ECLI:NL:RBDHA:2025:24191

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
NL25.8871
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Asielaanvraag van Iraanse eiser met betrekking tot deelname aan demonstraties en politieke vervolging

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 10 december 2025 uitspraak gedaan in een asielprocedure van een Iraanse eiser. De eiser, geboren in 1979, heeft in Nederland een asielaanvraag ingediend op 7 december 2022, na te zijn gevlucht uit Iran. Hij heeft gesteld dat hij problemen ondervindt vanwege zijn deelname aan demonstraties tegen de Iraanse autoriteiten en zijn afvalligheid van de islam. De minister van Asiel en Migratie heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat de problemen die eiser heeft gesteld niet geloofwaardig werden geacht. De rechtbank heeft het beroep van eiser gegrond verklaard, omdat de minister ondeugdelijk gemotiveerd heeft dat eiser niet aan de voorwaarden van de Vreemdelingenwet voldoet. De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft onderbouwd waarom de verklaringen van eiser ongeloofwaardig zijn en dat de minister niet heeft aangetoond dat eiser redelijkerwijs in staat zou zijn om documenten te overleggen die zijn verhaal ondersteunen. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd en de minister opgedragen om binnen tien weken een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag, met inachtneming van de uitspraak. Tevens is de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.8871

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M. Gavami),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Sarmastzada).

Procesverloop

Bij besluit van 17 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep van eiser, gelijktijdig met het beroep van eisers echtgenote (zaak NL25.8870), op 16 juli 2025 op zitting behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen: eiser, eisers echtgenote, de gemachtigde van eiser, [naam 1] als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

Het asielrelaas
1.1.
Eiser is geboren op [geboortedatum] 1979 en heeft de Iraanse nationaliteit. Op 7 december 2022 heeft hij in Nederland een asielaanvraag ingediend.
1.2.
Eiser heeft aan zijn asielaanvraag – samengevat – het volgende ten grondslag gelegd. Op 14 juni 2009 heeft eiser gedemonstreerd tegen de uitslag van de Iraanse presidentsverkiezingen. Nadat hij een vrouw had geholpen die door een agent werd mishandeld, werd hij gearresteerd. Vervolgens is eiser veroordeeld voor opruiing tot mishandeling van de agent en heeft hij drie jaar gevangenisstraf gekregen. Na negen maanden te hebben gezeten kreeg hij gratie van de Ayatollah. Er hangt hem echter nog altijd een voorwaardelijke straf van vijf jaar gevangenisstraf en 74 zweepslagen boven het hoofd.
In de gevangenis heeft eiser, die niet streng religieus is opgevoed, zich afgewend van de islam. Tussen 2019 en 2021 heeft eiser, samen met zijn vriend [naam 2], op straat koranverzen verspreid die tegenstrijdigheden en onjuistheden in de koran blootleggen. Met deze acties wilde hij duidelijk maken dat de koran, of in elk geval de manier waarop het Iraanse regime de koranregels toepast, onmenselijk en onderdrukkend is.
Op 21 april 2021 is eiser betrokken geweest bij een protest van winkeliers tegen de coronamaatregelen. Eiser is toen aangehouden. Na twee dagen is eiser op borgtocht vrijgelaten, maar wel onder de voorwaarden dat hij zou meewerken met de Iraanse autoriteiten. Niet lang daarna, op 22 mei 2021, werd zijn vriend [naam 2] door de Iraanse autoriteiten gearresteerd. Diezelfde dag is eiser ondergedoken, omdat hij vreesde dat ook hij zou worden aangehouden vanwege de verspreiding van de koranverzen. Nog die dag zijn de autoriteiten bij zijn woning geweest en hebben zij een huiszoeking verricht. Vanwege deze gebeurtenissen en de voorwaardelijke straf die hem nog altijd boven het hoofd hangt, heeft eiser Iran in maart 2022 verlaten. Bij terugkeer naar Iran vreest eiser gearresteerd te worden door de autoriteiten.
Het bestreden besluit
2.1.
Verweerder heeft de volgende relevante elementen vastgesteld en beoordeeld:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Politieke overtuiging en problemen door demonstraties;
Afvalligheid en problemen die daaruit voortvloeien.
2.2.
Verweerder acht het eerste element geloofwaardig. Het tweede element acht verweerder gedeeltelijk geloofwaardig. Verweerder gelooft wel dat eiser heeft deelgenomen aan een demonstratie en een protest en dat hij een politieke overtuiging heeft, maar niet dat eiser daardoor problemen heeft ondervonden, waaronder de veroordeling tot een gevangenisstraf en een voorwaardelijke straf. Het derde element acht verweerder eveneens gedeeltelijk geloofwaardig. Verweerder gelooft wel dat eiser afvallig is, maar niet dat hij als gevolg daarvan problemen heeft ervaren. De geloofwaardig geachte (onderdelen van) elementen leveren volgens verweerder geen asielgrond op als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), omdat op grond daarvan niet aannemelijk is dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of dat hij bij terugkeer naar Iran een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Gelet op het vorenstaande, en nu eiser zijn asielaanvraag volgens verweerder niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend, heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw.
Het oordeel van de rechtbank
Problemen door deelname aan demonstraties
3. Verweerder heeft geloofwaardig geacht dat eiser in 2009 heeft deelgenomen aan een demonstratie en in 2021 aan een coronaprotest in Iran. De door eiser gestelde problemen als gevolg van zijn deelname aan de demonstratie (waaronder zijn veroordeling tot een gevangenisstraf en voorwaardelijke straf) en het protest acht verweerder ongeloofwaardig. Verweerder heeft in dit verband aan eiser tegengeworpen dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, c, d en e, van de Vw. De rechtbank toetst dit standpunt van verweerder aan de hand van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, die hoofdzakelijk tegen dit deel van het bestreden besluit zijn gericht.
Artikel 31, zesde lid, onder b, Vw – verwijtbaar ontbrekende documenten
4. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser niet heeft voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, van de Vw. Uit die bepaling volgt (onder meer) dat de vreemdeling alle documenten waarover hij beschikt moet overleggen en een bevredigende verklaring moet geven voor het ontbreken van andere relevante documenten. Meer specifiek stelt verweerder dat eiser documenten moet kunnen overleggen over zijn gevangenisstraf naar aanleiding van zijn deelname aan de demonstratie in 2009 en over zijn arrestatie in 2021.
4.1.
Eiser heeft verklaard dat hij alleen in het bezit is geweest van een bewijs van vrijlating, maar dat hij dit in Iran kwijt is geraakt. Dit acht de rechtbank niet onwaarschijnlijk, aangezien zijn vrijlating heeft plaatsgevonden in 2010, zijnde 12 jaar vóór zijn vertrek uit Iran. Eiser heeft verder gesteld dat het voor hem nagenoeg onmogelijk is om opnieuw aan het bewijs van vrijlating te komen. Daartoe heeft hij verklaard dat hij het niet via het ‘Sana-systeem’ kan verkrijgen omdat dat in die tijd nog niet bestond en dat hij het ook niet via zijn (voormalig) advocaat in Iran kan verkrijgen omdat die niet meer beschikt over kopieën van zijn zaak (p. 13 nader gehoor). In beroep heeft eiser correspondentie met zijn (voormalig) advocaat overgelegd. Verweerder heeft voormelde verklaringen van eiser naar het oordeel van de rechtbank niet deugdelijk gemotiveerd weersproken en heeft verder ook niet toegelicht op welke andere manier eiser dan opnieuw aan een bewijs van vrijlating zou moeten komen. Gelet hierop heeft verweerder ondeugdelijk gemotiveerd dat het voor eiser redelijkerwijs mogelijk moet zijn om opnieuw aan het bewijs van vrijlating te komen.
4.2.
Eiser heeft verder verklaard dat hij nooit de beschikking heeft gehad over andere documenten met betrekking tot zijn veroordeling in 2009. Daarover heeft hij verklaard dat hij is veroordeeld door de revolutionaire rechtbank, dat die rechtbank geen stukken verstrekt en dat alleen de advocaat het dossier mag inzien en enkele kopieën mag maken (p. 13 nader gehoor). In zijn zienswijze heeft eiser verwezen naar informatie in het algemeen ambtsbericht Iran van oktober 2010, waaruit blijkt dat mensen die in 2009 tijdens demonstraties zijn opgepakt geen eerlijk proces kregen, dat zij vaak niet op de hoogte werden gesteld van de aanklachten, dat ook advocaten geen toegang kregen tot processtukken en dat uitspraken in strafzaken niet werden gecommuniceerd met de verdachte en zijn advocaat. Verweerder heeft deze verklaringen van eiser, die in meer of mindere mate worden ondersteund door de aangedragen landeninformatie, niet deugdelijk gemotiveerd weersproken en heeft niet toegelicht hoe eiser alsnog aan documenten over zijn veroordeling in 2009 moet komen. Gelet hierop heeft verweerder ondeugdelijk gemotiveerd dat het voor eiser redelijkerwijs mogelijk moet zijn om aan dergelijke documenten uit 2009 te komen. Dit geldt op dezelfde voet voor documenten over zijn arrestatie in 2021. Daarbij merkt de rechtbank op dat van een asielzoeker die vreest voor de autoriteiten van zijn land, niet mag worden verwacht dat hij contact opneemt met die autoriteiten om aan documenten te komen.
4.3.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, van de Vw voldoet.
Artikel 31, zesde lid, onder c, Vw – samenhangende en aannemelijke verklaringen
5. Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat eiser in dit verband niet heeft voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw. Uit die bepaling volgt dat de verklaringen van de vreemdeling samenhangend en aannemelijk moeten zijn en niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie.
5.1.
Verweerder heeft eiser hiertoe in de eerste plaats tegengeworpen dat eiser in de diverse gehoren niet consistent heeft verklaard over hoe lang hij na zijn arrestatie in 2009 in de gevangenis heeft gezeten (punt 2.2.1 in het voornemen). Dat eiser hierover niet consistent heeft verklaard, is op zichzelf bezien feitelijk juist. Tijdens het gehoor bij de AVIM en het aanmeldgehoor heeft eiser namelijk verklaard dat hij drie jaar lang was gemarteld (p. 2 AVIM-gehoor) en dat hij een gevangenisstraf van drie jaar heeft gekregen en uitgezeten (p. 14 aanmeldgehoor), terwijl hij tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat hij van de opgelegde gevangenisstraf van drie jaar, negen maanden heeft uitgezeten (p. 11 nader gehoor). Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder echter ondeugdelijk gemotiveerd voorbij gegaan aan de correctie die eiser op dit punt op zowel het AVIM-gehoor als het aanmeldgehoor heeft gemaakt in zijn correcties en aanvullingen van 11 januari 2024. Daarin heeft hij als correctie vermeld dat hij drie jaar gevangenisstaf heeft gekregen, dat hij na negen maanden op grond van amnestie is vrijgekomen en dat hij die periode van drie jaar als een marteling heeft ervaren ondanks dat hij eerder was vrijgekomen. Van aanzienlijk belang in dit verband acht de rechtbank dat eiser deze correctie uit zichzelf en spontaan, dus niet naar aanleiding van enige confrontatie, en (11 dagen) vóór het nader gehoor heeft gemaakt en dat zijn verklaringen tijdens het nader gehoor in overeenstemming zijn met deze correctie. Dit heeft verweerder onvoldoende betrokken bij zijn besluitvorming, waarin de nadruk ligt op de verklaringen van eiser (na confrontatie) tijdens het nader gehoor. Gelet hierop heeft verweerder ondeugdelijk gemotiveerd waarom hij de spontane en tijdige correctie van eiser op dit punt niet accepteert en, in het verlengde daarvan, waarom hij de inconsistente verklaringen over de duur van de gevangenisstaf aan eiser tegenwerpt. Deze tegenwerping, zoals die is gemotiveerd in het bestreden besluit, houdt daarom geen stand.
Ook verweerders standpunt dat er, blijkens de verklaringen van eiser tijdens het nader gehoor, meer dan negen maanden zit tussen de datum van arrestatie (14 juni 2009) en de datum van vrijlating (11 juli 2010) kan naar het oordeel van de rechtbank niet overeind blijven, alleen al niet omdat eiser hiermee tijdens het nader gehoor niet is geconfronteerd.
5.2.
Verweerder heeft eiser ook tegengeworpen dat niet valt in te zien dat juist hij is opgepakt tijdens de demonstratie in 2009 (punt 2.2.2 in het voornemen). Verweerder wijst er hierbij op dat er een groot aantal mensen aanwezig was bij de demonstratie waardoor niet valt in te zien hoe de agenten wisten dat eiser degene was die opriep om de vrouw te helpen, en dat eiser bovendien niet degene was die de agent sloeg. De rechtbank volgt eiser in zijn standpunt dat ook deze tegenwerping niet op een deugdelijke motivering berust. Deze tegenwerping, zoals die is gemotiveerd, heeft een onvoldoende objectief karakter. De tegenwerping is ingegeven door aannames van verweerder over hoe deze gebeurtenis heeft plaatsgevonden en verweerder legt niet deugdelijk uit waarom het niet zo gegaan kan zijn zoals eiser heeft verklaard. Eiser schetst een situatie van een grote menigte met veel chaos, waarin hij is vastgepakt door een agent nadat hij had opgeroepen om een vrouw te bevrijden uit handen van een andere agent en zelf die vrouw onder zijn hoede had genomen. Deze verklaringen zijn naar het oordeel van de rechtbank niet zo bevreemdend dat op voorhand duidelijk is dat het niet (zo) gebeurd kan zijn. Gelet hierop houdt ook deze tegenwerping, zoals die is gemotiveerd in het bestreden besluit, geen stand.
5.3.
Verweerder heeft verder tegengeworpen dat niet valt in te zien dat eiser, terwijl hij nog een lange voorwaardelijke straf boven het hoofd had hangen, enkele dagen na zijn arrestatie in 2021 bij het coronaprotest weer is vrijgelaten (punt 2.2.3 in het voornemen). Ook heeft verweerder tegengeworpen dat niet valt in te zien dat eiser, terwijl hij zijn voorwaarden van zijn vrijlating had geschonden en mogelijk verdacht werd van betrokkenheid bij het verspreiden van koranverzen, geen problemen met de autoriteiten heeft gekregen, een nieuw paspoort heeft kunnen aanvragen en Iran legaal heeft kunnen verlaten (punten 2.2.3 en 2.2.6 in het voornemen). Naar het oordeel van de rechtbank berusten ook deze tegenwerpingen niet op een deugdelijke motivering. Verweerder heeft niet toegelicht op welke objectieve gegevens hij baseert dat eisers verklaringen niet passen binnen de werkwijze van de Iraanse autoriteiten. Zo ontbreekt een onderbouwing voor verweerders standpunten die er in feite op neerkomen dat de Iraanse autoriteiten zonder meer een voorwaardelijke straf ten uitvoer leggen na een nieuwe arrestatie, en paspoortafgifte weigeren en uitreis onmogelijk maken bij een schending van de vrijlatingsvoorwaarden. Bij gebreke van een dergelijke onderbouwing hebben ook deze tegenwerpingen een onvoldoende objectief karakter. Gelet hierop kunnen ook deze tegenwerpingen, op de wijze zoals die zijn gemotiveerd in het bestreden besluit, geen stand houden.
5.4.
Verweerder heeft voorts aan eiser tegengeworpen dat hij summier heeft verklaard over de huiszoeking en het bezoek aan zijn winkel door de Iraanse autoriteiten (punten 2.2.4 en 2.2.5). Deze tegenwerpingen heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte gedaan. Eiser heeft tijdens het nader gehoor inderdaad weinig concrete informatie over deze incidenten verstrekt en verweerder verwacht niet ten onrechte van eiser dat hij meer en gedetailleerder over deze incidenten moet kunnen verklaren dan hij heeft gedaan. Weliswaar was hij niet zelf bij deze incidenten aanwezig, maar zijn echtgenote en zijn zakenpartner waren dat wel. Verweerder stelt niet ten onrechte dat van eiser mag worden verwacht dat hij bij zijn echtgenote, met wie hij samen in Nederland is, en zijn zakenpartner navraag doet over het verloop van deze incidenten, zodat hij daarover meer kan verklaren. Voor zover eiser stelt dat hij hierover niet meer kan verklaren omdat de autoriteiten bij beide incidenten geen informatie hebben verstrekt, volgt de rechtbank dit niet. Eiser had, na navraag bij zijn echtgenote en zakenpartner, ook andere dingen over deze incidenten kunnen vertellen, zoals hoeveel personen er waren, hoe zij eruit zagen, wat zij hebben gezegd en gedaan en hoe lang het heeft geduurd. Voor zover eiser stelt dat deze incidenten oninteressant zijn, volgt de rechtbank dit evenmin. Deze incidenten zijn deel van de door eisers gestelde problemen met de Iraanse autoriteiten en vormen dus een relevant onderdeel van zijn asielrelaas. Gelet op het voorgaande houden deze tegenwerpingen wél stand.
5.5.
Uit het voorgaande volgt dat slechts een klein deel van de tegenwerpingen overeind blijft (zie 5.4.) en dat de meeste tegenwerpingen, vanwege een ondeugdelijke motivering, geen stand kunnen houden (zie 5.1, 5.2. en 5.3.). Naar het oordeel van de rechtbank zijn de overgebleven tegenwerpingen, zowel qua inhoud als in aantal, onvoldoende om het standpunt van verweerder te kunnen dragen dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Verweerder heeft zich dan ook ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw is voldaan.
Artikel 31, zesde lid, onder d en e, Vw – tijdige asielaanvraag en algehele geloofwaardigheid
6. Verweerder heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat eiser in dit verband niet heeft voldaan aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d en e, van de Vw. Uit deze bepalingen volgt dat de vreemdeling zijn aanvraag zo spoedig mogelijk moet indienen en dat de vreemdeling in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd.
6.1.
Uit verweerders beleid (in paragraaf C1/4.3.2.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000) volgt dat hij van een asielzoeker verwacht dat hij zo spoedig mogelijk – meer concreet: binnen 48 uur – na binnenkomst asiel aanvraagt. Eiser heeft verklaard dat hij twee maanden in een woning in Spanje heeft verbleven, dat hij daarna met een auto naar een andere woning op een voor hem onbekende plaats is gebracht en dat hij in december 2022 per auto verder is gereisd en toen langs de weg in Nederland is afgezet, waarna hij naar Ter Apel is gegaan (p. 22-23 nader gehoor). Hoewel het opmerkelijk kan worden geacht dat eiser niet weet waar zijn tweede onderkomen, waar hij meerdere maanden heeft verbleven, was, bevatten zijn verklaringen geen concrete aanwijzingen dat dit onderkomen in Nederland was. Integendeel, eiser heeft verklaard dat hij in december 2022 ’s morgens door een auto met Spaans kenteken is opgehaald, dat de chauffeur heeft gezegd dat hij eiser naar de luchthaven in Amsterdam zou brengen en dat hij in die auto naar Nederland is gereden. Er bestaat dan ook geen grond om aan te nemen dat eiser vóór december 2022 al in Nederland verbleef. Gelet hierop en nu eiser heeft verklaard dat hij direct naar Ter Apel is gegaan nadat hij in Nederland langs de weg was achtergelaten, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en, in het verlengde daarvan, dat niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d, van de Vw is voldaan.
6.2.
De rechtbank overweegt verder dat verweerder diverse onderdelen van eisers asielrelaas – zijn politieke overtuiging, zijn deelname aan de demonstratie in 2009, zijn deelname aan het coronaprotest in 2021 en zijn afvalligheid – heeft geloofd. Alleen al hierom is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder e, van de Vw is voldaan. Hierbij komt nog dat hiervoor (onder 5.5.) al is overwogen dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.
Slotsom
7. Al het vorenstaande leidt tot de slotsom dat verweerder zich ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de door eiser gestelde problemen als gevolg van zijn deelname aan de demonstratie in 2009 en het protest in 2021 ongeloofwaardig zijn. De hiertoe aangevoerde beroepsgronden van eiser slagen.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is gezien het voorgaande gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Gelet hierop en op wat er hierna is overwogen over de verdere afdoening, behoeft hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd geen inhoudelijke bespreking.
9. De rechtbank ziet geen mogelijkheid de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, nu verweerder de geconstateerde gebreken in de beroepsfase niet heeft hersteld. Ook zal de rechtbank niet zelf in de zaak voorzien, omdat het aan verweerder is en blijft om de geloofwaardigheid van het asielrelaas te beoordelen. Evenmin bestaat er aanleiding voor het toepassen van een bestuurlijke lus, aangezien dit, gelet op de aard van de gebreken en de wijze waarop deze moeten worden hersteld, naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zal inhouden. Verweerder wordt daarom opgedragen om, met inachtneming van deze uitspraak, binnen tien weken een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser. Indien verweerder voornemens is de aanvraag opnieuw af te wijzen, dient verweerder in zijn nieuw te nemen besluit ook in te gaan op wat eiser in deze procedure naar voren heeft gebracht over zijn vrees bij terugkeer naar Iran (zowel op het vliegveld als, daarna, ín Iran) vanwege zijn geloofwaardig geachte afvalligheid.
10. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 17 februari 2025;
- draagt verweerder op binnen tien weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag, met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Feijtel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.