ECLI:NL:RBDHA:2025:24169

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
09/222378-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak medeplichtigheid aan een gewapende woningoverval met niet-ontvankelijkheid van benadeelde partijen

Op 18 december 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van medeplichtigheid aan een gewapende woningoverval. De overval vond plaats in de nacht van 30 op 31 mei 2025 in Schiedam, waarbij drie bewoners met geweld en onder dreiging van een wapen zijn afgeperst. De verdachte werd beschuldigd van het faciliteren van de overval door medeverdachten met elkaar in contact te brengen. Tijdens de zittingen op 10 september en 4 december 2025 heeft de rechtbank de vordering van de officier van justitie gehoord, die een gevangenisstraf van 3,5 jaar eiste. De verdediging pleitte voor vrijspraak, stellende dat er onvoldoende bewijs was voor (voorwaardelijk) opzet van de verdachte. De rechtbank concludeerde dat, hoewel er aanwijzingen waren die vragen opriepen, er onvoldoende bewijs was om de verdachte schuldig te verklaren. De rechtbank sprak de verdachte vrij van de tenlastegelegde feiten. Daarnaast werden de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard, omdat de verdachte van de feiten waarop de vorderingen betrekking hebben, werd vrijgesproken. De rechtbank bepaalde dat de kosten voor de vorderingen door de benadeelde partijen en de verdachte zelf gedragen moesten worden.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/222378-25
Datum uitspraak: 18 december 2025
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats],
BRP-adres: [adres 1], [postcode] te [woonplaats].

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 10 september 2025 (pro forma) en
4 december 2025 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr.
M. Kampen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. D.C.O. Ayinla naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, die is gewijzigd op de terechtzitting van 4 december 2025. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Inleiding
Op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat in de nacht van 30 op 31 mei 2025 een gewapende woningoverval plaats heeft gevonden op de [adres 2] in Schiedam (hierna: de woning) waarbij de overvallers drie van de aanwezige bewoners (een vader, moeder en hun jongste dochter) met geweld en onder dreiging van een wapen hebben afgeperst en hebben gepoogd te bestelen. De vader van het gezin is meerdere keren hard tegen zijn hoofd geslagen en de moeder is tegen haar schouder geslagen, beide met een zaklamp welke is gebruikt als slagwapen. De handen van deze drie bewoners zijn vastgebonden met tie wraps en hun monden zijn dichtgeplakt met tape. De oudste dochter, die eveneens in de woning was, heeft zichzelf verstopt op zolder en heeft 112 gebeld. De vader van het gezin heeft
€ 380,- aan de verdachten afgegeven.
3.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde en heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3,5 jaar, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
Op specifieke standpunten wordt hierna – voor zover relevant – ingegaan.
3.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit.
Op specifieke verweren wordt hierna – voor zover relevant – ingegaan.
3.4.
Vrijspraak
De vraag die voorligt is of kan worden bewezenverklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid aan de woningoverval. Meer specifiek is van belang of buiten gerede twijfel kan worden vastgesteld dat hij door [medeverdachte 1] te vertellen dat hij twee personen heeft die actief zijn voor die ‘torrie’ en vervolgens [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] met elkaar in contact te brengen, minst genomen voorwaardelijk opzet hierop heeft gehad.
De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Hoewel de rechtbank van oordeel is dat het dossier aanknopingspunten bevat die de nodige vragen oproepen en waarover de verdachte geen duidelijkheid heeft (willen) (ge)geven, zijn die punten onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. De inhoud van de chatberichten, het met elkaar in contact brengen van de medeverdachten, het aanmaken van een groepschat, het regelen van een chauffeur, de contacten gedurende de avond en nacht met de medeverdachte en de gedragingen van verdachte na de woningoverval vindt de rechtbank op z’n minst genomen opvallend en verdacht. Echter, voor een bewezenverklaring is vereist dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet en daarmee wetenschap vooraf van de woningoverval. Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan de rechtbank die wetenschap niet met een voldoende mate van zekerheid vaststellen.
Dit betekent dat het tenlastegelegde niet is bewezen en dat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

4.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[aangever] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 47.741,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 2.741,- aan materiële schade,
€ 20.000,- aan immateriële schade en € 25.000,- aan toekomstige schade.
[aangeefster 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 22.885,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 385,- aan materiële schade,
€ 20.000,- aan immateriële schade en € 2.500,- toekomstige schade.
[aangeefster 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 22.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 20.000,- aan immateriële schade en € 2.500,- aan toekomstige schade.
[aangeefster 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 13.811,45, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 3.311,45 aan materiële schade, € 8.000,- aan immateriële schade en € 2.500,- aan toekomstige schade.
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van [aangever] kan worden toegewezen voor een bedrag van € 20.461,-, bestaande uit de gevorderde kosten van het eigen risico en het ziekenhuisgeld, en immateriële schade, met wettelijke rente en toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering dient voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat die onvoldoende onderbouwd is.
De officier van justitie stelt zich tevens op het standpunt dat de vordering van [aangeefster 1] kan worden toegewezen tot een bedrag van € 10.385,-, bestaande uit de gevorderde kosten van het eigen risico en immateriële schade, met wettelijke rente en toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering dient voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat die onvoldoende onderbouwd is.
De officier van justitie stelt zich daarnaast op het standpunt dat de vordering van [aangeefster 2] kan worden toegewezen tot een bedrag van € 10.000,-, met wettelijke rente en toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering dient voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard.
De officier van justitie stelt zich als laatste op het standpunt dat de vordering van [aangeefster 3] in zijn kan worden toegewezen tot een bedrag van € 11.311,45,-, bestaande uit de gevorderde kosten van de extra rijlessen en het gemiste rijexamen, en de immateriële schade, met wettelijke rente en toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Alhoewel er tegen deze benadeelde partij geen geweld is gebruikt en zij niet is bedreigd, is de door haar gevorderde schade wel rechtstreekse schade van het strafbare feit. Over de toekomstige schade van [aangeefster 3] heeft de officier van justitie geen standpunt ingenomen.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt om de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal alle benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen, aangezien de verdachte van de feiten waarop de vorderingen betrekking hebben, zal worden vrijgesproken.
De rechtbank zal bepalen dat de verdachte en de benadeelde partijen ieder de eigen kosten dragen die in verband met deze vorderingen zijn gemaakt.

5.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
de vorderingen van de benadeelde partijen;
bepaalt dat de benadeelde partijen [aangever], [aangeefster 1], [aangeefster 2] en [aangeefster 3] niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding;
bepaalt dat de benadeelde partijen en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.P. Verbeek, voorzitter,
mr. A. Dantuma-Hieronymus, rechter,
mr. M.M. Koers, rechter,
in tegenwoordigheid van mrs. A.C. Veltink en L. Molenaar, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 december 2025.