ECLI:NL:RBDHA:2025:24140

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
24/7741
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen in stand laten omgevingsvergunning voor lichte horeca aan de Denneweg 11

Op 17 december 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in de zaak tussen een eiser en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag. De zaak betreft een omgevingsvergunning die op 11 juli 2023 is verleend voor het vestigen van lichte horeca aan de Denneweg 11. Eiser is het niet eens met deze vergunning en heeft beroep ingesteld. De rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep gegrond is, omdat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat de vestiging van de horecagelegenheid niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank heeft vastgesteld dat het college niet voldoende onderzoek heeft verricht naar de gevolgen voor het woon- en leefklimaat van omwonenden. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd en het college opgedragen om binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen, waarbij het college moet onderzoeken of de vestiging van de horecagelegenheid zich verhoudt tot het woon- en leefklimaat van omwonenden. Eiser heeft recht op vergoeding van het griffierecht en proceskosten, die zijn vastgesteld op € 2.267,50.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/7741

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.A.J. West),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

(gemachtigde: mr. S.J.C. Hocks).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [bedrijfsnaam] B.V. te [plaats] .

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning van 11 juli 2023 voor het vestigen van horeca in de categorie ‘licht’ aan de [adres 1] in [plaats] . Eiser is het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de omgevingsvergunning mocht verlenen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is, omdat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat vestiging van de horecagelegenheid niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het college heeft ook onvoldoende onderzoek verricht naar de gevolgen voor het woon- en leefklimaat van omwonenden. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. In het besluit van 11 juli 2023 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen van de winkel op de [adres 1] in [plaats] tot een horecagelegenheid in de categorie ‘licht’ in afwijking van het bestemmingsplan. Met het bestreden besluit van 14 augustus 2024 heeft het college de omgevingsvergunning in stand gelaten onder aanvulling van de motivering.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 15 april 2025 op zitting behandeld, tegelijk met een ander beroep van eiser met zaaknummer 23/4712. In die zaak doet de rechtbank afzonderlijk uitspraak. Aan de zitting hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van het college en [naam 1] aan de zijde van het college.
2.3.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en het college de gelegenheid gegeven een nadere toelichting te geven op de bij het bestreden besluit gevoegde lijst met tellingen van horecagelegenheden in de bestemmingsvlakken
‘Gemengd-1’ van het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan] ”, en om te reageren op een door eiser ingenomen stelling ter zitting. Het college heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en een nadere toelichting gegeven. Eiser heeft daarop gereageerd. Partijen hebben over en weer nog op elkaars standpunt gereageerd. De rechtbank heeft daarna het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht Omgevingswet
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De aanvraag is ingediend op 31 maart 2023 zodat in dit geval de Wabo van toepassing is.
Toetsingskader
4. Het ter plaatse geldende bestemmingsplan is “ [bestemmingsplan] ” (bestemmingsplan). Op het perceel [adres 1] is, voor zover relevant, de bestemming ‘Gemengd-1’ van toepassing. Het bestemmingsvlak ‘Gemengd-1’ bestaat uit negen panden.
4.1.
Ingevolge artikel 5.1 – voor zover hier relevant – van de planregels zijn de voor ‘Gemengd-1’ aangewezen gronden bestemd voor:
uitsluitend op de begane grondlaag:
(…)
c. horeca in de categorie “licht” van de Staat van Horeca-categorieën als opgenomen in Bijlage 2 van de regels van dit plan en zoals nader bepaald in lid 5.5;
(…)
en ter plaatse van de aanduiding:
“horeca tot en met categorie 2” is op de begane grondlaag een horeca-inrichting in de categorie “middelzwaar” van de Staat van Horeca-categorieën als opgenomen in Bijlage 2 van de regels van dit plan en zoals nader bepaald in lid 5.5 toegestaan;
“horeca tot en met categorie 3” is op de begane grondlaag een horeca-inrichting in de categorie “zwaar “ van de Staat van Horeca-categorieën als opgenomen in Bijlage 2 van de regels van dit plan en zoals nader bepaald in lid 5.5 toegestaan;
(…)
een en ander met de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken geen gebouw zijnde, wegen, parkeervoorzieningen, groen, water en overige voorzieningen.
4.2.
In artikel 5.5 van de planregels is – voor zover hier relevant – het volgende bepaald:
In maximaal 20% van het aantal panden binnen een aaneengesloten bestemmingsvlak binnen deze bestemming mag op de begane grond een horeca-inrichting in de categorie “licht” gevestigd worden;
horeca-inrichtingen in de categorie “middelzwaar” en “zwaar” aanwezig ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan, blijven toegestaan, waarbij de categorie-indeling van een vestiging niet verzwaard mag worden; (…).
4.3.
Op grond van artikel 5.6 van de planregels kan het bevoegd gezag afwijken toestaan van het in artikel 5.5, onder a, genoemde percentage ten behoeve van horeca-inrichtingen als bedoeld in categorie ‘licht’, mits daarmee het percentage van 20% binnen alle bestemmingsvlakken in ‘Gemengd-1’, niet wordt overschreden.
Het bestreden besluit
5. De aanvraag voor een horecagelegenheid in de categorie ‘licht’ voldoet niet aan artikel 5.5, onder a, van de regels van het bestemmingsplan, omdat het percentage van de toegestane 20% aan horecagelegenheden in de categorie ‘licht’ in het aaneengesloten bestemmingsvlak “Gemengd 1” waar [adres 1] onderdeel van uitmaakt, met de komst van deze nieuwe horecagelegenheid wordt overschreden.
5.1.
Het college heeft de omgevingsvergunning verleend in afwijking van deze planregel door toepassing te geven aan de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid uit artikel 5.6 van de planregels. Het college heeft de afwijking gemotiveerd aan de hand van horecabeleid. Volgens het college is een overschrijding van de toegestane 20% voor horeca in de categorie ‘licht’ binnen een winkelgebied dat gelegen is binnen de hoofdwinkelstructuur, wat het geval is voor de [straatnaam] , op grond van de Kadernota Detailhandel [1] en de Horecavisie [2] toegestaan tot een percentage van 30% in daarbinnen vallende bestemmingsvlakken “Gemengd-1”. Door vestiging van deze horecagelegenheid op de [adres 1] wordt het percentage van 30% niet overschreden volgens het college. Na heroverweging in bezwaar heeft het college de omgevingsvergunning in stand gelaten onder aanvulling van de motivering. Bij het bestreden besluit heeft het college een geactualiseerde lijst (tot en met 2 mei 2023) overgelegd die een telling inhoudt van alle horecazaken in de bestemmingsvlakken ‘Gemengd-1’. In deze telling tot 2 mei 2023, heeft het college in alle bestemmingsvlakken ‘Gemengd-1’ in totaal 183 panden geteld. Van deze panden mogen er in totaal (afgerond naar beneden) 36 panden met een horeca-inrichting in de categorie ‘licht’ aanwezig zijn, uitgaande van het maximum van 20% dat is opgenomen in artikel 5.6. Ten tijde van de aanvraag waren er volgens het college 33 horeca-inrichtingen in de categorie ‘licht’ aanwezig, zodat er ruimte was voor de horeca-inrichting op de [adres 1] in de categorie ‘licht’. Na de aanvraag voor de [adres 1] zijn er nog twee aanvragen door het college ontvangen, waardoor de teller op 35 horecagelegenheden in de categorie ‘licht’ stond. Het college heeft het standpunt ingenomen dat dus aan de voorwaarde voor toepassing van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid uit artikel 5.6 van de planregels is voldaan.
Onverbindend verklaren / buiten toepassing laten artikel 5.6 van de planregels
6. Eiser betoogt dat artikel 5.6 van de planregels exceptief toetsend onverbindend moet worden verklaard, dan wel buiten toepassing moet worden gelaten wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. De lijsten worden handmatig samengesteld en in de bezwaarfase bleek al dat er fouten zaten in de lijst met tellingen uit de primaire fase. In beroep zijn weer andere tellingen overgelegd. Volgens eiser is sprake van een systeemfout. De bepaling is evident strijdig met in het bijzonder het rechtszekerheidsbeginsel, omdat het college deze planregel steeds onjuist uitlegt en toepast. Hierdoor wordt te veel horeca toegestaan. Die uitleg leidt volgens eiser tot een ongebreidelde groei van horeca, ten koste van de omwonenden.
6.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat artikel 5.6 een voldoende deugdelijke grondslag biedt voor het bestreden besluit. De planregel is niet evident in strijd met hogere regelgeving en is voldoende duidelijk. Het college stelt dat uit vaste rechtspraak [3] volgt dat de planregeling leidend is en dat een planregeling die voldoende duidelijk is omwille van de rechtszekerheid zoveel mogelijk letterlijk moet worden uitgelegd. Ter ondersteuning heeft het college gewezen op een uitspraak van de Afdeling over een vergelijkbare regel uit het bestemmingsplan “Morgenstond” [4] en een uitspraak [5] over nog een vergelijkbare regel uit bestemmingplan “partiele herziening verspreide locaties”. Daaruit volgt volgens het college eenzelfde uitleg van de planregel, waarin een percentage van de panden in een bestemmingsvlak bestemd is voor horeca. Verder heeft het college toegelicht dat de telling van de horeca-inrichtingen in het bestemmingsplangebied handmatig is gebeurd, omdat de systemen die deze telling zouden moeten bijhouden niet altijd actueel zijn door vele veranderingen die hebben plaatsgevonden.
6.2.
De rechtbank stelt vast dat artikel 5.6 van de planregels vereist dat het aantal panden met lichte horeca in de bestemmingsvlakken ‘Gemengd – 1’ zorgvuldig wordt vastgesteld, omdat dit een toepassingsvoorwaarde is voor de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid. De vaststelling luistert nauw, omdat het aantal panden met horeca en de categorie horeca gedurende de planperiode kan wijzigen. Ook bestaat er een risico op fouten bij het tellen van panden met lichte horeca in de relevante bestemmingsvlakken, waardoor een onjuist percentage kan worden vastgesteld. Zoals de rechtbank hierna onder 8 overweegt, blijkt ook in de voorliggende zaak van verschillende uitkomsten van tellingen, omdat in beroep – naar aanleiding van vragen van de rechtbank – een nieuwe telling is overgelegd die een correctie bevat op de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende teling van 20% lichte horeca in alle bestemmingsvlakken.
6.3.
Ondanks het voorgaande ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat artikel 5.6 van de planregels onverbindend moet worden verklaard, dan wel buiten toepassing moet worden gelaten. Daartoe wordt overwogen dat een bestemmingsregeling in een procedure over vergunningverlening alleen onverbindend kan worden geacht of buiten toepassing kan worden gelaten als die regeling evident in strijd is met de ingeroepen hogere regelgeving. [6]
In dit geval betekent dit dat sprake zou moeten zijn van evidente strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. De rechtbank ziet geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de bestemmingsregeling evident in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Dat zou anders zijn als het percentage van 20% niet met juistheid door het college zou kunnen worden bepaald. Daarvan is niet gebleken.
Uitleg van artikelen 5.5 en 5.6 van de planregels
7. Volgens eiser miskent het college de rol van middelzware en zware horeca bij toepassing van artikel 5.5 en 5.6 van de planregels. In de telling van de horeca-inrichtingen om vast te stellen of de 20% lichte horeca is bereikt moeten volgens eiser ook de aanwezige zware en middelzware horeca-inrichtingen worden meegeteld. Ook gelet op de tekst van artikel 5.1, onder c, van de regels, dient het percentage van 20% te worden berekend door een optelsom van alle panden in het bestemmingsvlak in élke categorie horeca. Volgens eiser volgt deze uitleg ook uit het horecabeleid van Den Haag , waaronder de Horecavisie Den Haag en uit de brief van 21 juni 2013 van toenmalig wethouder [naam 2] . Door het percentage op deze manier te berekenen, moet worden geconcludeerd dat de 20% in alle bestemmingsvlakken (de toets uit 5.6 van de planregels) ruimschoots wordt overschreden.
7.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat het beleid dat eiser heeft aangehaald en de brief van wethouder Kool nog van voor het in 2014 vastgestelde bestemmingsplan zijn. Daarnaast wijst het college op passages uit de Horecavisie Den Haag en de Horecavisie Den Haag : Uitwerkingsplan 2016-2019 en het Uitwerkingsplan Horeca Den Haag 2021-2023. Het beleid ten aanzien van (de uitbreiding van) het horeca-aanbod tot en met de categorie “licht”, binnen winkelgebieden, is volgens het college dus tot een maximum van 30% nog steeds van toepassing.
7.2.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat artikel 5.5, onder a, van de planregels zo moet worden uitgelegd dat in het percentage van 20% toegestane horeca in de categorie ‘licht’ ook de horecagelegenheden worden meegeteld uit andere categorieën. De rechtbank begrijpt artikel 5.5, onder a, van de planregels zo, dat in bestemmingsvlak ‘Gemengd-1’ in 20% van de panden horeca in de categorie ‘licht’ is toegestaan, en dat een nieuwe horecagelegenheid die in de categorie ‘licht’ wordt aangevraagd, is toegestaan als deze de 20% aan lichte horeca niet overschrijdt. De rechtbank leest daarin niet dat, zoals eiser aanvoert, om te bepalen of een nieuwe lichte horecagelegenheid is toegestaan alle horeca – ongeacht de categorie indeling – in een bestemmingsvlak moet worden meegeteld. Daarbij acht de rechtbank van belang dat voor horecagelegenheden in de categorieën ‘middelzwaar’ en ‘zwaar’ in een specifieke bestemmingsregeling is voorzien, die verwijst naar een aanduiding op de verbeelding, dan wel is vastgelegd in de specifieke gebruiksregel van artikel 5.5, onder b.
De aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde tellingen
8. Eiser voert aan dat de lijst met tellingen die het college aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd onjuist is en op onderdelen niet goed controleerbaar is.
8.1.
In het verweerschrift en ook op zitting heeft het college toegelicht hoe de lijst met tellingen tot stand is gekomen. Over het peilmoment van de telling heeft het college toegelicht dat dit de datum is waarop de adviescommissie een advies moet geven over de voorgenomen horecagelegenheid. De rechtbank heeft het college de gelegenheid gegeven een nadere motivering te geven op de lijst met tellingen. Specifiek is het college gevraagd in te gaan op de grondslag waarop iedere horecagelegenheid in de bestemmingsvlakken ‘Gemengd-1’ toegelaten is. De op zitting besproken mogelijke grondslagen zijn:
  • Een aanduiding op de bestemmingsplankaart als bedoeld in artikel 5.1, onder g en h;
  • Het toegestaan blijven van een middelzware of zware horecagelegenheid op grond van de specifieke gebruiksregel van artikel 5.5, onder b, van de planregels;
  • Een omgevingsvergunning die voorziet in een andere categorie dan lichte horeca.
8.1.1.
Wanneer de horecagelegenheid aanwezig mag zijn op grond van de specifieke gebruiksregel van artikel 5.5, onder b, van de planregels, is het college gevraagd te vermelden welke horecagelegenheid van welke categorie daar was gevestigd ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van het bestemmingsplan. Wanneer de grondslag een omgevingsvergunning is, is het college gevraagd de datum en het kenmerk van de betreffende vergunning vermelden.
8.2.
In de aanvullende motivering heeft het college de lijst met tellingen tot 2 mei 2023 aangevuld. Het college gaat nog steeds uit van 183 panden in alle bestemmingsvlakken, waarvan 20% ‘lichte’ horeca mag zijn, dus van 36 panden. Het college heeft in de aanvullende motivering geconstateerd dat de lijst met tellingen die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit een onjuistheid bevat. Waar eerder 33 horecagelegenheden werden geteld in de categorie ‘licht’, zijn dit er 35. Voor twee panden bleek namelijk dat de ‘middelzware’ horeca was omgezet in ‘lichte’ horeca, zodat deze als zodanig moeten worden meegeteld. Het college concludeert dat op het peilmoment van 2 mei 2023 het maximum van 20% aan horeca-inrichtingen in de categorie ‘licht’ binnen alle bestemmingsvlakken ‘Gemengd-1’ nog niet was bereikt. Op grond van de aangevulde lijst waren er op 2 mei 2023 in 35 panden horecagelegenheden in de categorie ‘licht’ aanwezig, zodat er nog plek was voor vestiging van een horecagelegenheid in het pand [adres 1] . In dat pand werd daarmee de 36e horecagelegenheid in de categorie ‘licht’ toegelaten. Verder heeft het college een actuele lijst – van na het peilmoment – overgelegd, waaruit volgt dat de 20% binnen alle bestemmingsvlakken ‘Gemengd-1’ inmiddels is bereikt.
8.3.
Het college heeft daarnaast gereageerd op het standpunt van eiser dat er een onjuistheid te vinden is in de lijst met betrekking tot het aantal horecagelegenheden dat tot een bestemmingsvlak is gerekend. Volgens het college is geen sprake van een onjuistheid. Alle panden van [adres 2] tot en met [adres 3] hebben de enkelbestemming ‘Gemengd-1’. De reden dat de bestemmingsvlakken van ‘Gemengd-1’ op de tekeningen van eiser niet op elkaar lijken aan te sluiten, heeft te maken met een verschil in de maximale bouw- en of goothoogte die ter plaatse is toegestaan. Het college heeft een schermafbeelding van de verbeelding bijgevoegd. Zelfs als het bestemmingsvlak wel in de drie door eiser genoemde delen zou worden gesplitst, zou nog altijd worden voldaan aan het maximale percentage van 20% ‘lichte’ horeca per bestemmingsvlak, aldus het college.
8.4.
Volgens eiser is de aangevulde telling nog steeds onjuist en klopt de conclusie van het college dat planologische ruimte bestond voor het initiatief voor lichte horeca aan de [adres 1] niet. Eiser heeft een controle uitgevoerd via de BAG-viewer. Per pand in de bestemmingsvlakken heeft eiser een schermafbeelding overgelegd. De bestemmingsvlakken bevatten volgens eiser minder panden dan het college heeft geteld. Op grond van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen is een pand “de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is.”. In het bestemmingsplan is eenzelfde definitie gehanteerd. Volgens eiser heeft het college in een aantal gevallen adressen als verschillende panden geduid terwijl die adressen volgens de informatie uit de BAG-viewer tot één en hetzelfde pand behoren. Dat is volgens eiser onder meer het geval bij
[adres 4] en [adres 5] en [adres 6] en [adres 7] . Er zijn daarom teveel panden geteld en dat is van invloed op de uitkomst van het percentage dat moet worden berekend bij toepassing van artikel 5.6 van de planregels. Volgens eiser zijn er 170 panden in alle bestemmingsvlakken en niet 183 waar het college vanuit gaat. Bij 20% van 170 panden gaat het om afgerond 34 panden met een horeca-inrichting als bedoeld in de categorie licht. Het college telt op het peilmoment 2 mei 2023 echter zelf al in totaal 35 reeds aanwezige lichte horeca-inrichtingen. De 20% grens binnen alle bestemmingsvlakken in ‘Gemengd-1’ was daarom op het peilmoment al overschreden.
8.5.
De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat het college – zoals eiser stelt – met de aangevulde tellingen niet de gegevens heeft overgelegd die de rechtbank heeft gevraagd. In kolommen H en I van het Excel-bestand met de tellingen voor de peildatum
2 mei 2023 is aangeduid of horeca in een pand is gevestigd op basis van artikel 5.5, onder b, van de planregels en zijn naast de categorie horeca ook de datum en het besluitnummer van de ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van bestemmingsplan geldende vergunning weergegeven.
8.6.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college met de in beroep overgelegde telling van het aantal panden met lichte horeca op de peildatum 2 mei 2023 en de daarop gegeven toelichting van 13 mei 2025 onderbouwd dat het percentage van 20% lichte horeca in alle bestemmingsvlakken ‘Gemengd-1’nog niet was bereikt. De rechtbank volgt eiser daarmee niet in zijn betoog dat het college te veel panden heeft geteld, omdat uit het BAG-register blijkt dat er minder dan 183 panden waren in alle bestemmingsvlakken. Ook voor zover uit de BAG-registratie volgt dat enkele panden die het college afzonderlijk heeft geteld in het register één ‘pand-ID’ hebben, maakt eiser daarmee niet aannemelijk dat op de peildatum minder panden met lichte horeca in de bestemmingsvlakken aanwezig waren dan door het college geteld. De rechtbank volgt het college in het standpunt dat het aantal panden volgens de BAG-viewer niet bepalend is voor de op grond van het bestemmingsplan te verrichten telling. In aanmerking genomen de toelichting van het college over verschillende bouwhoogtes binnen de bestemmingsvlakken ‘Gemengd-1’ is de rechtbank ook niet gebleken dat het college aan de [straatnaam] is uitgegaan van meer bestemmingsvlakken dan op de verbeelding van het bestemmingsplan aangeduid.
8.7.
Het betoog van eiser dat het college gelet op de gang van zaken rond de vergunningverlening voor de panden [adres 8] en [adres 9] tellingen manipuleert, leidt niet tot een ander oordeel. Dat is alleen al zo omdat eiser doelt op besluitvorming over vergunningen van na het bestreden besluit en daarmee ook van na het peilmoment voor de bepaling van het percentage lichte horeca in alle bestemmingsvlakken.
8.8.
Omdat het college in beroep een andere telling heeft overgelegd, met een correctie op de telling die aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, is het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en berust het niet op een draagkrachtige motivering. De rechtbank is evenwel van oordeel dat deze gebreken kunnen worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat het aannemelijk is dat eiser niet is benadeeld door deze gebreken. De gecorrigeerde telling doet namelijk niet af aan de juistheid van de in het bestreden besluit opgenomen conclusie dat het percentage van 20% lichte horeca binnen alle bestemmingsvlakken ‘Gemengd-1’ nog niet was overschreden op 2 mei 2023.
8.9.
De slotsom is dat aan de toepassingsvoorwaarde van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid in artikel 5.6 van de planregels is voldaan.
Is verlening van de omgevingsvergunning in strijd met een goede ruimtelijke ordening?
9. Eiser heeft verder aangevoerd dat de gevolgen van de omgevingsvergunning op zijn woon- en leefklimaat in het bestreden besluit onvoldoende zijn meegewogen. Er is volgens eiser sprake van strijd met een goede ruimtelijke ordening, zodat het college niet binnenplans kon afwijken ten aanzien van de strijdigheid met artikel 5.5, onder a. Eiser wijst in dit verband ook op de brief van toenmalig wethouder Kool, waarin is toegelicht dat horeca ruimtelijk gespreid moet zijn in de straat. Daarvan is volgens eiser uitdrukkelijk geen sprake, omdat vijf van de negen panden in het bestemmingsvlak nu horeca-inrichtingen zijn en de aangrenzende straten eveneens overvol zijn met horeca-inrichtingen.
9.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat wordt voldaan aan het in de Horecavisie Den Haag , de Horecavisie Den Haag : Uitwerkingsplan 2016-2019 en het Uitwerkingsplan Horeca Den Haag 2021-2023 neergelegde beleid. Op grond van dat beleid is een maximum bepaald van 30% horeca van het aantal niet-woonpanden. Binnen het winkelgebied [winkelgebied] wordt dat percentage niet overschreden. Omdat met het bestreden besluit lichte horeca wordt vergund is de ruimtelijke uitstraling daarvan beperkt, aldus het college.
9.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
9.3.
De rechtbank is van oordeel dat het college niet voldoende heeft gemotiveerd waarom het toelaten van lichte horeca aan de [adres 1] niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het college heeft met de vaststelling dat de horecagelegenheid aan de [adres 1] tot de categorie lichte horeca behoort en met de verwijzing naar het uit horecabeleid volgende maximum percentage van 30% horeca in winkelgebieden geen locatie specifieke afweging gemaakt. Een locatie specifieke afweging kan niet worden gemist, omdat – zoals eiser ook naar voren brengt – voor de afweging relevant kan zijn of de horeca ruimtelijk is gespreid in de straat. Een concentratie van horecavestigingen in delen van de [straatnaam] zou ook van betekenis kunnen zijn voor het woon- en leefklimaat van omwonenden, waaronder eiser. Ook de aanwezigheid van middelzware en zware horeca nabij lichte horeca kan daarvoor van betekenis zijn. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat deze mogelijke gevolgen voor het woon- en leefklimaat zijn onderzocht. Om die reden is het bestreden besluit niet toereikend gemotiveerd en is het niet voldoende zorgvuldig voorbereid.

Conclusie en gevolgen

10. Uit wat onder 9.3 is overwogen, blijkt dat het bestreden besluit in strijd is genomen met artikel 3:2 en artikel 7:12 van de Awb. Dit betekent dat het beroep gegrond is. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Het college moet een nieuw besluit op het bezwaar nemen, met inachtneming van deze uitspraak. Dat betekent dat het college zal moeten onderzoeken of vestiging van de vergunde horecagelegenheid zich verhoudt met het woon- en leefklimaat van omwonenden, waaronder eiser. Op basis van de uitkomst van het te verrichten onderzoek zal het college in het nieuw te nemen besluit op bezwaar moeten motiveren of verlening van de omgevingsvergunning niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
10.1.
Gelet op het nog door het college te verrichten onderzoek ziet de rechtbank geen mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien. Om diezelfde reden ziet de rechtbank geen aanleiding om het college op te dragen om het geconstateerde gebrek te herstellen met een verbeterde motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor een termijn van twaalf weken, zodat het college de tijd heeft om onderzoek te verrichten naar de gevolgen van vestiging van de horecagelegenheid voor het woon- en leefklimaat.
10.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De vergoeding bedraagt
€ 2.267,50 voor kosten van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend, aan de zitting heeft deelgenomen en heeft gereageerd op de nadere toelichting van het college op de tellingen van het aantal horeca-inrichtingen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 14 augustus 2024;
  • draagt het college op binnen twaalf weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt het college tot betaling € 2.267,50 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van
mr.Y. Al-Qaq, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.RIS300626.
2.RIS288643.
3.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 7 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1474.
4.Uitspraak van de Afdeling van 10 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:299.
5.Uitspraak van de Afdeling van 26 april 2022, ECLI:NL:RVS:2020:1119.
6.Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1423.