ECLI:NL:RBDHA:2025:24310
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardige identiteit en bekering
Eiser, een Pakistaanse staatsburger, vroeg asiel aan vanwege zijn bekering van het soennisme tot het sjiisme en de daaruit voortvloeiende problemen met zijn dorpsgenoten. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond, omdat eiser onvoldoende geloofwaardige documenten over zijn identiteit en bekering had overgelegd en zijn verhaal onvoldoende samenhangend was.
De rechtbank behandelde het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening. Eiser voerde aan dat hij met originele documenten zijn identiteit had aangetoond en dat de geloofwaardigheidsbeoordeling niet integraal was uitgevoerd. Ook stelde hij dat hij vanwege zijn bekering een reëel risico op vervolging loopt.
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling had gemaakt, waarbij de identiteit en bekering van eiser niet geloofwaardig werden bevonden. De verklaringen van eiser waren oppervlakkig en onvoldoende onderbouwd, en het overleggen van documenten was terecht zwaar meegewogen. De afwijzing als kennelijk ongegrond was daarom gerechtvaardigd.
De rechtbank wees het beroep af en verwierp het verzoek om een voorlopige voorziening. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak kan worden bestreden bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond wegens ongeloofwaardige identiteit en bekering.