ECLI:NL:RBDHA:2025:24301

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
SGR 23/1104
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Maatwerkvoorschriften voor assimilatiebelichting in de glastuinbouw en de gevolgen voor fauna en omwonenden

Op 9 december 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in de zaak tussen het college van burgemeester en wethouders van Westland en de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, afdeling Natuurlijk Delfland. De zaak betreft de maatwerkvoorschriften die zijn vastgesteld voor de afscherming van assimilatiebelichting voor kassen van rozentelers, geldig tot 1 mei 2026. Eiseres, de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, is van mening dat de maatwerkvoorschriften schadelijke gevolgen hebben voor de omgeving en de fauna. De rechtbank oordeelt dat het college van burgemeester en wethouders terecht maatwerkvoorschriften heeft vastgesteld, omdat er sprake is van een bijzonder geval. De rechtbank stelt vast dat de milieueffecten van de extra lichtuitstraling op de fauna zijn onderzocht en dat het college zich op de rapporten van Glastuinbouw Nederland heeft kunnen baseren. Het betoog van eiseres over de gevolgen voor omwonenden strandt op het relativiteitsvereiste, wat betekent dat de belangen van omwonenden niet onder de doelstellingen van eiseres vallen. De rechtbank verklaart het beroep van eiseres ongegrond, waardoor het bestreden besluit in stand blijft.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/1104

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 december 2025 in de zaak tussen

Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, afdeling Natuurlijk Delfland, uit Delft, eiseres
en

het college van burgemeester en wethouders van Westland

(gemachtigde: mr. J.J.F. van Gulick).
Als derde-partij nemen aan deze zaak deel:
[derde-partij 1] B.V.uit [plaats 1],
[derde-partij 2] B.Vuit [plaats 2],
Fa. [derde-partij 3]uit [plaats 3] (gemachtigde mr. A. Vreugdenhil), de rozentelers,
vereniging Glastuinbouw Nederlanduit Zoetermeer (Glastuinbouw Nederland).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de door het college voor de kassen van drie rozentelers vastgestelde maatwerkvoorschriften voor de afscherming van assimilatiebelichting voor de periode tot 1 mei 2026. Eiseres is het niet eens met deze vastgestelde maatwerkvoorschriften. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit op het bezwaar van het college.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat ten aanzien van de betrokken kassen sprake is van een bijzonder geval waarin het stellen van maatwerkvoorschriften mogelijk is. Voor wat betreft de milieueffecten van de toegestane extra lichtuitstraling op de in de omgeving aanwezige fauna heeft het college kunnen afgaan op de bij de aanvragen gevoegde rapporten van Glastuinbouw Nederland en de daarin aangehaalde onderzoeken. Het betoog van eiseres over de gevolgen van de maatwerkvoorschriften voor omwonenden strandt op het relativiteitsvereiste. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 23 december 2021 heeft het college voor de inrichting van [derde-partij 2] B.V. aan de [adres 1] in [plaats 2] maatwerkvoorschriften voor afscherming van assimilatiebelichting in de nanacht vastgesteld voor de periode tot 1 mei 2026. Met de besluiten van 23 december 2021 en 5 januari 2022 heeft het college voor de inrichting van Fa. [derde-partij 3] aan de [adres 2] in [plaats 3] maatwerkvoorschriften voor afscherming van assimilatiebelichting in de donkerte periode en in de nanacht vastgesteld voor de periode tot 1 mei 2026. Met de besluiten van 27 december 2021 en 29 december 2021 heeft het college voor de inrichting van [derde-partij 1] B.V. aan de [adres 3] en de [adres 4] in [plaats 1] maatwerkvoorschriften voor afscherming van assimilatiebelichting in de donkerte periode en in de nanacht vastgesteld voor de periode tot 1 mei 2026.
2.1.
Met het bestreden besluit van 22 december 2022 heeft het college de bezwaren van eiseres tegen de besluiten van 23, 27, 29 december 2021 en 5 januari 2022 ongegrond verklaard.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 16 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] en [naam 2] namens eiseres, de gemachtigde van het college, vergezeld door [naam 3], de gemachtigde van de rozentelers, [naam 4] namens [derde-partij 1] B.V., [naam 5] namens [derde-partij 2] B.V., [naam 6] namens Fa. [derde-partij 3] en [naam 7] namens Glastuinbouw Nederland. Gelijktijdig is het beroep met zaaknummer SGR 22/6130 op zitting behandeld.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht Omgevingswet
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet, de Invoeringswet Omgevingswet en het Invoeringsbesluit Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 8.1.5, tweede lid, van het Invoeringsbesluit Omgevingswet geldt dat, als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een aanvraag om een besluit tot het stellen van maatwerkvoorschriften is ingediend, het oude recht van toepassing blijft tot het besluit onherroepelijk wordt.
3.1.
Omdat de verzoeken tot het stellen van maatwerkvoorschriften in deze zaken dateren van vóór 1 januari 2024, blijft het recht zoals dat gold vóór die datum van toepassing.
De totstandkoming van het bestreden besluit
4. De rozentelers houden zich bezig met rozenteelt in kassen, respectievelijk in [plaats 3], [plaats 1] en [plaats 2]. Daarbij wordt assimilatiebelichting toegepast. Het college heeft ten aanzien van de lichtuitstraling vanuit de kassen sinds 2013 maatwerkvoorschriften vastgesteld, telkens voor een periode van vier jaar. De rozentelers uit [plaats 3] en [plaats 1] hebben het college gevraagd om – kort gezegd – opnieuw maatwerkvoorschriften vast te stellen die inhouden dat zij voor de lichtuitstraling vanuit hun kassen in de donkerteperiode en de nanacht lagere afschermingspercentages mogen hanteren dan worden voorgeschreven in het Activiteitenbesluit milieubeheer (het Activiteitenbesluit). De rozenteler in [plaats 2] heeft eenzelfde aanvraag gedaan, maar dan uitsluitend voor de nanacht. Dit verschil heeft te maken met het feit dat in de kassen van de rozenteler in [plaats 2], in tegenstelling tot de andere rozentelers, assimilatiebelichting met een verlichtingssterkte van meer dan 15.000 lux wordt toegepast waardoor er alleen maatwerk nodig is voor de nanacht. De aanvragen zijn onderbouwd met het rapport ‘Maatwerk lichtafscherming roos: nog steeds noodzakelijk’ van 24 juni 2021 van Glastuinbouw Nederland.
4.1.
Met de primaire besluiten van 23, 27 en 29 december 2021 heeft het college voor de rozentelers uit [plaats 1] en [plaats 3] voor de periode tot 1 mei 2026 maatwerk vastgesteld inhoudende dat de lichtuitstraling, als bedoeld in artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder a, van het Activiteitenbesluit, aan de bovenzijde van de kas gedurende de donkerteperiode met tenminste 95% wordt gereduceerd.
4.2.
Met de primaire besluiten van 23, 27, 29 december 2021 en 5 januari 2022 heeft het college voor de rozentelers uit [plaats 2], [plaats 1] en [plaats 3] voor de nanacht andere afschermingspercentages vastgesteld dan de percentages bedoeld in artikel 3.57, tweede lid, respectievelijk artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder b, van het Activiteitenbesluit, voor de periode tot 1 mei 2026. In deze besluiten heeft het college aan de hand van een tabel per combinatie van buitentemperatuur en windsnelheid toegelicht voor hoeveel uren per jaar het maatwerk geldt, alsmede het daaraan gekoppelde afschermingspercentage.
4.3.
Met het bestreden besluit van 22 december 2022 heeft het college het door eiseres tegen de primaire besluiten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Ontvankelijkheid eiseres
5. De rozentelers stellen dat eiseres mogelijk onbevoegd beroep heeft ingesteld, omdat het beroepschrift niet mede is ondertekend door de secretaris.
5.1.
Op grond van haar statuten wordt eiseres in rechte vertegenwoordigd door haar bestuur dan wel door de voorzitter en secretaris gezamenlijk.
5.2.
De rechtbank stelt vast dat het beroepschrift is ondertekend door [naam 8] als voorzitter en [naam 1] als secretaris natuurbescherming. Uit het overgelegde uittreksel van de Kamer van Koophandel blijkt dat [naam 1] ten tijde van het indienen van het beroepschrift niet als secretaris van de vereniging stond ingeschreven. De rozentelers hebben dus terecht opgeworpen dat het beroepschrift niet mede is ondertekend door de secretaris van eiseres.
5.3.
Ter zitting heeft eiseres een wijzigingsformulier van de Kamer van Koophandel overgelegd waaruit volgt dat [naam 9] sinds 15 september 2025 als secretaris van de vereniging staat ingeschreven. In een bijgevoegde brief van 16 september 2025 verklaren [naam 2] als voorzitter en [naam 9] als secretaris dat het bestuur van de vereniging het ingestelde beroepschrift voor zijn rekening neemt. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee het gebrek hersteld. De rechtbank zal eiseres daarom ontvangen in haar beroep.
Derde-belanghebbendheid Glastuinbouw Nederland
6. De rechtbank stelt vast dat Glastuinbouw Nederland een belangenorganisatie is die voor het belang van haar leden opkomt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) [1] volgt dat een belangenorganisatie die voor het belang van haar leden opkomt, daarmee opkomt voor een collectief belang, tenzij het tegendeel blijkt. Van dit tegendeel is niet gebleken.
6.1.
Blijkens haar statuten stelt Glastuinbouw Nederland zich ten doel het behartigen van de sociale en economische belangen van haar leden. Deze leden zijn exploitanten van een glastuinbouwbedrijf. In dit geval gaat het om het belang dat het gevraagde maatwerk voor minder afscherming van assimilatiebelichting noodzakelijk is voor het kweken van rozen van hoge kwaliteit in kassen. Zonder maatwerk zou de huidige bedrijfsvoering onmogelijk zijn en kwaliteitsvermindering heeft financiële schade tot gevolg. Het belang waarvoor Glastuinbouw Nederland in deze procedure opkomt, is derhalve een belang dat zij, gelet op haar statutaire doelstelling, in het bijzonder behartigt. Het bestreden besluit raakt rechtstreeks de belangen van haar leden. Glastuinbouw Nederland is daarom belanghebbende bij het bestreden besluit.
Het toetsingskader
7. De voor de beoordeling van het beroep relevante wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
7.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling [2] heeft het college beleidsruimte bij de beslissing om maatwerkvoorschriften vast te stellen. Indien wordt besloten tot het vaststellen daarvan, heeft het college een zekere beoordelingsruimte bij de vaststelling van wat nodig is ter bescherming van het milieu.
Mocht het college gebruik maken van zijn bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften?
8. Eiseres betoogt dat het college ten onrechte gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Volgens eiseres zijn maatwerkvoorschriften bedoeld voor bijzondere en incidentele gevallen. Daarvan is volgens eiseres in dit geval geen sprake, omdat het college al geruime tijd maatwerkvoorschriften stelt voor de betrokken rozentelers. Volgens eiseres is dit in strijd met het doel en de strekking van het Activiteitenbesluit. Ruim tien jaar na inwerkingtreding van het Activiteitenbesluit kunnen technische of bedrijfseconomische gronden geen reden meer zijn om maatwerkvoorschriften te stellen.
8.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de rozentelers de best beschikbare technieken (BBT) toepassen voor de teelt van de verschillende rozensoorten. Volgens het college is het nog niet mogelijk om met ander soortige installaties of een andere manier van telen de vereiste kwaliteit te bereiken, waardoor maatwerk nog steeds nodig is.
8.2.
De rechtbank stelt voorop dat het college beleidsruimte heeft bij de beslissing of hij gebruik maakt van zijn bevoegdheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Het college dient daarbij een belangenafweging te maken. Hierbij is van belang dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van het Activiteitenbesluit volgt dat de wetgever ervan uitgaat dat, gezien de specifieke werkingssfeer van het instrument maatwerkvoorschrift, het gebruik van dit instrument tot bijzondere en incidentele gevallen beperkt zal blijven. [3]
8.3.
De rechtbank stelt vast dat artikel 3.57 van het Activiteitenbesluit betrekking heeft op de situatie waarin assimilatiebelichting een verlichtingssterkte heeft van ten minste 15.000 lux. In dit artikel zijn emissie-eisen opgenomen vanaf het tijdstip van zonsondergang tot het tijdstip van zonsopgang. Artikel 3.58 van het Activiteitenbesluit heeft betrekking op de situatie waarin assimilatiebelichting een verlichtingssterkte heeft van minder dan 15.000 lux. In dit artikel zijn emissie-eisen voor de donkerteperiode en de nanacht opgenomen. Omdat de kierbreedte van 25% die in het Besluit glastuinbouw nog was opgenomen, in de praktijk niet handhaafbaar bleek, is per 1 januari 2013 in artikel 3.58 van het Activiteitenbesluit voor de nanacht een andere regeling opgenomen die inhoudt dat voor de nanacht ten minste 74% van al het licht moet worden gereduceerd. Per die datum is in dat artikel ook de mogelijkheid opgenomen om voor de nanacht maatwerkvoorschriften te stellen. Uit de Nota van Toelichting bij het wijzigingsbesluit van het Activiteitenbesluit per die datum [4] blijkt dat die mogelijkheid is opgenomen omdat bij de teelt van een beperkt aantal gewassen het niet altijd mogelijk blijkt om het noodzakelijke kasklimaat te realiseren als na de donkerteperiode gedurende de nanacht nog eens 74% moet worden afgeschermd. Om de praktijk de ruimte te bieden zich aan te passen aan de strenger geworden voorschriften is daarom de mogelijkheid geboden tot maatwerk voor de nanacht. Per 1 januari 2017 is de lichtuitstraling vanuit de kassen van een glastuinbouwbedrijf verder aangescherpt, in die zin dat de lichtuitstraling met ten minste 98% moet worden gereduceerd in plaats van 95%. De artikelen 3.57 en 3.58 van het Activiteitenbesluit zijn hierop aangepast. Voor de donkerteperiode is vervolgens ook de mogelijkheid opgenomen om maatwerkvoorschriften te stellen. Uit de Nota van toelichting bij het besluit van 23 juni 2017 tot wijziging van het Activiteitenbesluit [5] , blijkt dat de reden hiervoor is dat in bepaalde gevallen nog niet met toepassing van de BBT aan het voorschrift voor de donkerteperiode kan worden voldaan. In die gevallen (ongeveer 3% van het Nederlandse glasareaal) kunnen bij bepaalde weersomstandigheden zodanige problemen met de klimaatbeheersing ontstaan dat een rendabele teelt van het betreffende gewas niet mogelijk is.
8.4.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college mogen aannemen dat ten aanzien van de betrokken rozentelers en hun inrichtingen sprake is van een bijzonder geval waarin het stellen van maatwerkvoorschriften mogelijk is. Daarbij heeft het college kunnen afgaan op het bij de aanvragen gevoegde rapport van 24 juni 2021 van Glastuinbouw Nederland. Uit dat rapport en de daarin aangehaalde onderzoeken blijkt dat het nog steeds nodig is om, onder bepaalde omstandigheden, via maatwerk af te kunnen wijken van de standaardregels voor lichtafscherming om een kwalitatief goede roos te kunnen telen en daarmee de concurrentiepositie ten opzichte van de importroos te kunnen waarborgen. Er wordt weliswaar geëxperimenteerd met het gebruik van LED-belichting, maar de inzet van volledige LED-belichting is nog te risicovol. Ter zitting is namens de rozentelers toegelicht dat volledige LED-belichting nog niet volledig kan worden toegepast omdat de luchtvochtigheid in de kassen dan te hoog is. Dit wordt ook bevestigd door de door de rozentelers overgelegde stukken van onderzoeksrapport ‘Monitoring LED in de rozenteelt’ van Wageningen University Research over de periode 2022-2023 en het evaluatierapport uit september 2025 van de rozenteler uit [plaats 1]. Hoewel die stukken dateren van na de datum in geding, bevestigen zij dat in elk geval ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog geen andere methode voorhanden was die als BBT kan worden aangemerkt. Hierdoor was het volledig halen van de lichtafschermingspercentages nog niet mogelijk.
8.5.
Het betoog van eiseres slaagt niet.
Schadelijke effecten op fauna en mensen?
9. Eiseres stelt dat het college ten onrechte de schadelijke milieueffecten van de extra lichtuitstraling op omwonenden en fauna als gevolg van het maatwerk niet heeft onderzocht. Uit jurisprudentie van de Afdeling [6] volgt volgens eiseres dat het op de weg van het college ligt om dit onderzoek te doen en dat een vergunning alleen kan worden verleend wanneer er wetenschappelijk gezien redelijkerwijs geen twijfel bestaat dat er geen schadelijke gevolgen optreden. Eiseres wijst op literatuuronderzoek waaruit blijkt dat assimilatiebelichting negatieve gevolgen heeft voor mens en dier. Volgens eiseres kan het bestreden besluit daarom niet in stand blijven.
Milieugevolgen voor omwonenden
9.1.
Ingevolge artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.
9.2.
Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 11 november 2020 [7] overweegt de rechtbank dat het relativiteitsvereiste niet aan vernietiging in de weg staat, wanneer een rechtspersoon als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Awb opkomt voor algemene belangen die zij, gelet op haar statutaire doelstelling en door haar feitelijke werkzaamheden behartigt, en die geheel of ten dele samenvallen met de belangen die de norm beoogt te beschermen.
9.3.
In artikel 2 van de statuten van eiseres staat vermeld dat zij tot doel heeft:
1. het vermeerderen van de kennis van de natuur in de ruimste zin en het verbreiden
van deze kennis;
2. het aankweken van de belangstelling voor en liefde tot de natuur, in de eerste plaats onder haar leden doch ook buiten de vereniging en
3. het bijdragen aan de natuur- en landschapsbescherming in de ruimste zin.
9.4.
De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat de belangen van omwonenden onder de natuurbelangen vallen waarvoor zij opkomt. Hoewel de mens onderdeel is van de natuur, kan zij daar naar het oordeel van de rechtbank niet mee worden gelijkgesteld. Daarbij betrekt de rechtbank dat het woordenboek van Van Dale ‘natuur’ definieert als wat de mens om zich heen ziet en wat beschouwd wordt als nog niet door de mens gewijzigd, het landschap. Gelet hierop vallen de belangen van omwonenden niet onder de doelstellingen van eiseres.
9.5.
Het betoog van eiseres over de gevolgen van de maatwerkvoorschriften voor omwonenden strandt op het relativiteitsvereiste. De rechtbank zal dat betoog daarom niet bespreken.
Milieugevolgen voor fauna in de omgeving
9.6.
Het college stelt zich op het standpunt dat met het toepassen van het maatwerk geen verslechtering plaatsvindt van de huidige toestand van het milieu. In het rapport van 24 juni 2021 van Glastuinbouw Nederland zijn de milieueffecten van de lagere afschermingspercentages van assimilatiebelichting onderzocht. Daarin is voldoende aannemelijk gemaakt dat de effecten van de hogere belichting ten opzichte van de reguliere afschermingspercentages beperkt zijn. De mate van milieueffecten van lichtuitstoot is sterk afhankelijk van de locatie van de inrichting. De invloed van assimilatiebelichting op het milieu is daardoor sterk bepaald door externe factoren zoals ligging ten opzichte van andere (glastuin)bedrijven, stedelijke omgeving en natuurgebieden. De lichtuitstraling is al lange tijd in het gebied aanwezig en een bestaande factor voor de aanwezige flora en fauna. Het betreft een gebied dat zich kenmerkt door de aanwezigheid van glastuinbouw en waar sprake is van stedelijk achtergrondlicht. Daarnaast is er ook zonder maatwerk sprake van uitstoot van assimilatiebelichting. Lichthinder door de glastuinbouwsector als geheel, en daarmee de impact op de omgeving, is na aanscherping van de regelgeving aanzienlijk afgenomen door afscherming van assimilatiebelichting. De mogelijkheid voor maatwerk, dus een voortzetting van de lichtemissie zoals dat voor de gehele glastuinbouwsector gebruikelijk was vóór de aanscherping van de generieke regels, is uitsluitend nog noodzakelijk voor een klein aantal rozentelers in de topsector.
9.7.
De rechtbank stelt voorop dat het college de milieugevolgen die het bestreden besluit voor de omgeving met zich brengt bij de beoordeling van de aanvraag om toepassing van maatwerkvoorschriften dient te betrekken. Deze milieugevolgen dienen te worden afgewogen tegen de met het bestreden besluit gediende belangen, waaronder de financiële en bedrijfseconomische belangen van de rozentelers. Anders dan eiseres veronderstelt, is de door haar aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2005 en het daarin uiteengezette toetsingskader niet van toepassing in de onderhavige zaak, omdat het daarbij ging om vergunningverlening op grond van de Natuurbeschermingswet en niet op grond van het Activiteitenbesluit.
9.8.
De rechtbank stelt vast dat het college geen eigen onderzoek heeft laten uitvoeren naar de milieueffecten van het maatwerk, maar is afgegaan op het rapport van 24 juni 2021 van Glastuinbouw Nederland dat bij de aanvragen is ingediend. In dit rapport wordt verwezen naar het rapport “Effecten op natuur door toename van verlichting van snelwegen” van Royal HaskoningDHV uit 2019.
9.9.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich voor wat betreft de milieueffecten op de in de directe omgeving aanwezige diersoorten kunnen baseren op het rapport van 24 juni 2021 en de daarin opgenomen verwijzing naar het rapport van RoyalHaskoning DHV uit 2019. Hoewel eiseres ter zitting terecht naar voren heeft gebracht dat het rapport van RoyalHaskoning DHV niet ziet op assimilatiebelichting, maar op wegbelichting, en is opgesteld in het kader van mogelijke verplichtingen op grond van de natuurwetgeving, neemt dat niet weg dat het in dat onderzoek ook gaat om de gevolgen voor de fauna van lichttoename in gebieden die al te maken hebben met lichtverstoringen. In dit rapport uit 2019 wordt geconcludeerd dat het weer aanzetten van verlichting op verschillende plekken langs snelwegen onder die omstandigheden geen wezenlijk effect heeft op de aanwezige vleermuizen, vogels, amfibieën, reptielen en vissen. Ook heeft het geen of nauwelijks extra effecten op de populaties van insecten en andere invertebraten. In het rapport van 24 juni 2021 wordt hieraan toegevoegd dat dit in de glastuinbouw voor vleermuizen des te meer geldt, omdat vleermuizen met name actief zijn in de periode april tot en met oktober en in die periode assimilatiebelichting beperkt wordt toegepast. Nu ook onderhavige kassen liggen in een gebied dat zich kenmerkt door de aanwezigheid van glastuinbouw en waar lichtuitstraling al lange tijd aanwezig is, kon het college op basis van deze bevindingen uit het rapport uit 2019 aannemen dat de milieueffecten van de lichttoename op de fauna als gevolg van het maatwerk beperkt zijn. Het college kon daarbij ook betrekken dat ook zonder maatwerk sprake is van uitstoot van assimilatiebelichting en dat de effecten van de hogere belichting ten opzichte van de reguliere afschermingspercentages beperkt zijn, zoals in het rapport van 24 juni 2021 is toegelicht. Eiseres heeft de bevindingen over de gevolgen van lichttoename voor de fauna onder die omstandigheden niet gemotiveerd betwist. De door eiseres aangehaalde publicaties hebben betrekking op de effecten van lichthinder op fauna in zijn algemeenheid, maar gaan niet over de mate en gevolgen van lichthinder in de situatie van lichttoename bij reeds aanwezige lichtemissies en lichthinder in de directe omgeving. Het betoog slaagt niet.
Termijn van vijf jaar
10. Eiseres is het niet eens met de termijn van vijf jaar waarvoor het maatwerk is verleend. Maatwerk dient een tijdelijk en incidenteel karakter te hebben. Het is daarom niet gepast om opnieuw maatwerk te verlenen, zeker niet voor een periode van vijf jaar. De rozentelers worden daardoor ook niet aangespoord om teeltmogelijkheden te onderzoeken om tot eindigheid van het maatwerk te kunnen komen. De gegeven termijn is ook langer dan de afschrijftermijnen van de huidige installaties van de rozentelers. Volgens eiseres had het college daarom een overgangstermijn moeten stellen ter beëindiging van het maatwerk. Eiseres verzoekt de rechtbank ten slotte te bepalen dat er vanaf 1 mei 2026 geen maatwerkbesluiten voor de rozentelers meer zullen worden genomen.
10.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de wetgever geen tijdsindicatie heeft gegeven wanneer het stellen van maatwerk niet meer opportuun zou zijn. Het geven van een overgangsperiode is niet mogelijk, omdat de mogelijkheid tot maatwerk is opgenomen in landelijke regelgeving. Indien blijkt dat in de tussentijd de BBT voor de rozenteelt zijn veranderd en het maatwerk als gevolg daarvan niet langer passend is, dient het bevoegd gezag het maatwerk ambtshalve in te trekken. Door middel van het stellen van voorschriften die zien op het evalueren van de ontwikkeling van de techniek en het inzichtelijk maken in welke onderzoeken een rozenteler heeft geparticipeerd, wordt druk op de rozenteler gehouden om zijn technieken te blijven ontwikkelen opdat uiteindelijk geteeld zou kunnen worden zonder maatwerk.
10.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de maatwerkvoorschriften in redelijkheid voor een periode van vijf jaar kunnen stellen. Daarbij heeft het college acht kunnen slaan op de bevindingen in het rapport van 24 juli 2021 van Glastuinbouw Nederland en de daarin aangehaalde onderzoeken. Daaruit volgt dat er ten tijde van het bestreden besluit, ondanks de inspanningen van de rozenteeltsector en de experimenten met andere teelttechnieken, nog geen nieuwe technieken binnen handbereik waren waarbij geen maatwerk meer nodig zou zijn. Zoals in de bestreden besluiten is vermeld, kon het college op basis van de onderzoeken aannemen dat een termijn van vijf jaar de redelijke verwachting is voor het ontwikkelen van nieuwe teeltechnieken. Er bestond daarom ook geen aanleiding voor het verlenen van een kortere (overgangs)termijn. De omstandigheid dat de afschrijftermijnen van de installaties die de rozentelers gebruiken mogelijk korter zijn dan de termijn van het maatwerk, maakt het voorgaande ook niet anders. Daarbij betrekt de rechtbank dat het college voorschriften aan de maatwerkbesluiten met betrekking tot de nanacht heeft verbonden die voorzien in monitoring en evaluatiemomenten waarbij in een periode van vijf jaar twee keer een rapport dient te worden ingediend, waarin de teeltgegevens en de ontwikkelingen in de teelttechniek worden geëvalueerd en vastgelegd. Tevens moet worden vermeld in welke onderzoeken is geparticipeerd en wat daarvan de uitkomsten zijn. Met name in het laatste (vijfde) jaar moet duidelijkheid worden gegeven over de technische en financiële mogelijkheden, inclusief een plan van aanpak met termijnen met als doel te voldoen aan de generieke regels van het Activiteitenbesluit. Daar komt bij dat het college regelmatig dient te bezien of de voorschriften nog toereikend zijn gezien de ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu en dat het college de maatwerkvoorschriften ambtshalve dient te wijzigen indien die ontwikkelingen daartoe aanleiding geven. [8] Het college geeft in het bestreden besluit ook aan dat dit betekent dat aan de hand van de evaluatiemomenten regelmatig zal worden bezien of de inrichting nog voldoet aan BBT en dat de maatwerkbeschikkingen kunnen worden gewijzigd of ingetrokken als een betere techniek wordt vastgesteld.
10.3.
De rechtbank gaat niet in op het verzoek van eiseres om te bepalen dat er vanaf 1 mei 2026 geen maatwerkbesluiten voor de rozentelers meer zullen worden genomen. Het bestreden besluit ziet op het verlenen van maatwerk tot 1 mei 2026. Het verzoek van eiseres valt daarom buiten de omvang van het bestreden besluit.
10.4.
Het betoog slaagt niet. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de wetgever geen tijdsindicatie heeft gegeven over de eindigheid van het maatwerk en de rozenteeltsector de ruimte heeft gegeven zich aan te passen aan de strenger geworden voorschriften in het Activiteitenbesluit. Dit neemt niet weg dat, zoals het college in de maatwerkbeschikkingen ook aangeeft, de bedoeling van de wetgever is dat maatwerk voor assimilatiebelichting moet worden uitgefaseerd. Dat betekent dat het college naarmate de periode waarin het maatwerk wordt verleend nog langer voortduurt en voor zover opnieuw om verlenging van het maatwerk zal worden gevraagd, extra kritisch zal moeten bezien - en waar nodig moeten laten onderzoeken - of de inspanningen van de rozentelers om aan de regels over assimilatiebelichting in het Activiteitenbesluit te kunnen voldoen toereikend zijn.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. L.F.A. Bouwens-Bos, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 1:2
1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
(…)
3. Ten aanzien van rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.
Artikel 8:69
De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.
Wet milieubeheer
Artikel 8.42
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8.40 kan met betrekking tot daarbij aangegeven onderwerpen de verplichting worden opgelegd te voldoen aan voorschriften die nodig zijn ter bescherming van het milieu, gesteld door een bij die maatregel aangegeven bestuursorgaan.
(…).
Activiteitenbesluit milieubeheer
Artikel 1.1, eerste lid
(…)
donkerteperiode: periode van 1 november tot 1 april van 18.00 tot 24.00 uur en van 1 april tot 1 mei en van 1 september tot 1 november van het tijdstip van een half uur na zonsondergang tot 02.00 uur;
(…)
nanacht: periode van 1 november tot 1 april van 24.00 uur tot het tijdstip van zonsopgang en van 1 april tot 1 mei en van 1 september tot 1 november van 02.00 uur tot het tijdstip van zonsopgang;
(…).
Artikel 3.57
1. Indien assimilatiebelichting met een verlichtingssterkte van ten minste 15.000 lux wordt toegepast, is vanaf het tijdstip van zonsondergang tot het tijdstip van zonsopgang de bovenzijde van de kas op een zodanige wijze afgeschermd dat ten minste 98% van de lichtuitstraling wordt gereduceerd.
2. Het bevoegd gezag kan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, bij maatwerkvoorschrift een ander percentage dan het percentage, bedoeld in het eerste lid, vaststellen.
(…)
Artikel 3.58
1. Indien assimilatiebelichting met een verlichtingssterkte van minder dan 15.000 lux wordt toegepast, is:
a. gedurende de donkerteperiode die toepassing niet toegestaan, tenzij de bovenzijde op een zodanige wijze is afgeschermd dat de lichtuitstraling met ten minste 98% wordt gereduceerd, en
b. gedurende de nanacht die toepassing niet toegestaan, tenzij de bovenzijde op een zodanige wijze is afgeschermd dat de lichtuitstraling met ten minste 74% wordt gereduceerd.
2. Het bevoegd gezag kan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, bij maatwerkvoorschrift een ander percentage dan het percentage in het eerste lid, onder a en b, vaststellen.
(…).

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 30 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1739.
2.Zie onder meer de uitspraken van 6 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2217, en 8 december 2010, ECLI:NL:RVS:2020:BO6612.
3.Zie de Nota van toelichting bij het Activiteitenbesluit, Stb. 2007, 415, blz. 116.
4.Stb. 2012, 441, blz. 143.
5.Stb. 2017, 305, blz. 23.
6.Eiseres wijst op de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT9287.
8.Artikel 2.30, eerste lid, en artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo.