ECLI:NL:RBDHA:2025:24304

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
09.842308.18
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens gewoontewitwassen, medeplegen van oplichting en diefstal met valse sleutel

Op 17 december 2025 heeft de Rechtbank Den Haag een vonnis gewezen in de zaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van gewoontewitwassen, medeplegen van oplichting en diefstal met valse sleutel. De verdachte, geboren in 1999, werd beschuldigd van betrokkenheid bij een serie oplichtingen en identiteitsfraude die plaatsvonden tussen januari 2018 en oktober 2018. Het onderzoek, genaamd Leymus, onthulde een gestructureerde modus operandi waarbij de verdachte en zijn medeverdachten zich voordeden als bonafide kopers op platforms zoals Marktplaats. Ze gebruikten valse identiteiten en ontfutselden bankgegevens van slachtoffers om geldbedragen over te maken naar hun eigen rekeningen. De rechtbank oordeelde dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan gewoontewitwassen, medeplegen van oplichting en diefstal met valse sleutel, maar sprak hem vrij van identiteitsfraude en computervredebreuk. De rechtbank legde een gevangenisstraf op van 106 dagen, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn en de rol van de verdachte in het geheel. Daarnaast werden er vorderingen tot schadevergoeding van benadeelde partijen behandeld, waarbij de rechtbank bepaalde dat de verdachte hoofdelijk aansprakelijk was voor de schade die hij had veroorzaakt.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/842308-18
Datum uitspraak: 17 december 2025
Tegenspraak
Verkort vonnis
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] , [postcode 1] [woonplaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 3 december 2025 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. B.R. Koenders en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. S.L.J. Swart naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, die is gewijzigd op de terechtzitting van 9 april 2024. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdachte wordt er – kort gezegd – van verdacht zich schuldig te hebben gemaakt aan het medeplegen van:
1) identiteitsfraude, meermalen gepleegd;
2) computervredebreuk, meermalen gepleegd;
3) oplichting, meermalen gepleegd;
4) gewoontewitwassen;
5) oplichting, meermalen gepleegd;
6) diefstal met valse sleutel, meermalen gepleegd.

3.Inleiding

Vanaf 6 januari 2018 zijn er meerdere aangiftes van identiteitsfraude en fraude met betaalproducten binnengekomen bij de politie. Naar aanleiding hiervan werd op 1 mei 2018 het onderzoek Leymus gestart. Dit betreft een onderzoek naar oplichtingspraktijken. In het procesdossier van onderzoek Leymus bevinden zich aangiftes van een groot aantal slachtoffers. Uit het onderzoek komt volgens de politie een beeld naar voren waarbij telkens door middel van listige kunstgrepen toegang is verkregen tot de bankrekeningen van de slachtoffers en/of gebruik is gemaakt van hun identiteitsgegevens. Van sommige slachtoffers zijn de identiteitsgegevens gebruikt; bij anderen zijn bedragen van hun bankrekening afgeschreven. Met deze geldbedragen werden in veel gevallen weer andere goederen gekocht.
Het onderzoek Leymus is te onderscheiden in vijftien pleegperiodes, die elkaar grotendeels opvolgen. Ieder zaaksdossier heeft betrekking op een van die periodes, en per zaaksdossier is telkens één valse identiteit (van een van de slachtoffers) gebruikt:
Zaaksdossier periode van tot gebruikte valse identiteit
1: 6 januari 2018 3 februari 2018 [identiteit 1]
2: 12 februari 2018 18 mei 2018 [identiteit 2]
3: 19 mei 2018 25 mei 2018 [identiteit 3]
4: 27 mei 2018 12 juni 2018 [identiteit 4]
5: 15 juni 2018 28 juni 2018 [identiteit 5]
6: 20 juli 2018 31 juli 2018 [identiteit 6]
7: 6 augustus 2018 17 augustus 2018 [identiteit 7]
8: 11 september 2018 24 september 2018 [identiteit 8]
9: 10 september 2018 19 september 2018 [identiteit 9]
10: 11 oktober 2018 12 oktober 2018 [identiteit 10]
11: 15 oktober 2018 18 oktober 2018 [identiteit 11]
12: 27 mei 2018 16 augustus 2018 [identiteit 12]
13: 15 oktober 2018 26 oktober 2018 [identiteit 13]
14: 29 oktober 2018 30 oktober 2018 [identiteit 14]
15: 4 september 2018 7 september 2018 [identiteit 15]
In het onderzoek Leymus zijn verschillende personen als verdachte naar voren gekomen, die elk een rol – of verschillende rollen – zouden hebben vervuld bij het plegen van de strafbare feiten die in onderzoek Leymus naar voren zijn gekomen. De verdachte wordt verdacht van betrokkenheid bij – een deel van – de strafbare feiten die blijken uit de zaaksdossiers 5 tot en met 10, 13 en 15.

4.Standpunt van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde en tot bewezenverklaring van het onder 4, 5 en 6 tenlastegelegde, waarbij de verdachte moet worden vrijgesproken van betrokkenheid bij een deel van de zaken op de tenlastelegging.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 105 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest.
De verdediging heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde en dat het onder 4, 5 en 6 tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard, waarbij de verdachte moet worden vrijgesproken van betrokkenheid bij een deel van de zaken.
De verdediging heeft verzocht te volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest

5.Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen
De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel met een opgave daarvan, zal dit plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.
Bewijsoverwegingen
Modus Operandi
De rechtbank stelt vast dat de verdachten in onderzoek Leymus zich telkens schuldig hebben gemaakt aan (in grote lijnen) hetzelfde samenstel van strafbare feiten. De specifieke werkwijze zoals die uit het dossier volgt, laat zich als volgt samenvatten:
A. de “voorkant”
Stap 1: bemachtigen valse identiteit
Om de volgende stappen te kunnen zetten, hebben de verdachten telkens slachtoffers benaderd onder een valse identiteit. Dit gebeurde met behulp van identiteitsgegevens van een persoon die eerder was benaderd op een gelijkaardige manier als in stap 2 (zie hierna).
De valse identiteit werd meermaals gebruikt; ieder zaaksdossier bevat meerdere gevallen van oplichting, waarbij in elk van de gevallen de slachtoffers zijn benaderd met dezelfde valse identiteit. (In een ander zaaksdossier werd telkens een andere valse identiteit gebruikt.)
Stap 2: bemachtigen bankgegevens, inloggen in bankomgeving slachtoffer, overmaken geld
Het slachtoffer, dat een advertentie op Marktplaats heeft geplaatst om bijvoorbeeld een telefoon te verkopen, wordt via Whatsapp benaderd door een geïnteresseerde koper (een van de verdachten). Die koper maakt gebruik van een valse identiteit, die (zie stap 1) is ontvreemd van een ander slachtoffer. Nadat overeenstemming is bereikt over de prijs, geeft de koper aan dat hij eerder is opgelicht. De koper vraagt daarom aan het slachtoffer om mee te werken aan een identificatieverificatie, waarbij de koper een foto stuurt van een bankpas en rijbewijs (een valse identiteit). Dit om het vertrouwen van het slachtoffer te winnen. Tevens vraagt de koper aan het slachtoffer om een foto van zijn bankpas en kopie ID (rijbewijs of paspoort) te sturen. Daarmee heeft de koper de gegevens (bankrekeningnummer, pasnummer, identiteitsgegevens en kopie ID) van het slachtoffer in handen.
Op deze manier werd dus een nieuwe valse identiteit bemachtigd. In sommige gevallen werd die valse identiteit weer gebruikt om anderen te benaderen; in die gevallen is deze handeling dus op haar beurt aan te merken als een nieuwe stap 1, voor nieuwe gevallen.
Vervolgens (en dit is weer onderdeel van stap 2) maakt de koper de verkoper wijs dat hij een zakelijke rekening heeft. Een zakelijke overboeking gaat net iets anders dan een particuliere overboeking. Het slachtoffer moet daarom de overboeking bevestigen op de digitale betaalomgeving van zijn of haar bank. De koper legt het slachtoffer de verschillende stappen uit, waarna het slachtoffer – in de veronderstelling dat hij of zij dit doet ter bevestiging van de overboeking – een bevestigingscode (afkomstig van de website van de bank) aan de koper doorgeeft. In werkelijkheid gebruikt de koper de bank- en identiteitsgegevens van het slachtoffer en de bevestigingscode om zijn eigen telefoon te koppelen aan de bankrekening. Hiermee krijgt de koper toegang tot de bankrekening van het slachtoffer, zonder dat deze zich hier bewust van is. De koper maakt vervolgens een of meerdere bedragen van deze bankrekening over naar verschillende andere bankrekeningnummers.
B. de “achterkant”
Stap 3: omzetten geld in goederen (telefoons, TOTO-formulieren)
De bankrekeningnummers waar het geld naar wordt overgemaakt, behoren telkens toe aan weer andere slachtoffers, die eveneens te goeder trouw een advertentie hebben geplaatst om een goed te verkopen op Marktplaats. Door de koper worden met het ‘gestolen’ geld bij deze slachtoffers (dure) goederen (grotendeels telefoons) aangekocht en op diverse plaatsen in Nederland opgehaald door verschillende personen.
Door de geldbedragen niet over te schrijven naar een eigen rekening, maar daar andere goederen van te kopen, werd het spoor naar de verdachten moeilijker te volgen, zo begrijpt de rechtbank.
Vanaf september 2018 (zaaksdossiers 9, 10,11, 13 en 14) is de werkwijze veranderd in die zin dat er geen goederen meer worden aangekocht met het geld van de slachtoffers, maar dat er met het geld direct bij verschillende winkels via pin wordt betaald voor de aankoop van onder meer sigaretten en gokproducten (TOTO-formulieren). Bij deze werkwijze zijn de onderstaande stappen 4 en 5 niet van toepassing.
Stap 4: gebruiker telefoon
In een aantal gevallen is gebleken dat de onder stap 3 gekochte telefoon in gebruik is genomen door een van de verdachten.
Stap 5: telefoon doorverkocht
In andere gevallen is gebleken dat de onder stap 3 gekochte telefoon is doorverkocht.
Overeenkomsten verklaringen van slachtoffers
Er is veel overeenkomst tussen de (meer dan honderd) aangiftes en verklaringen van de slachtoffers.
Zo heeft de koper zich in ieder zaaksdossier (meermaals) voorgedaan als telkens dezelfde persoon. Dit betrof: [identiteit 1] (
zaaksdossier 1), [identiteit 2] (
zaaksdossier 2), [identiteit 3] (
zaaksdossier 3), [identiteit 4] (
zaaksdossier 4), [identiteit 5] (
zaakdossier 5), [identiteit 6] (
zaakdossier 6), [identiteit 7] (
zaaksdossier 7), [identiteit 8] (
zaaksdossier 8), [identiteit 9] (
zaaksdossier 9), [identiteit 10] (
zaaksdossier 10)
,[identiteit 11] (
zaaksdossier 11), [identiteit 12] (
zaaksdossier 12), [identiteit 13] (
zaaksdossier 13) en [identiteit 14] (
zaaksdossier 14).
Per zaaksdossier is dus telkens gebruik gemaakt van dezelfde valse identiteit om meerdere personen te benaderen.
Ook werden overeenkomstige (valse) adressen door de koper doorgegeven (onder meer [adres 2] , [postcode 2] Bedum, [adres 3] , [postcode 3] [plaats 2] , en [adres 4] te [plaats 3] ), en is er gebruik gemaakt van gelijkluidende teksten op WhatsApp. In de WhatsApp-gesprekken tussen de slachtoffers en de koper werden door de koper vaak deze teksten gebruikt:
“Alleen heb ik wel nog een laatste vraag, ik ben vorige week opgelicht voor €850 bij de aankoop van een iPhone x en dus nu ben ik extra voorzichtig geworden met marktplaats aangezien ik aangifte heb gedaan en ik mijn geld nog niet terug heb, zou je misschien een fotokopie kunnen maken van je bankpas dan weet ik dat jij de rechtmatige eigenaar bent aangezien diegene die mij opgelicht had een bankpas gebruikte van een kattenvanger. Dan stuur ik ook gelijk een fotokopie van die van mij.”
“Topper ga het nu gelijk overmaken! Heb je zelf een computer of laptop bij de hand om in te kunnen loggen op ING om de betaling te bevestigen aangezien ik bij ING zakelijk (heb een eigen bedrijf) zit en zakelijk bankieren net iets anders gaat als een particuliere overboeking. weet niet of je zelf bekend bent met zakelijk bankieren?”
“Het bedrag is overgemaakt. Als je naar beneden scrollt op de site zie je mobiel bankieren rechts staan. Als 3e in de rij. Daar druk je dan op, vervolgens staat er iphone 5c activeren...(overgemaakt via zakelijk mobiel bankieren). Daarna drukt uw op volgende en vervolgens tancode invoeren(onthoud goed die is strikt persoonsgebonden en alleen voor u!). Na het invoeren van de tancode ziet u een bevestigingsnummer. Die voer ik in en zo is de zakelijke betaling bevestigd. Het bedrag wordt dan direct bijgeschreven. (..) Zijn 6 cijfers (..) Top, als je die dan doorgeeft bevestig ik de betaling gelijk”
Daarnaast verklaren de slachtoffers die te goeder trouw goederen aan de koper hebben verkocht, dat zij veelal benaderd werden door een telefoonnummer met een profielfoto van een dame met blond krullend haar of een profielfoto van drie mannen in het uitgaansleven, onder wie [naam 1] (bekend van tv). Zij waren in de veronderstelling dat zij spraken met deze dame, dan wel met een man genaamd ‘ [naam 2] ’. Van deze dame of ‘ [naam 2] ’ kreeg de verkoper telkens te horen dat een vriend de gekochte telefoon zou komen ophalen, waarna zij in veel gevallen de goederen meegaven aan de vriend, die zich voordeed als ‘ [naam 3] ’.
Ten slotte zijn de slachtoffers benaderd door (veelal) dezelfde telefoonnummers, welke grotendeels gebruik maakten van dezelfde IMEI-nummers. Over het gebruik van deze telefoonnummers komt de rechtbank verderop in het vonnis te spreken.
Tussenconclusie: modus operandi
Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een herkenbare, specifieke en gelijksoortige modus operandi, die uniek en onderscheidend is. Voor zover de dader niet telkens dezelfde persoon was, werden kennelijk gegevens uitgewisseld (ID-gegevens die zijn verkregen bij “stap 1”). Het gebruikte verzinsel om ID-gegevens van het slachtoffer te verkrijgen (ter verificatie, om fraude te voorkomen), de Whatsapp-teksten, de manier waarop in de bankomgeving werd binnengedrongen en de manier waarop de bemachtigde bedragen weer werden omgezet in telefoons en weer doorverkocht, zijn telkens (vrijwel) identiek.
Een dergelijk specifieke werkwijze kan alleen worden toegepast door personen die concrete gegevens uitwisselen. Er is meer nodig dan alleen kopieergedrag. Dat betekent dat de rechtbank van oordeel is dat met voldoende zekerheid kan worden geconcludeerd dat de feiten telkens zijn gepleegd door dezelfde dadergroep, zij het - zoals hierna nog zal blijken - in wisselende samenstelling.
Vrijspraak feiten 1, 2 en 3
De rechtbank is van oordeel dat op grond van het dossier niet is vast te stellen dat de verdachte enige bemoeienis heeft gehad met strafbare feiten, gepleegd aan ‘de voorkant’, zoals dit hiervoor onder A is besproken. Er zijn geen aanwijzingen dat hij identiteitsfraude heeft gepleegd, dat hij daarmee bankgegevens heeft ontfutseld of dat hij de persoon is geweest die computervredebreuk heeft gepleegd door in te loggen in de bankomgeving van slachtoffers. De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van deze ten laste gelegde feiten.
De rol van de verdachte
Uit het dossier komt het beeld naar voren van de verdachte als zogenaamde ‘ophaler’. Zijn betrokkenheid in de zaaksdossiers 5, 6, 7, 8, 9 en 15 zou er telkens uit bestaan dat hij, nadat een medeverdachte overeenstemming had bereikt over de aankoop van een goed (voornamelijk iPhones) op marktplaats, dat goed bij de verkoper thuis is gaan ophalen. Een medeverdachte had de koopsom telkens al overgemaakt vanaf de bankrekening van een slachtoffer van het onder 3 tenlastegelegde. De verdachte zou zich telkens bij de verkoper voorstellen als [naam 3] , die langskwam namens [naam 2] , waarna hij het goed overhandigd kreeg en meenam.
In zaaksdossier 10 en 13 zou de betrokkenheid van de verdachte eruit hebben bestaan dat hij geldbedragen heeft gepind, dan wel TOTO-formulieren heeft aangeschaft, van de bankrekening van een slachtoffer van de onder 3 ten laste gelegde oplichtingen.
De verdachte heeft bij de politie en ook ter terechtzitting bekend dat hij in de ten laste gelegde periode enkele keren door een ander is gevraagd een iPhone op te halen en geldbedragen te pinnen. Het bewijs van zijn betrokkenheid bestaat verder uit herkenningen op camerabeelden bij pintransacties en aankopen van TOTO-formulieren, herkenningen door slachtoffers/verkopers van de verdachte als de persoon die telefoons opgehaald heeft, het gebruik van zijn auto (of die van zijn vader) bij het ophalen van goederen bij enkele slachtoffers, tapgesprekken met een van de medeverdachten of met slachtoffers waaruit betrokkenheid blijkt, de aanwezigheid van zijn telefoon op plaatsen delict en herkenningen uit observaties door politieteams. De rechtbank is van oordeel dat op grond van deze bewijsmiddelen de betrokkenheid van de verdachte bij oplichting, diefstal en hieruit voortvloeiend ook gewoontewitwassen, wettig en overtuigend bewezen kan worden, en wel voor die zaken zoals die hierna uit de bewezenverklaring blijken.
Zaaksdossier 5, oplichting [slachtoffer 1] en zaaksdossier 7, oplichting [slachtoffer 2]
De verdediging heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van zijn betrokkenheid als ophaler van de iPhones van slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs.
Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat op grond van genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte de persoon is die in beide zaken de iPhones heeft opgehaald. In het geval van [slachtoffer 1] straalt de telefoon van de verdachte een zendmast aan in Zwolle rond het tijdstip dat en in de buurt van de locatie waar de telefoon wordt opgehaald. Uit het dossier blijkt dat de telefoon van de verdachte in andere zaken veelvuldig met hem meebeweegt als hij telefoons ophaalt en zoals hiervoor al overwogen volgt uit de specifieke modus operandi dat ook in deze zaak de oplichting is gepleegd door dezelfde groep verdachten.
De rechtbank overweegt overeenkomstig in de zaak [slachtoffer 2] , waarbij de rechtbank in aanvulling daarop meeweegt dat de dader daar in een oude, kleine auto, geel/groen van kleur (net als de Suzuki Alto waar de verdachte destijds in rond reed) langs is gekomen en dat deze jongen in WhatsApp ‘ [naam 3] ’ werd genoemd, een naam waar de verdachte zich blijkens het dossier veelvuldig van heeft bediend.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de onder 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Feit 4
hij in de periode van
25 juni2018 tot en met
26 oktober2018 in Nederland, tezamen en in vereniging
met anderen, meermalen voorwerpen, te weten telefoons en een Rolex horloge en een portemonnee, heeft verworven en voorhanden heeft gehad en/of heeft omgezet en/of daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat
dezevoorwerpen, onmiddellijk afkomstig waren uit enig (eigen) misdrijf en hij en zijn mededaders aldus van het plegen van witwassen een gewoonte
hebbengemaakt;
Feit 5
hij in de periode van
25 juni2018 tot en met
24 september2018 in Nederland telkens tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, telkens met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen telkens door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, personen, te weten
[ZD 5] [slachtoffer 1] en
[ZD 6) [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en
[ZD 7] [slachtoffer 2] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] en [slachtoffer 10] en
[ZD 8] [slachtoffer 11] en [slachtoffer 12] en [slachtoffer 13] en
[ZD 9] [slachtoffer 14] en [slachtoffer 15] en [slachtoffer 16] en
[ZD 15] [slachtoffer 17] en [slachtoffer 18] en [slachtoffer 19]
heeft bewogen tot de afgifte van goederen, waaronder telefoons en een Rolex horloge en een portemonnee, immers hebben verdachte en zijn mededaders toen aldaar telkens met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid
- zich voorgedaan als bonafide koper en
- zich voorgedaan als een ander
waardoor voornoemde aangevers telkens werden bewogen tot bovenomschreven afgifte;
Feit 6
hij in de periode van
12 oktober2018 2018 tot en met
26oktober 2018 te Amsterdam, meermalen, tezamen en in vereniging met anderen, telkens geldbedragen, te weten
[ZD 10] EUR 1150 en
[ZD 13] EUR 900 en EUR 150 en EUR 150 en EUR 150 en EUR 150 en EUR 150 en EUR 150 en EUR 260 en EUR 820 en EUR 900 en EUR 738 en EUR 563 en EUR 350 en EUR 350 en EUR 900 en EUR 740 en EUR 370 en EUR 10 en EUR 1090
diegeheel aan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders toebehoorde
n, te weten aan
[ZD 10] [slachtoffer 20] en
[ZD 13] [slachtoffer 21] en [slachtoffer 22] en [slachtoffer 23] en [slachtoffer 24] en [slachtoffer 25] en [slachtoffer 26]
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders die weg te nemen geldbedrag
enonder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

6.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

7.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

8.De strafoplegging

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich samen met anderen gedurende een periode van vier maanden schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen, oplichtingen en diefstal met valse sleutel. Daarbij werd zeer geraffineerd te werk gegaan. Nadat medeverdachten met behulp van andermans identiteit een koop voor bepaalde goederen waren overeengekomen en met andermans geld de koopsom hadden betaald, heeft de verdachte veelvuldig deze goederen opgehaald, geldbedragen gepind en in voorkomende gevallen ook omgezet (in TOTO-formulieren).
De verdachte had een belangrijke rol in het geheel, doordat hij zich bereid verklaarde telkens de goederen op te halen waarvoor was betaald met geld van slachtoffers. De verdachte heeft voor dit alles geen oog gehad, voor hem was blijkbaar enkel zijn eigen financiële gewin van belang.
De rechtbank rekent de verdachte dit alles aan.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 9 oktober 2025. Daaruit blijkt dat hij in de jaren voorafgaand aan de pleegperiode van de in dit vonnis besproken strafbare feiten, niet wegens vergelijkbare feiten met justitie in aanraking is gekomen.
Uit het strafblad blijkt wel dat de verdachte sinds onderhavige feiten meermaals is veroordeeld tot gevangenisstraffen, taakstraffen en geldboetes, waardoor artikel 63 Sr van toepassing is.
Redelijke termijn
Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank tevens gelet op het feit dat de verdachte het recht heeft om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt geldt dat binnen twee jaar na aanvang van de op zijn redelijkheid te toetsen termijn door de rechtbank moet zijn beslist, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In deze zaak is de redelijke termijn aangevangen op 30 oktober 2018, de dag waarop de verdachte in verzekering is gesteld. Hij kon daaraan in redelijkheid de verwachting ontlenen dat tegen hem strafvervolging zou worden ingesteld. De termijn eindigt met het wijzen van dit vonnis op 17 december 2025. Hieruit volgt dat de termijn waarbinnen de verdachte had moeten worden berecht met in totaal ruim vijf jaren is overschreden. Nu deze aanzienlijke overschrijding niet is toe te rekenen aan de verdachte, acht de rechtbank het dan ook op zijn plaats dat de overschrijding van de redelijke termijn leidt tot matiging van de straf.
Conclusie
Gelet op het aantal slachtoffers, de stelselmatigheid en bedrieglijke methode van het handelen van de verdachte, is de rechtbank van oordeel dat niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf om de strafwaardigheid ten uitdrukking te brengen. Zonder overschrijding van de redelijke termijn had de rechtbank een gevangenisstraf opgelegd van zeker 18 maanden. De forse overschrijding van de redelijke termijn, de destijds jonge leeftijd van de verdachte en de relatief beperkte rol van de verdachte in vergelijking met de medeverdachten, zijn aanleiding om de verdachte niet opnieuw naar de gevangenis te sturen. De rechtbank is gelet op genoemde omstandigheden van oordeel dat een straf die meebrengt dat de verdachte wederom gedetineerd wordt, in de onderhavige zaak niet (meer) passend is en geen redelijk strafdoel (meer) dient.
Gelet op al deze omstandigheden zal de rechtbank volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, te weten
106 dagen.

9.De vorderingen van de benadeelde partijen

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
- [benadeelde 1], van een bedrag van € 820,- ter zake van materiële schade bestaande uit een geldbedrag en te vermeerderen met de wettelijke rente;
- [benadeelde 2], tot een ongespecificeerd bedrag aan materiële en immateriële schade en te vermeerderen met de wettelijke rente;
Zaaksdossier 5
- [benadeelde 3], van een bedrag van € 620,- ter zake van materiële schade bestaande uit een geldbedrag en te vermeerderen met de wettelijke rente;
- [benadeelde 4], van een bedrag van € 2.100,- ter zake van materiële schade bestaande uit een geldbedrag en te vermeerderen met de wettelijke rente;
- [benadeelde 5], van een bedrag van € 850,- ter zake van materiële schade bestaande uit een geldbedrag en te vermeerderen met de wettelijke rente;
- [benadeelde 6], van een bedrag van € 1.250,- ter zake van materiële schade bestaande uit een geldbedrag en te vermeerderen met de wettelijke rente;
- [benadeelde 7], van een bedrag van € 2.745,- ter zake van materiële schade bestaande uit een geldbedrag en te vermeerderen met de wettelijke rente;
- [benadeelde 8], van een bedrag van € 4.075,- ter zake van materiële schade bestaande uit een geldbedrag en te vermeerderen met de wettelijke rente;
- [benadeelde 9], van een bedrag van € 730,- ter zake van materiële schade bestaande uit een geldbedrag en te vermeerderen met de wettelijke rente;
- [benadeelde 10], tot een ongespecificeerd bedrag aan materiële en immateriële schade en te vermeerderen met de wettelijke rente;
Zaaksdossier 6
- De nabestaanden van [benadeelde 11], van een bedrag van € 2.325,- ter zake van materiële schade bestaande uit een geldbedrag en te vermeerderen met de wettelijke rente;
Zaaksdossier 7
- [benadeelde 12], van een bedrag van € 750,- ter zake van materiële schade bestaande uit een geldbedrag en te vermeerderen met de wettelijke rente;
- [benadeelde 13], van een bedrag van € 2.129,- ter zake van materiële schade bestaande uit een geldbedrag en te vermeerderen met de wettelijke rente;
- [benadeelde 14], van een bedrag van € 380,- ter zake van materiële schade bestaande uit een geldbedrag, en € 150,- immateriële schade bestaande uit psychische klachten;
- [benadeelde 15], van een bedrag van € 900,- ter zake van materiële schade bestaande uit een geldbedrag en te vermeerderen met de wettelijke rente;
- [benadeelde 16], van een bedrag van € 675,- ter zake van materiële schade bestaande uit een geldbedrag en te vermeerderen met de wettelijke rente;
Zaaksdossier 8
- [benadeelde 17], van een bedrag van € 1.862,23 ter zake van materiële schade bestaande uit een geldbedrag en te vermeerderen met de wettelijke rente;
Zaaksdossier 9
- [benadeelde 18], van een bedrag van € 1.236,- ter zake van materiële schade bestaande uit een geldbedrag, € 200 ter vergoeding van immateriële schade en te vermeerderen met de wettelijke rente;
Zaaksdossier 10
- [benadeelde 19], van een bedrag van € 500,- ter zake van immateriële schade en te vermeerderen met de wettelijke rente;
- [benadeelde 20], van een bedrag van € 250,- ter zake van materiële schade bestaande uit een geldbedrag van € 250, ongespecificeerde reiskosten voor het bijwonen van de zitting(en) in eerste aanleg en te vermeerderen met de wettelijke rente;
- [benadeelde 21], van een bedrag van € 1.206,- ter zake van materiële schade bestaande uit een geldbedrag en te vermeerderen met de wettelijke rente;
- [slachtoffer 20] , van een bedrag van € 1.150,- ter zake van materiële schade bestaande uit een geldbedrag en te vermeerderen met de wettelijke rente;
Zaaksdossier 13
- [benadeelde 22], van een bedrag van € 4.984,30 ter zake van materiële schade bestaande uit een geldbedrag van € 4.934,30 en reiskosten voor het bijwonen van de zitting(en) in eerste aanleg van € 50, en € 844,08 ter vergoeding van immateriële schade en te vermeerderen met de wettelijke rente;
- [slachtoffer 25] , van een bedrag van € 2.080,- ter zake van materiële schade bestaande uit een geldbedrag van € 2.020,-, de kosten voor de aanschaf van een nieuw paspoort van € 60,- en te vermeerderen met de wettelijke rente;
- [slachtoffer 23] , van een bedrag van € 564,- ter zake van materiële schade bestaande uit een geldbedrag en te vermeerderen met de wettelijke rente;
- [slachtoffer 22] , van een bedrag van € 2.458,- ter zake van materiële schade bestaande uit een geldbedrag en te vermeerderen met de wettelijke rente.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 8], [benadeelde 13], [benadeelde 15], [benadeelde 16], [benadeelde 12], [benadeelde 14], [benadeelde 17], [slachtoffer 20], [slachtoffer 22], [slachtoffer 23], [benadeelde 22], [slachtoffer 25] en [benadeelde 11] toewijsbaar zijn, voor zover deze vorderingen zien op de vergoeding van materiële schade die is geleden door de afboekingen van de rekeningen van de benadeelde partijen, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft gevorderd tot hoofdelijke aansprakelijkheid met de medeverdachten. De benadeelde partijen moeten voor het overige aan materiële schade alsook voor de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard.
De overige benadeelde partijen moeten volgens de officier van justitie ook niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van de verzoeken tot schadevergoeding gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
Niet-ontvankelijkheid wegens ontbreken verdenking
Aangezien de verdachte niet verdacht wordt van betrokkenheid van enig strafbaar feit jegens [benadeelde 1] en [benadeelde 2], zal de rechtbank deze benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in de vorderingen.
Niet-ontvankelijk wegens vrijspraak
De rechtbank zal de benadeelde partijen [benadeelde 3], [benadeelde 4], [benadeelde 5], [benadeelde 6], [benadeelde 7], [benadeelde 9], [benadeelde 10], [benadeelde 18], [benadeelde 19], [benadeelde 20] en [benadeelde 21] niet-ontvankelijk verklaren in de vorderingen, aangezien de verdachte wordt vrijgesproken van betrokkenheid bij de feiten waarop die vorderingen betrekking hebben.
Dit brengt mee dat deze benadeelde partijen moeten worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten op nihil.
Materiële schade
Naar het oordeel van de rechtbank is, voor zover het gaat om vorderingen tot vergoeding van de afgeschreven geldbedragen, aannemelijk dat de overige benadeelde partijen de gestelde schade hebben geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. Dat geldt evident voor de zaken waarin door de verdachte geld is gepind en/of betaald met bankrekeningen van slachtoffers.
De rechtbank is van oordeel dat ook de geldbedragen die zijn overgeschreven van de onder feit 3 genoemde slachtoffers, als directe schade ten gevolge van een door de verdachte gepleegd strafbaar feit zijn aan te merken, voor zover de rechtbank de betrokkenheid van de verdachte als ophaler van de met dat geld aangekochte goederen heeft bewezenverklaard. Immers, als de verdachte niet bereid zou zijn geweest zich aan de deur voor te doen als bonafide koper, onder een valse naam en hoedanigheid, zouden die geldbedragen ook niet zijn overgemaakt naar de nietsvermoedende verkoper. De afgifte van het goed aan de verdachte staat in een dusdanig rechtstreeks verband met de overgeschreven geldbedragen waarmee die goederen zijn betaald, dat de rechtbank zodanig concludeert.
Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde 22] is ten laste gelegd dat de verdachte twee keer € 350,- heeft gestolen door dit geldbedrag te pinnen van de bankrekening van [benadeelde 22]. Er is op twee momenten gepind, namelijk van de gezamenlijke rekening van [benadeelde 22] en [slachtoffer 24] op 19 oktober 2018 in de BP [adres 5] te Amsterdam, tussen 01.11 uur en 01.14 uur (acht pintransacties voor in totaal € 2.484,50) en vervolgens van de privérekening van [benadeelde 22] op diezelfde locatie en dag tussen 03.06 uur en 03.16 uur (zeven pintransacties voor in totaal € 2.450,-). De verdachte is op de camerabeelden herkend als de pinner van beide momenten (vanaf 01.11 uur en vanaf 03.06 uur). De rechtbank stelt op grond hiervan vast dat de verdachte de persoon is geweest die álle pintransacties heeft verricht, en dus niet slechts twee keer 350,- zoals ten laste gelegd. Het verzoek tot schadevergoeding zal dan ook worden toegewezen voor zover het de geleden materiële schade tot € 4.934,50 betreft. De verzochte reiskosten zullen worden afgewezen, nu deze kostenpost onvoldoende onderbouwd is.
Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 23] stelt de rechtbank vast dat uit de aangifte blijkt dat niet € 564.- zoals gevorderd, maar € 563,- schade is geleden. De rechtbank zal dat bedrag toewijzen en de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
Dit brengt de rechtbank tot toewijzing van de volgende bedragen aan de benadeelde partijen, telkens volledig bestaande uit materiële schade:
Zaaksdossier 5
- [benadeelde 8], van een bedrag van € 1.000,-;
Zaaksdossier 6
- De nabestaanden van [benadeelde 11], van een bedrag van € 1.675,-;
Zaaksdossier 7
- [benadeelde 12], van een bedrag van € 750,-;
- [benadeelde 13], van een bedrag van € 1.775,-;
- [benadeelde 14], van een bedrag van € 380,-;
- [benadeelde 15], van een bedrag van € 900,-;
- [benadeelde 16], van een bedrag van € 675,-;
Zaaksdossier 8
- [benadeelde 17], van een bedrag van € 910,-;
Zaaksdossier 10
- [slachtoffer 20] , van een bedrag van € 1.150,-;
Zaaksdossier 13
- [benadeelde 22], van een bedrag van € 4.934,30;
- [slachtoffer 25] , van een bedrag van € 2.020,-;
- [slachtoffer 23] , van een bedrag van € 563,-;
- [slachtoffer 22] , van een bedrag van € 2.458,-.
Voor zover de benadeelde partijen een hogere materiële schadevergoeding hebben gevorderd, worden zij daarin niet-ontvankelijk verklaard. Dat geldt ook voor eventueel gevorderde immateriële schade, omdat de door benadeelde partijen naar voren gebrachte omstandigheden en gevoelens niet zonder meer een grondslag opleveren voor immateriële schadevergoeding.
Nu de vorderingen van de materiële schade (deels) worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die die benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.
Wettelijke rente
Indien de rechtbank vorderingen tot schadevergoeding geheel of ten dele toewijst, zal zij daarbij tevens de vorderingen tot betaling van de wettelijke rente toewijzen. De aanvangsdatum van de wettelijke rente zal worden bepaald op 17 december 2025 (de datum van het wijzen van het vonnis), aangezien de redelijke termijn aanzienlijk is overschreden terwijl dit niet is te wijten aan de verdachte.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte de strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Los van de hoofdelijke aansprakelijkheid die de rechtbank in deze procedure vaststelt, geldt het volgende. De mogelijkheid bestaat dat een (andere) derde een schadebedrag vergoedt (zoals een bank in het kader van schadevergoeding, of een andere verdachte die op een ander moment is veroordeeld). Voor alle vorderingen in alle zaaksdossiers geldt dat, als een derde een vergoeding aan de benadeelde partij heeft betaald voor schade die in deze procedure is gevorderd, het reeds vergoede deel niet meer aan de benadeelde partij hoeft worden betaald.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor de bewezenverklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partijen, voor zover zijn betrokkenheid door de rechtbank is bewezenverklaard, aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan hen is toegebracht. De rechtbank zal daarom aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat de ten aanzien van de verzoeken tot schadevergoeding toegewezen bedragen, telkens te betalen ten behoeve van de benadeelde partij aan wie dat bedrag is toegewezen, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente.
Bij het bepalen van het aantal dagen gijzeling in geval van niet-betaling, zal de rechtbank uitgaan van een maximum van 131 dagen (gebaseerd op een totaalbedrag van € 19.290,30). De rechtbank zal per vordering het aantal dagen gijzeling vast stellen naar rato van de hoogte van elke vordering.

10.Het inbeslaggenomen voorwerp

De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het inbeslaggenomen voorwerp, een Samsung telefoontoestel, kan worden teruggegeven aan de verdachte, voor zover daar nog beslag op rust.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de telefoon terug te geven aan de verdachte.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de teruggave gelasten aan de rechthebbende van het op de beslaglijst genoemde voorwerp, een Samsung telefoon.

11.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:
- 36f, 47, 57, 60a, 63, 311, 326 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

12.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven bewezen is verklaard en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 4:
medeplegen van gewoontewitwassen;
ten aanzien van feit 5:
medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 6:
medeplegen van diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
106 (HONDERDZES) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
De vorderingen van de benadeelde partijen
niet-ontvankelijk
bepaalt dat de navolgende benadeelde partijen niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen tot schadevergoeding:
- [benadeelde 3];
- [benadeelde 2];
- [benadeelde 1];
- [benadeelde 4];
- [benadeelde 5];
- [benadeelde 6];
- [benadeelde 7];
- [benadeelde 9];
- [benadeelde 10];
- [benadeelde 18];
- [benadeelde 19];
- [benadeelde 20];
- [benadeelde 21];
veroordeelt deze benadeelde partijen in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vorderingen gemaakt, begroot op nihil;
gehele toewijzing (hoofdelijk)
wijst de vorderingen tot schadevergoeding van de navolgende benadeelde partijen hoofdelijk toe tot de hierna te noemen bedragen, telkens volledig bestaande uit materiële schade, en veroordeelt de verdachte om deze bedragen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 17 december 2025 tot de dag waarop deze vorderingen zijn betaald, te betalen aan de benadeelde partijen:
- [benadeelde 16] € 675,-;
- [benadeelde 12] € 750,-;
- [benadeelde 15] € 900,-;
- [slachtoffer 20] € 1.150,-;
- [slachtoffer 22] , € 2.458,-.
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partijen, tot op heden begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
gedeeltelijke toewijzing (hoofdelijk)
wijst de vordering tot schadevergoeding van de navolgende benadeelde partij deels toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt de verdachte om deze bedragen, telkens volledig bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 17 december 2025 tot de dag waarop de vordering is betaald, te betalen aan de benadeelde partijen:
- [benadeelde 8]: € 1.000,-
- De nabestaanden van [benadeelde 11]: € 1.675,-;
- [benadeelde 13]: € 1.775,-;
- [benadeelde 14]: € 380,-
- [benadeelde 17]: € 910,-;
- [slachtoffer 23] : € 563,-;
- [benadeelde 22]: € 4.934,30;
- [slachtoffer 25] : € 2.020,-;
bepaalt dat deze benadeelde partijen voor het overige niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partijen, tot op heden begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
hoofdelijkheid en betaling door een derde
bepaalt dat als een derde, zoals een van de mededaders, de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
schadevergoedingsmaatregelen en gijzeling
legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van de volgende bedragen ten behoeve van de hieronder genoemde benadeelde partijen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 december 2025;
bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt – onder handhaving van voormelde verplichting – gijzeling kan worden toegepast voor navolgende duur:
Zaaksdossier
Naam
toegewezen
dagen gijzeling
5
[benadeelde 8]
€ 1.000,-
7
6
De nabestaanden van [benadeelde 11]
€ 1.675,-
11
7
[benadeelde 12]
€ 750,-
5
7
[benadeelde 13]
€ 1.775,-
12
7
[benadeelde 15]
€ 900,-
6
7
[benadeelde 14]
€ 380
2
7
[benadeelde 16]
€ 675,-
5
8
[benadeelde 17]
€ 910,-
6
10
[slachtoffer 20]
€ 1.150,-
8
13
[benadeelde 22]
€ 4.934,30
34
13
[slachtoffer 25]
€ 2.020,-
14
13
[slachtoffer 23]
€ 563,-
4
13
[slachtoffer 22]
€ 2.458,-
17
totaal
€ 19.290,30
131
de toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichtingen niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichtingen aan de Staat de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen in zoverre doet vervallen;
gelast de teruggave aan de rechthebbende van het op de beslaglijst onder 2 genoemde voorwerp, te weten: 1 STK telefoontoestel, Samsung.
Dit vonnis is gewezen door
mr. Y.J. Wijnnobel - Van Erp, voorzitter,
mr. N.F.R. de Rooij, rechter,
mr. J.J. Balfoort, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. M. den Besten, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 december 2025.