ECLI:NL:RBDHA:2025:24306

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
NL:TZ:2502546:R-RK en NL:TZ:2502555:R-RK
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing van een verzoek tot oplegging van een dwangakkoord in een schuldregeling

Op 18 december 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak waarin de heer [naam 1] verzocht om een dwangakkoord op te leggen aan zijn schuldeisers. De heer [naam 1] bevindt zich in een problematische schuldensituatie met een totale schuldenlast van € 106.836,81 aan acht schuldeisers. Hij heeft een voorstel gedaan aan zijn schuldeisers, waarbij een deel van de vordering wordt voldaan en het resterende deel wordt kwijtgescholden. Echter, niet alle schuldeisers hebben ingestemd met dit voorstel, wat de aanleiding vormde voor het verzoek aan de rechtbank om het akkoord dwingend op te leggen. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen, omdat het voorstel niet het maximaal haalbare was. De rechtbank oordeelde dat de heer [naam 1] zich niet maximaal heeft ingespannen om een beter voorstel te doen, aangezien hij gedurende het minnelijk traject niet heeft gesolliciteerd of gewerkt. De rechtbank heeft vastgesteld dat de schuldbemiddeling correct is uitgevoerd door de gemeente Den Haag, maar dat de belangenafweging niet in het voordeel van de heer [naam 1] uitviel. De rechtbank concludeerde dat de weigering van de schuldeisers om in te stemmen met de regeling niet onredelijk was, gezien het feit dat hun vorderingen een aanzienlijk deel van de totale schuldenlast uitmaakten. De rechtbank heeft ook aangegeven dat het verzoek om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) in een apart vonnis zal worden behandeld.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANKDEN HAAG
Team Insolventies
rekestnummers: NL:TZ:2502546:R-RK en NL:TZ:2502555:R-RK
vonnis van 18 december 2025
in de zaak van
[naam 1]
geboren op [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna: de heer [naam 1] ,
tegen
[naam 2] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna: mevrouw [naam 2] ,
[naam 3] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna: de heer [naam 3] ,
[naam 4] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna: mevrouw [naam 4] ,
Hierna gezamenlijk: verweerders.
Waar deze zaak over gaat
De heer [naam 1] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Hij heeft een voorstel gedaan aan zijn schuldeisers, waarbij een deel van de vordering wordt voldaan en het resterende deel door de schuldeisers wordt kwijtgescholden. Omdat niet alle schuldeisers met dit voorstel hebben ingestemd, heeft de heer [naam 1] de rechtbank verzocht het aangeboden akkoord dwingend op te leggen. Dit verzoek wordt door de rechtbank afgewezen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.

1.De feiten waar de rechtbank van uit gaat

1.1.
De heer [naam 1] heeft de afgelopen jaren een schuldenlast opgebouwd van € 106.836,81 aan acht schuldeisers. Het is hem niet gelukt om zelf een oplossing te vinden voor deze schulden. Met behulp van de gemeente Den Haag heeft hij voor het laatst op 2 juli 2025 een schuldregeling aangeboden (nulaanbod met uitdeling van vermogen). Dit voorstel houdt in dat aan de schuldeisers met een recht van voorrang een uitkering ineens wordt aangeboden van 2,79 % en aan de gewone schuldeisers een uitkering ineens van 1,39 %, tegen kwijtschelding van het restant van hun vorderingen.
1.2.
Mevrouw [naam 2] is niet akkoord gegaan met dit voorstel. De heer [naam 1] heeft een schuld aan mevrouw [naam 2] van € 60.027,11, dat is 56,2 % van de totale schuldenlast.
1.3.
De heer [naam 3] is ook niet akkoord gegaan met dit voorstel. De heer [naam 1] heeft een schuld aan de heer [naam 3] van € 5.622,33, dat is 5,26 % van de totale schuldenlast.
1.4.
Mevrouw [naam 4] is ook niet akkoord gegaan met dit voorstel. De heer [naam 1] heeft een schuld aan mevrouw [naam 4] van € 5.133,30, dat is 4,8 % van de totale schuldenlast.
1.5.
Om tot een oplossing voor zijn schulden te komen heeft de heer [naam 1] bij de rechtbank twee verzoeken ingediend. In de eerste plaats wil hij dat de rechtbank verweerders dwingt mee te werken aan de schuldregeling (een dwangakkoord oplegt). Wanneer de rechtbank dit verzoek afwijst, wil hij worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP).
1.6.
De rechtbank heeft bepaald 18 december 2025 uitspraak te doen.

2.De procedure

2.1.
De verzoeken van de heer [naam 1] zijn behandeld op de zitting van 15 december 2025. Op deze zitting verschenen:
- de heer [naam 1] ,
- [naam 5] , schuldhulpverlener van de gemeente Den Haag,
- [naam 6] , beschermingsbewindvoerder, vergezeld door [naam 7] , assistent-beschermingsbewindvoerder.
2.2.
Verweerders zijn opgeroepen, maar niet op de zitting verschenen.

3.Standpunten van partijen

3.1.
De heer [naam 1] stelt dat het onredelijk is dat verweerders het aanbod niet aanvaarden. Volgens hem heeft hij al het mogelijke gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden en kan hij niet meer aanbieden dan hij heeft gedaan.
3.2.
Mevrouw [naam 2] stemt niet in met de aangeboden schuldregeling, omdat het niet het maximaal haalbare is. Zo wordt betwist dat de gezondheidsklachten van de heer [naam 1] dermate ernstig zijn dat dit tot (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid leidt en moet de heer [naam 1] in staat worden geacht (meer) te kunnen werken, zodat hij meer inkomsten kan genereren voor zijn schuldeisers.
3.3.
De heer [naam 3] stemt, kort samengevat, niet in met de aangeboden schuldregeling, omdat de aangeboden regeling niet in verhouding staat tot de omvang van de vordering. Het voelt onrechtvaardig om (nu) afstand te moeten doen van een aanzienlijk deel van de vordering. Ook wordt de voorkeur uitgesproken voor een wettelijke schuldsaneringsregeling in plaats van een buitengerechtelijke regeling.
3.4.
Mevrouw [naam 4] stemt, naar lezing van de rechtbank en kort samengevat, niet in met de aangeboden schuldregeling, omdat de aangeboden regeling niet het maximaal haalbare is.
3.5.
Op de standpunten van de heer [naam 1] en verweerders wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling van de verzoeken

4.1.
De rechtbank zal het verzoek van de heer [naam 1] om een dwangakkoord op te leggen afwijzen. Hieronder wordt dit oordeel toegelicht.
Het beoordelingskader van een verzoek tot oplegging van een dwangakkoord
4.2.
Een verzoek tot oplegging van een dwangakkoord kan worden toegewezen als aan twee voorwaarden is voldaan. Ten eerste moet de rechtbank vaststellen dat de schuldbemiddeling op de juiste wijze is uitgevoerd door een daartoe bevoegde instantie. Ten tweede moet de rechtbank aan de hand van een belangenafweging vaststellen dat het onredelijk is dat verweerders weigeren in te stemmen met de aangeboden schuldregeling.
De schuldbemiddeling moet zijn uitgevoerd door een bevoegde instantie
4.3.
De rechtbank stelt vast dat de schuldbemiddeling is uitgevoerd door de gemeente Den Haag. Dat betekent dat wordt voldaan aan de door wet gestelde voorwaarde(n), namelijk dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij. Het voorstel is naar het oordeel van de rechtbank bovendien goed en controleerbaar gedocumenteerd.
De rechtbank moet een belangenafweging maken
4.4.
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser vrijstaat om te verlangen dat zijn vordering volledig wordt betaald. Tegelijkertijd is het belangrijk dat mensen met problematische schulden zicht hebben op een schuldenvrije toekomst. De wetgever biedt daar verschillende regelingen voor, waarbij mensen met schulden zich maximaal moeten inspannen om zo veel mogelijk af te lossen en daarna schuldenvrij verder kunnen. Schuldeisers moeten dan vaak wel afstand doen (van een (groot) deel) van hun vordering. Daarom kunnen schuldeisers alleen onder bijzondere omstandigheden gedwongen worden om in te stemmen met een aangeboden schuldregeling.
4.5.
De rechtbank kan een zogenaamd ‘dwangakkoord’ opleggen wanneer de weigering van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden onredelijk is. Om te kunnen beoordelen of dat het geval is, moet de rechtbank de belangen van alle betrokkenen afwegen: van de heer [naam 1] zelf, van de weigerende schuldeisers en van de schuldeisers die wél hebben ingestemd. Op basis van die belangenafweging is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat een dwangakkoord hier niet op zijn plaats is.
De heer [naam 1] heeft niet het maximaal haalbare voorstel gedaan
4.6.
Het voorstel dat de heer [naam 1] aan zijn schuldeisers heeft gedaan is niet het maximaal haalbare. Er is een nulaanbod (met uitkering van vermogen) aangeboden, terwijl uit het Sociaal Medisch Advies van Calder Werkt van 26 februari 2025 blijkt dat de heer [naam 1] voor 24 tot 32 uur per week (met beperkingen) kan werken. Daarbij komt dat zelfs als wel een prognoseakkoord zou zijn aangeboden, de heer [naam 1] gedurende het minnelijk traject ook niet (aanvullend) heeft gesolliciteerd of gewerkt, zodat hij zich ook niet maximaal heeft ingespannen om een maximaal haalbaar voorstel te doen.
Het is niet onredelijk dat verweerders hebben geweigerd met de schuldregeling in te stemmen
4.7.
De vorderingen van verweerders bedragen met 66,26% het merendeel van de totale schuldenlast. Dat brengt mee dat niet snel kan worden geoordeeld dat het onredelijk is dat verweerders hebben geweigerd met de schuldregeling in te stemmen. In dit geval is, zoals hiervoor onder 4.6. is overwogen, van belang dat het voorstel niet het maximaal haalbare is.
Op het WSNP-verzoek wordt in een apart vonnis beslist
4.8.
De heer [naam 1] heeft op de zitting laten weten het verzoek om te worden toegelaten tot WSNP te handhaven als het verzoek tot het opleggen van een dwangakkoord wordt afgewezen. De rechtbank zal op dat verzoek in een apart vonnis beslissen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek tot het opleggen van een dwangakkoord af.
Dit is een beslissing van mr. N.E.M. de Coninck, rechter, in samenwerking met
C.R. Cortenbach-van der Lek, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2025.
Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan verzoeker gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen. Dat kan door een advocaat een verzoekschrift in te laten dienen bij de griffie van het gerechtshof in Den Haag. Dit kan alleen indien het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ook door de rechtbank is afgewezen en verzoeker tegelijk hoger beroep instelt tegen die afwijzing (art. 292 lid 3 Fw).