ECLI:NL:RBDHA:2025:24153

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
10/166216-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor medeplegen van een gewapende woningoverval met zware gewelds- en vrijheidsbeperkende handelingen

Op 18 december 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die betrokken was bij een gewapende woningoverval op 31 mei 2025 in Schiedam. De verdachte, geboren in 1992, werd beschuldigd van medeplegen van de overval, waarbij geweld en bedreiging met een vuurwapen werd gebruikt. Tijdens de overval werden de bewoners van de woning, waaronder een vader, moeder en hun kinderen, met geweld bedreigd en vastgebonden. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte op de hoogte was van de gewelddadige aard van de overval en dat hij actief deelnam aan de uitvoering ervan. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaar, met aftrek van voorarrest. Daarnaast zijn de vorderingen van de benadeelde partijen gedeeltelijk toegewezen, met schadevergoedingen voor immateriële en materiële schade. De rechtbank heeft de ernst van de feiten en de impact op de slachtoffers zwaar laten meewegen in de strafoplegging.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 10/166216-25
Datum uitspraak: 18 december 2025
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] , [postcode] te [woonplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 10 september 2025 (pro forma) en
4 december 2025 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Kampen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. F.C. Knoef naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, die is gewijzigd op de terechtzitting van 4 december 2025. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
Op specifieke standpunten wordt hierna – voor zover relevant – ingegaan.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich namens de verdachte op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de zwaarste gewelds- en vrijheidsbeperkende handelingen in de tenlastelegging, nu deze enkel door de medeverdachte zouden zijn begaan en niet aan de verdachte kunnen worden toegerekend nu hij hier geen opzet op heeft gehad.
Op specifieke verweren wordt hierna – voor zover relevant – ingegaan.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1700-2025184350, van de politie eenheid Rotterdam, district Rijnmond-Noord, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 304).
1. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 4 december 2025, voor zover inhoudende:
Het klopt dat ik bij de overval was betrokken. We hebben gewacht bij de woning van die meneer totdat hij thuis kwam. Ik heb het wapen gekregen voordat we de auto uitstapten en naar de woning toeliepen. Ik liep voorop. Die meneer had zijn auto geparkeerd. Hij wilde naar binnen gaan en de deur dichtdoen. Ik heb toen de deur opengetrapt. Ik heb die meneer vastgepakt en met hem geworsteld in de gang. Ik heb gezien dat [medeverdachte] die meneer heeft geslagen, ook met de zaklamp. We hebben beide gevraagd of hij geld of een kluis in huis had. Die meneer heeft € 380,- aan mij afgegeven tijdens de worsteling en dat heb ik in mijn zak gedaan.
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] , opgemaakt op 1 juni 2025, voor zover inhoudende (p. 105-106):
Ik woon aan het [adres 2] te Schiedam. Ik was op 31 mei 2025 omstreeks 00:15 uur thuis. Ik haalde mijn voordeur van slot en opende deze. Ik liep mijn gang in en draaide mij om naar de voordeur toe om deze dicht en op slot te doen. Terwijl ik de deur dicht wilde duwen voelde ik dat mijn voordeur met kracht werd opengeduwd. Ik zag direct twee mannen in mijn deuropening staan en ik zag dat een van de mannen een vuurwapen in zijn hand had. Ik zag dat het vuurwapen op mij gericht was. Ik hoorde de mannen direct om geld schreeuwen. Dat wapen was op mijn hoofd gericht. Terwijl ik in een soort van worsteling raakte kreeg ik van de andere man meerdere klappen op mijn hoofd. Ik zag dat de man die mij sloeg dit deed met een grote zaklantaarn. Ze bleven maar om geld schreeuwen. Ik riep terug naar ze: "Ik heb geld". Ik had 370 euro aan kasgeld bij mij en een paar vijfjes van mijzelf. Ik gaf het geld aan ze. Ik hoorde ze toen roepen om een kluis. Terwijl dit allemaal gebeurde werd ik getiewrapped en werd mijn mond dicht getaped. Dit deed de jongen die mij sloeg. Ik zag die jongen vervolgens naar de bovenverdieping gaan en zag dat de jongen die mij sloeg mijn vrouw de woonkamer in sleurde. Ik zag dat hij haar handen vastbond en haar mond dicht tapte. Ik zag vervolgens dat hij weer naar de bovenverdieping liep en vervolgens met mijn jongste dochter de woonkamer in liep. Ik zag dat hij haar handen ook vast bond en haar mond dicht tapte. Ik werd toen ook de woonkamer in gesleurd. Die twee jongens bleven schreeuwen om geld en om de kluis. Ik werd weer geslagen. Op een gegeven moment voelde ik een hele harde klap en ben ik out gegaan.
3. Het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster 1] , opgemaakt op 31 mei 2025, voor zover inhoudende (p. 119):
De verdachten schreeuwden tegen mij "Wil je ook een kogel door je hoofd, hou je bek." Ik kreeg toen ook een klap op mijn linkerschouder. Ik werd geslagen met iets van een lantaarn. Zij schreeuwden dat ik mijn handen voor mij moest houden, en toen zijn mijn handen vastgebonden met een tierap en mijn mond afgeplakt met zwarte plakband. Eén van die mannen ging toen naar boven om geld te zoeken.
4. Het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster 2] , opgemaakt op 31 mei 2025, voor zover inhoudende (p. 122):
De man die mij uit mijn kamer haalde bond mijn handen vast en tapte mijn mond dicht.
5. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 31 mei 2025, voor zover inhoudende (p. 29-31):
Ik, verbalisant [verbalisant] , verklaar het volgende:
Op 31 mei 2025 hoorde ik dat er eenheid de opdracht kreeg te gaan naar de [adres 2] te Schiedam alwaar er zich een woningoverval zou hebben voor gedaan. Derhalve stemde ik af om de namen te noteren van de inwonende aan het [adres 2] te Schiedam. Ik sprak met een vrouw die mij opgaf genaamd te zijn: [aangeefster 3] . Zij gaf mij aan dat de andere inwoners genaamd waren: [aangever] , [aangeefster 1] en [aangeefster 2] .
Ik sprak met [aangeefster 1] , zij vertelde mij in het kort het volgende:
‘’Ik zag dat een van de mannen mijn man sloeg. Ik zag dat de andere man met een pistool naar mij toe kwam. Ik zag dat hij het pistool naast mijn hoofd hield. Ik hoorde hem zeggen: "Wil je dat ik je dood schiet?"’’
6. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] , opgemaakt op 29 september 2025, voor zover inhoudende (p. 280)
Ik wist dat we de overval gingen plegen. Dat er geweld bij komt kijken, is bij een woningoverval niet vreemd.
3.4.
Bewijsoverwegingen
Op basis van het dossier en de grotendeels bekennende verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat in de nacht van 30 op 31 mei 2025 een gewapende woningoverval plaats heeft gevonden op de [adres 2] in Schiedam (hierna: de woning) waarbij de twee overvallers drie van de aanwezige bewoners (een vader, moeder en hun jongste dochter) met geweld en onder dreiging van een wapen hebben bestolen. De vader van het gezin is meerdere keren hard tegen zijn hoofd geslagen en de moeder is tegen haar schouder geslagen, beiden met een zaklamp welke is gebruikt als slagwapen. De slachtoffers zijn vastgebonden met tie wraps en hun monden zijn dichtgeplakt met tape. De oudste dochter, die eveneens in de woning was, heeft zichzelf verstopt op zolder en heeft 112 gebeld. De vader van het gezin heeft € 380,- aan de verdachten afgegeven.
Op basis van de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van medeplegen van de woningoverval.
Nu de verdachte een grotendeels bekennende verklaring heeft afgelegd, staat enkel ter discussie of de verdachte opzet heeft gehad op de gewelds- en vrijheidsbeperkende handelingen gepleegd door medeverdachte [medeverdachte] .
Medeplegen gewelds- en vrijheidsbeperkende handelingen
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het medeplegen van de zware gewelds- en vrijheidsbeperkende handelingen die door de medeverdachte zijn begaan. De uitvoering van de overval liep anders dan de verdachte en [medeverdachte] hadden voorzien. De manier waarop [medeverdachte] op de ontstane situatie heeft gereageerd, is verder gegaan dan de verdachte voor ogen heeft gehad en voor hem voorzienbaar was. De verdachte heeft volgens de verdediging dan ook geen opzet gehad op deze zware gewelds- en vrijheidsbeperkende handelingen die [medeverdachte] heeft gepleegd, te weten het slaan met een slagwapen en het afplakken van de monden en het vastbinden met tie wraps van de slachtoffers.
De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt als volgt. Voor de strafbaarheid van medeplegen is vereist dat het opzet van de verdachte gericht is op zowel het feit waaraan wordt deelgenomen als de eigen deelnemingsgedraging. Het is volgens vaste jurisprudentie niet nodig dat komt vast te staan dat de verdachte weet heeft van de precieze gedragingen die zijn mededaders hebben verricht. Vast is komen te staan dat de verdachte op voorhand wist dat hij samen met [medeverdachte] een overval zou plegen en heeft hij verklaard dat het plegen van geweld bij een woningoverval niet ongebruikelijk is. De verdachte heeft ook zelf geworsteld met [aangever] . Voorts heeft de verdachte het vuurwapen in de auto in handen gekregen en is hij met dat wapen in zijn handen de woning in gegaan. Hieruit volgt dat de verdachte ook opzet heeft gehad op het (dreigen met) geweld. Gelet op het voorgaande kan niet worden gesteld dat de gedragingen van [medeverdachte] , te weten het slaan met een slagwapen en het afplakken van de monden en het vastbinden met tie wraps van de slachtoffers, dusdanig buiten de verwachting van de verdachte zouden liggen dat hij geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op die uitvoeringshandelingen van [medeverdachte] .
Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, ook ten aanzien van de tenlastegelegde gewelds- en vrijheidsbeperkende handelingen. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen voor alle uitvoeringshandelingen bewezen.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 31 mei 2025 te Schiedam omstreeks 00.15u, tezamen en in vereniging met een
ander, in een woning aan [straatnaam] met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag dat aan die [aangever] toebehoorde door
- de deur open te duwen terwijl die [aangever] deze dicht wilde doen,
- een wapen te tonen en te richten op die [aangever] en daarbij te schreeuwen om geld en
- die [aangever] meermaals met een voorwerp op zijn hoofd te slaan
en
hij op 31 mei 2025 te Schiedam omstreeks 00.15u, tezamen en in vereniging met een
ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om uit een woning aan [straatnaam] geld en/of (de inhoud van) een kluis dat aan dhr. [aangever] , mw. [aangeefster 1] , [aangeefster 3] en/of [aangeefster 2] toebehoorde(n), weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal te doen voorafgaan
en/ofte doen vergezellen van geweld en bedreiging met geweld tegen dhr. [aangever] , mw. [aangeefster 1] en/of [aangeefster 2] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden
engemakkelijk te maken
- die [aangever] meermaals met een voorwerp op zijn hoofd heeft geslagen,
- die [aangeefster 1] met een voorwerp tegen haar schouder heeft geslagen,
- de handen van die [aangever] , [aangeefster 1] en [aangeefster 2] heeft vastgebonden met tie wraps,
- de monden van die [aangever] , [aangeefster 1] en [aangeefster 2] heeft dichtgeplakt met tape,
- een wapen heeft getoond en op het hoofd heeft gericht van die [aangever] en heeft geschreeuwd om geld en de kluis,
- een wapen heeft getoond en naast het hoofd van die [aangeefster 1] heeft gehouden en heeft gezegd "wil je dat ik je dood schiet?" en/of "wil je ook een kogel door je hoofd’’
- de woning van die dhr. [aangever] , mw. [aangeefster 1] , [aangeefster 3] en/of [aangeefster 2] heeft doorzocht,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
Gelet op de duur van de gevorderde gevangenisstraf, verzoekt de officier van justitie niet de oplegging van een contact- en locatieverbod ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).
6.2.
Het standpunt van de verdediging
Gelet op de bepleite vrijspraak voor de zware gewelds- en vrijheidsbeperkende handelingen, stelt de verdediging zich primair op het standpunt dat het feit moet worden gekwalificeerd als een woningoverval die valt tussen de vormen waarin licht en ander geweld is gebruikt, zoals omschreven in de LOVS-oriëntatiepunten, en dat aansluiting moet worden gezocht bij deze oriëntatiepunten.
Indien de rechtbank de verdediging niet volgt in de partiële vrijspraak, stelt de verdediging zich subsidiair op het standpunt dat de straf ten opzichte van medeverdachte [medeverdachte] dient te worden gematigd, nu het zware geweld en de verstrekkende vrijheidsbeperkende handelingen alleen door [medeverdachte] , althans voornamelijk door [medeverdachte] zijn gepleegd.
De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de door de benadeelde partijen verzochte contact- en locatieverbod ex artikel 38v Sr.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachte schuldig gemaakt aan een gewapende woningoverval die in de nacht plaatsvond toen de vader van het gezin thuis kwam. De verdachten hebben hem urenlang opgewacht. Bij de overval is gebruik gemaakt van fors geweld door onder meer het gebruik van een vuurwapen en een zaklamp, welke als slagwapen is gebruikt. De mededaders hebben de nietsvermoedende vader van het gezin overvallen en zijn de woning binnengedrongen. Ze hebben de vader bedreigd met een vuurwapen en hem met de zaklamp en het vuurwapen meerdere keren hard geslagen, waarbij de vader ernstig letsel aan zijn hoofd en arm heeft opgelopen. De moeder heeft haar man horen schreeuwen en is hierop de slaapkamer uit gekomen. Zij is door de verdachte naar beneden getrokken. Ook de jongste dochter is door de verdachte uit haar slaapkamer naar beneden gestuurd. Bij de vader, de moeder en de jongste dochter zijn hun handen met tie wraps aan elkaar vastgebonden en hun monden dichtgeplakt met tape. In de woning was ook de oudste dochter aanwezig. Zij heeft het voorval vanaf de zolderverdieping meegemaakt en heeft zich moeten verstoppen voor één van de overvallers die in haar slaapkamer op zoek was naar goederen. Zij heeft kans gezien de hulpdiensten te alarmeren.
Deze gebeurtenissen moeten voor de slachtoffers buitengewoon beangstigend zijn geweest. Zeker nu de ouders niet in staat waren bescherming te bieden aan hun kinderen. De rechtbank vindt het extra kwalijk dat ook twee minderjarige kinderen slachtoffer zijn geworden van deze brute overval. Het is een feit van algemene bekendheid dat een overval, zeker als deze gepaard gaat met fors geweld, vergaande gevolgen voor de slachtoffers heeft. De eigen woning is bij uitstek een plek waar men zich veilig moet kunnen voelen. Dat geldt eens te meer voor kinderen voor wie de ouderlijke woning een veilige uitvalsbasis moet zijn. Mede door het handelen van de verdachte en zijn mededaders is de slachtoffers dit gevoel van veiligheid ontnomen. De ervaring leert dat slachtoffers van een woningoverval nog lange tijd gevoelens van angst houden en daarvan veel hinder ondervinden in hun dagelijks leven. Uit de slachtofferverklaringen van [aangever] , [aangeefster 1] en [aangeefster 3] blijkt hoe groot de impact op hen en de rest van het gezin geweest is, waarbij slachtoffer [aangever] in het bijzonder nog elke dag geconfronteerd wordt met het voorval vanwege de littekens die hij hier, onder andere in zijn gezicht, aan heeft overgehouden. Ook blijkt uit hun verklaringen dat zij nog steeds bang zijn in hun eigen woning.
Van dit alles heeft de verdachte zich -achteraf- beperkte rekenschap gegeven. Destijds gold voor hem echter enkel financieel gewin om er zelf beter van te worden. De rechtbank rekent dit alles de verdachte dan ook zwaar aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 6 september 2025. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat de verdachte in 2021 is veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaren voor onder meer een winkeloverval.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 28 november 2025, waaruit volgt dat sprake is van een zorgwekkend delict- en gedragspatroon en een opeenstapeling van problematiek waaronder financieel wanbeleid, gebrek aan huisvesting en gebrek aan dagbesteding. Het recidiverisico kan niet worden ingeschat. De reclassering onthoudt zich van advisering.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is als uitgangspunt vermeld een gevangenisstraf van vijf jaar bij een woningoverval met ander dan licht geweld. In dit geval acht de rechtbank strafverhogend dat de woningoverval in vereniging is gepleegd, heeft plaatsgevonden in de nachtelijke uren, dat gebruik is gemaakt van een vuurwapen en een slagwapen, dat (zwaar) letsel is toegebracht aan de slachtoffers en dat twee van de slachtoffers minderjarig waren. Ten slotte weegt de rechtbank mee dat het initiatief voor de woningoverval en de voorbereidingen overwegend door de medeverdachte zijn getroffen.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor oplegging van een maatregel ex artikel 38v Wetboek van Strafrecht.

7.De vordering van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen

[aangever] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 47.741,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 2.741,- aan materiële schade,
€ 20.000,- aan immateriële schade en € 25.000,- aan toekomstige schade.
[aangeefster 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 22.885,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 385,- aan materiële schade,
€ 20.000,- aan immateriële schade en € 2.500,- toekomstige schade.
[aangeefster 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 22.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 20.000,- aan immateriële schade en € 2.500,- aan toekomstige schade.
[aangeefster 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 13.811,45, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 3.311,45 aan materiële schade, € 8.000,- aan immateriële schade en € 2.500,- aan toekomstige schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van [aangever] kan worden toegewezen voor een bedrag van € 20.461,-, bestaande uit de gevorderde kosten van het eigen risico en het ziekenhuisgeld, en immateriële schade, met wettelijke rente en toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering dient voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat die onvoldoende onderbouwd is.
De officier van justitie stelt zich tevens op het standpunt dat de vordering van [aangeefster 1] kan worden toegewezen tot een bedrag van € 10.385,-, bestaande uit de gevorderde kosten van het eigen risico en immateriële schade, met wettelijke rente en toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering dient voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat die onvoldoende onderbouwd is.
De officier van justitie stelt zich daarnaast op het standpunt dat de vordering van
[aangeefster 2] kan worden toegewezen tot een bedrag van € 10.000,-, met wettelijke rente en toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering dient voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard.
De officier van justitie stelt zich als laatste op het standpunt dat de vordering van [aangeefster 3] kan worden toegewezen tot een bedrag van € 11.311,45,-, bestaande uit de gevorderde kosten van de extra rijlessen en het gemiste rijexamen, en de immateriële schade, met wettelijke rente en toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Alhoewel er tegen deze benadeelde partij geen geweld is gebruikt en zij niet is bedreigd, is de door haar gevorderde schade wel rechtstreekse schade van het strafbare feit. Over de toekomstige schade van [aangeefster 3] heeft de officier van justitie geen standpunt ingenomen.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt primair om afwijzing dan wel niet-ontvankelijkheid van de door [aangever] en [aangeefster 1] gevorderde materiële schade, nu deze onvoldoende zijn onderbouwd. Subsidiair verzoekt de verdediging om de materiële schade van [aangever] fors te matigen. De door [aangeefster 3] gevorderde materiële schade dient volgens de verdediging niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu deze onvoldoende is onderbouwd en geen rechtstreekse schade betreft.
De verdediging verzoekt tevens om de gevorderde immateriële schade van alle benadeelde partijen te matigen.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Materiële en toekomstige schade
Benadeelde partij [aangever]
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op het eigen risico, de huishoudelijke hulp en de toekomstige schade, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is namens de verdachte (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. Uit de namens de benadeelde partij overgelegde stukken is niet gebleken dat het eigen risico door dit incident is verbruikt. Tevens heeft de rechtbank niet met de benodigde mate van zekerheid kunnen vaststellen welke specifieke taken in het huishouden de benadeelde partij niet heeft kunnen verrichten. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post ziekenhuisdaggeld, is namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag, te weten € 76,-.
Benadeelde partij [aangeefster 1]
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op het eigen risico en de toekomstige schade, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is namens de verdachte (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. Uit de namens de benadeelde partij overgelegde stukken is niet gebleken dat het eigen risico door dit incident is verbruikt. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Benadeelde partij [aangeefster 2]
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de toekomstige schade, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is namens de verdachte (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Benadeelde partij [aangeefster 3]
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de toekomstige schade, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is namens de verdachte (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de extra rijlessen en het gemiste rijexamen, is namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. De rechtbank maakt gebruik van haar schattingsbevoegdheid (artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek), omdat de omvang van de geleden (materiële) schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld en de gevorderde schade de rechtbank hoog voor komt. Zij acht het aannemelijk dat het ten laste gelegde feit als gevolg heeft gehad dat de benadeelde partij enige vertraging heeft gelopen in het opleidingstraject voor haar rijbewijs. De rechtbank kan echter niet vaststellen in hoeverre de door de benadeelde partij gevorderde rijlessen geen onderdeel uitmaken van het reguliere opleidingstraject. Zij stelt de schade vast op € 1.500,-.
Immateriële schade
Benadeelde partij [aangever]
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 15.000,- . De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
Benadeelde partij. [aangeefster 1]
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 10.000,- . De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
Benadeelde partij [aangeefster 2]
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. Gelet op wat door de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 10.000,- . De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
Benadeelde partij [aangeefster 3]
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 8.000,- . De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
Wettelijke rente
De rechtbank zal ten aanzien van alle vorderingen de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 31 mei 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenvergoeding
Nu de vorderingen (gedeeltelijk) worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan de schadevergoedingen worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de wettelijke rente over de toegewezen schadebedragen en de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partijen heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of wettelijke rente en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partijen hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregelen (hoofdelijk)
De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partijen aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hen is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van:
  • € 15.076,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 31 mei 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
  • € 10.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 31 mei 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster 1] ;
  • € 10.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 31 mei 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster 2] ;
  • € 9.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 31 mei 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster 3] .

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 45, 47, 55, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
de eendaadse samenloop van
afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen
en
poging tot diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
7 (zeven) jaren;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
de vordering van de benadeelde partij [aangever]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 15.076,- en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 31 mei 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
schadevergoedingsmaatregel
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 15.076,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 31 mei 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald
,ten behoeve van [aangever] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 110 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als een van de mededader(s) de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.
de vordering van de benadeelde partij [aangeefster 1]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 10.000,- en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 31 mei 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangeefster 1] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
schadevergoedingsmaatregel
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 10.000,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 31 mei 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald ten behoeve van [aangeefster 1] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 85 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als een van de mededader(s) de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.
de vordering van de benadeelde partij [aangeefster 2]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 10.000,- en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 31 mei 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangeefster 2] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
schadevergoedingsmaatregel
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 10.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 31 mei 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald ten behoeve van [aangeefster 2] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 85 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als een van de mededader(s) de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.
vordering van de benadeelde partij S.M Nathoe
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 9.500,- en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 31 mei 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangeefster 3] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 9.500,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 31 mei 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald ten behoeve van [aangeefster 3] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 82 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als een van de mededader(s) de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.
mr. G.P. Verbeek, voorzitter,
mr. A. Dantuma-Hieronymus, rechter,
mr. M.M. Koers, rechter,
in tegenwoordigheid van mrs. A.C. Veltink en L. Molenaar, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 december 2025.