Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, met de Somalische nationaliteit, diende op 8 november 2024 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat uit Eurodac bleek dat eiser op 22 november 2023 al in Duitsland om internationale bescherming had verzocht. Duitsland werd op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk gesteld en accepteerde dit op 9 januari 2025.
Eiser betoogde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel jegens Duitsland niet meer geldt vanwege zijn eerdere negatieve ervaringen en vrees voor directe uitzetting naar zijn land van herkomst. Tevens stelde hij dat de medische zorg in Duitsland onvoldoende is voor zijn psychische en medische problematiek, en beriep zich op artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
De rechtbank oordeelde dat het aan eiser was om aannemelijk te maken dat het vertrouwensbeginsel niet van toepassing is, hetgeen niet is gelukt. De Duitse autoriteiten garanderen volgens het claimakkoord dat eiser een nieuw asielverzoek kan indienen. De gestelde medische klachten zijn onvoldoende onderbouwd en er is geen bewijs dat noodzakelijke zorg alleen in Nederland beschikbaar is. Ook zijn geen bijzondere omstandigheden gesteld die overdracht aan Duitsland onevenredig hard maken.
De rechtbank concludeert dat verweerder terecht de asielaanvraag niet in behandeling heeft genomen en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.