook tijdens het nader gehoor verklaard [10] . Verweerder heeft in het bestreden besluit tegengeworpen dat deze stukken niet verifieerbaar zijn, niet door de autoriteiten zijn geregistreerd en geen verifieerbare informatie bevatten over gestelde daders of incidenten. Volgens verweerder vormen de documenten daarom geen voldoende objectief bewijs van een persoonlijke bedreiging en hebben de stukken onvoldoende bewijskracht om eisers verklaringen aannemelijk te maken [11] . Ter zitting heeft verweerder daaraan toegevoegd dat de documenten ook niet zijn vertaald, waardoor zij slechts beperkte bewijswaarde hebben. Eiser heeft gesteld dat deze stukken zijn asielrelaas voldoende ondersteunen en dat de verantwoordelijkheid voor de vertaling bij verweerder ligt.
7.1.
De rechtbank is met eiser van oordeel dat het besluit op dit punt onzorgvuldig is nu uit Werkinstructie 2024/5 volgt dat verweerder zorg had moeten dragen voor een vertaling van de overgelegde stukken [12] . Zonder kennis van de inhoud van de stukken kan het standpunt dat zij geen voldoende objectief bewijs van een persoonlijke bedreiging vormen en zij onvoldoende bewijskracht hebben om eisers verklaringen aannemelijk te maken, niet worden gevolgd. De inhoud van de stukken had kenbaar betrokken moeten worden bij de beoordeling van de waarde die deze stukken zouden kunnen hebben ter ondersteuning van eisers verklaringen. Nu verweerder heeft nagelaten de gestelde aangiften te vertalen en daarmee onvoldoende gemotiveerd heeft welke bewijswaarde aan de documenten toekomt, constateert de rechtbank dat er sprake is van een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek. Met het standpunt van verweerder ter zitting is dit gebrek niet weggenomen. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om dit gebrek te passeren [13] . Het bestreden besluit is op dit onderdeel dan ook in strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel.
7.2.
De beoordeling van de geloofwaardigheid van de problemen met de Tren de Aragua werkt mogelijk door in de beoordeling van de problemen met de autoriteiten en daarmee ook in de beoordeling van de risico’s bij terugkeer, gelet op de door gestelde banden tussen de Venezolaanse autoriteiten en de Tren de Aragua. Gelet op deze samenhang zullen de overige beroepsgronden op dit moment onbesproken blijven.

Conclusie en gevolgen

8. Zoals hiervoor is overwogen onder r.o. 7.1. is het bestreden besluit in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak.
9. De rechtbank ziet in het belang van een spoedige beëindiging van het geschil in dit geval aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:51a van de Awb. Dat betekent dat verweerder in de gelegenheid wordt gesteld om het geconstateerde gebrek onder r.o. 7.1. te herstellen. Dat herstellen kan met een aanvullende motivering of, voor zover nodig, met een nieuw besluit, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen, moet verweerder een vertaling overleggen van de door eiser overgelegde gestelde aangiften en motiveren wat het standpunt van verweerder is ten aanzien van de inhoud daarvan. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder de gebreken kan herstellen op vier weken na plaatsing van deze tussenuitspraak in het digitale dossier.
10. Nu gedingstuk 64 kennelijk WhatsApp berichten bevat waar eiser ook een beroep op heeft gedaan, wordt verweerder verzocht ook deze berichten te laten vertalen en te motiveren wat zijn standpunt ten aanzien van de inhoud daarvan is.
11. Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om onnodige vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, aan de rechtbank mededelen of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
12. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. [14]
13. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over het verzoek om een voorlopige voorziening, de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
  • draagt verweerder op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
  • stelt verweerder in de gelegenheid om binnen vier weken na plaatsing van deze tussenuitspraak in het digitale dossier het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
  • houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.C. Bakx, griffier.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw.
2.Op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
3.Op grond van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b van de Vw.
4.Op grond van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c van de Vw.
5.Op grond van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d van de Vw.
6.Op grond van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder e van de Vw.
7.Op grond van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
8.Op grond van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
9.Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g van de Vw.
10.Verslag van het nader gehoor van 24 september 2025, p. 5
11.Bestreden besluit van 28 september 2025, p. 2.
12.Werkinstructie (WI) 2024/5 ‘(Samen)werken met een tolk’, p. 8.
13.Met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.
14.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2877.