ECLI:NL:RBDHA:2025:24137
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing maatregel bewaring wegens onvoldoende voortvarendheid minister bij uitzetting
De minister van Asiel en Migratie legde op 27 augustus 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding.
De rechtbank had eerder de rechtmatigheid van de maatregel tot 12 november 2025 bevestigd. De beoordeling richtte zich daarom op de periode vanaf dat moment. Eiser stelde dat de minister onvoldoende voortvarend was in het uitzettingsproces, omdat de Marokkaanse autoriteiten op 21 november 2025 hadden verzocht om nieuwe vingerafdrukken, maar deze pas op 16 december 2025 werden verzonden.
Uit het voortgangsrapport en de zitting bleek dat nieuwe vingerafdrukken op 26 november 2025 waren afgenomen, maar pas twintig dagen later werden verstuurd, zonder geldige reden. De rechtbank oordeelde dat deze vertraging onvoldoende voortvarendheid toont, waardoor het beroep gegrond is en de maatregel van bewaring onrechtmatig voortduurt.
De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel met ingang van 27 november 2025 en kent een schadevergoeding toe van € 2.000,- voor twintig dagen onrechtmatige vrijheidsontneming. Tevens worden proceskosten van € 1.814,- aan eiser toegekend. Er is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de maatregel van bewaring wordt opgeheven wegens onvoldoende voortvarendheid van de minister bij het uitzettingsproces.