Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:24206

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 oktober 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
25/5853
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking en terugvordering AIO

De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag behandelde op 20 oktober 2025 het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) om de aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO) van verzoeker te beëindigen en het te veel ontvangen bedrag terug te vorderen.

Verzoeker stelde dat hij en zijn partner met een gezamenlijk inkomen van €188,26 per maand in acute financiële nood verkeren en aangewezen zijn op leningen van hun kinderen. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat er onvoldoende spoedeisend belang is, mede omdat verzoeker nog over een bedrag van ongeveer €5.000 beschikt, waarvan €3.000 geleend is, en er geen aanwijzingen zijn dat deze leningen op korte termijn terugbetaald moeten worden.

Daarnaast werd besproken dat het informele overbrengen van vermogen vanuit Iran naar Nederland niet toegestaan is, maar dat verzoeker officieel over zijn Iraanse vermogen zou kunnen beschikken via banken in Frankrijk of Duitsland. Verzoeker betwistte dit echter zonder nadere onderbouwing van de Svb.

Gezien het ontbreken van een spoedeisend belang werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen, waardoor het bestreden besluit voorlopig van kracht blijft tot op het bezwaar is beslist. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de intrekking en terugvordering van de AIO wordt afgewezen wegens ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/5853

uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 oktober 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker, en [verzoekster] , verzoekster, uit [woonplaats] ,

gezamenlijk ook: verzoekers
(gemachtigde: mr. A. Roozdar),
en

de Sociale Verzekeringsbank, de Svb

(gemachtigde: K. Verbeek).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de intrekking en terugvordering van de aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO) die verzoeker ontving van de Svb. Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af omdat er geen sprake is van een spoedeisend belang. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 13 februari 2025 heeft de Svb de AIO-aanvulling van verzoeker beëindigd met ingang van 16 mei 2024. Verzoeker moet een bedrag van € 7.213,93 aan te veel ontvangen bijstand over de periode van mei 2024 tot en met januari 2025 terugbetalen. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 20 oktober 2025 op zitting behandeld. Hierbij waren aanwezig: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, een tolk (S. Olia) en de gemachtigde van de Svb.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3.1.
Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening wordt alleen getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op het ingediende bezwaar- of beroepschrift.
3.2.
Volgens verzoeker heeft hij een spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening. Verzoeker voert daartoe aan dat hij en zijn partner sinds de beëindiging van de AIO-aanvulling een gezamenlijk inkomen hebben van € 188,26 per maand. Om in hun onderhoud te kunnen voorzien zijn verzoekers aangewezen op hulp van hun kinderen. In de afgelopen periode hebben zij grote bedragen van hen moeten lenen. Ook hebben de financiële problemen een grote impact op hun gezondheid, aldus verzoeker.
3.3.
De voorzieningenrechter ziet in het betoog van verzoeker onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat er sprake is van een spoedeisend belang. Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij op dit moment ongeveer € 5.000,- op zijn bankrekening heeft, waarvan hij ongeveer € 3.000,- heeft geleend van zijn kinderen. Gesteld noch gebleken is dat verzoeker deze leningen op korte termijn moet terugbetalen. De gemachtigde van de Svb heeft op zitting verklaard dat in principe deze maand nog, dus vóór 31 oktober 2025, een beslissing op bezwaar zal worden genomen. Van acute financiële nood is daarom voorlopig nog geen sprake. Gelet hierop gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat er geen spoedeisend belang is waardoor verzoekers niet kunnen wachten op de beslissing op hun bezwaarschrift.
3.4.
Overigens merkt de voorzieningenrechter op dat de gemachtigde van de Svb ter zitting heeft erkend dat het op informele wijze – dus illegaal – overbrengen van het vermogen van verzoeker vanuit Iran naar Nederland niet de bedoeling is. Wel heeft de Svb gesteld dat verzoeker over zijn Iraanse vermogen kan beschikken op officiële manieren, bijvoorbeeld door bij een vestiging van de Saderat Bank in Frankrijk of Duitsland zijn geld op te nemen. Verzoeker heeft nadrukkelijk weersproken dat dit mogelijk is, en heeft verklaard dat dat hem ook te verstaan is gegeven toen hij in Iran bij de Saderat Bank navraag deed naar deze mogelijkheid. Zonder nadere onderbouwing van de stelling van de Svb bestaat er op voorhand reden voor twijfel over de vraag of verzoeker vanuit Nederland langs deze weg over zijn Iraanse vermogen kan beschikken.

Conclusie en gevolgen

4. Omdat het spoedeisend belang ontbreekt, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek wordt daarom afgewezen. Dat betekent dat het bestreden besluit in ieder geval blijft gelden tot op het bezwaar is beslist. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.