ECLI:NL:RBDHA:2025:24045

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
C/09/692632
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging gesloten jeugdhulp voor minderjarige in Den Haag

Op 4 december 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Den Haag een beschikking gegeven in de zaak van Stichting Jeugdbescherming West Haaglanden betreffende een machtiging voor gesloten jeugdhulp voor een minderjarige, geboren in 2012. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de minderjarige, hierna te noemen [minderjarige], ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen vertoont die zijn ontwikkeling belemmeren. De kinderrechter heeft de situatie van [minderjarige] beoordeeld, waarbij hij in aanraking is gekomen met de politie en zich structureel onttrekt aan hulp en afspraken. De gecertificeerde instelling heeft verzocht om een machtiging tot uit huis plaatsing in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden, omdat er geen minder ingrijpende alternatieven beschikbaar zijn. Tijdens de zitting is gebleken dat de ouders en [minderjarige] niet meewerken aan de voorgestelde alternatieven, wat de situatie verder compliceert. De kinderrechter heeft de argumenten van de gecertificeerde instelling en de verweren van de ouders en [minderjarige] afgewogen. Uiteindelijk heeft de kinderrechter besloten om de machtiging te verlenen voor een periode van drie maanden, met de mogelijkheid tot verlenging, en heeft hij de gecertificeerde instelling opgedragen om voor de volgende zitting een schriftelijke update te geven over de voortgang van de situatie van [minderjarige].

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/692632 / JE RK 25-1715
Datum uitspraak: 4 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van:
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, gevestigd te Den Haag,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over:
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat: mr. H. Devkinandan uit Zoetermeer.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. S.O. Zengin uit Den Haag,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
blijkens de Basisregistratie Persoonsgegevens (BRP) geregistreerd als niet-ingezetene (RNI).

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Bij beschikking van 28 oktober 2025 van de kinderrechter in deze rechtbank is het verzoek tot een machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] in zijn geheel aangehouden.
1.2.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de voornoemde beschikking van 28 oktober 2025 en de daarin genoemde stukken;
- schriftelijke update van de gecertificeerde instelling van 28 november 2025.
1.3.
Op 4 december 2025 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
  • [minderjarige] met zijn advocaat;
  • de vader;
- de moeder met haar advocaat;
- [naam 1] en [naam 2] , namens de gecertificeerde instelling.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover, voorafgaand aan de zitting en in het bijzijn van zijn advocaat, een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft [minderjarige] met de kinderrechter samengevat wat hij heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
[minderjarige] verblijft in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. Feitelijk logeert hij op de open groep van zijn zus [naam 3] ;
2.2.
Voor de overige feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 28 oktober 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling handhaaft het verzoek een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden. De gecertificeerde instelling motiveert het verzoek als volgt.
3.2.
In de schriftelijke update en ter zitting heeft de gecertificeerde instelling aangegeven dat [minderjarige] sinds de vorige zitting, van 28 oktober 2025, niet is teruggekeerd naar de open groep van [instelling 1] . Het is voor de jeugdbeschermer onduidelijk waar hij verbleef en waarom hij niet terug wilde. De jeugdbeschermer heeft meerdere keren geprobeerd een gesprek te plannen met [minderjarige] en de moeder, maar daar kwamen zij niet opdagen. Inmiddels is de plek bij [instelling 1] vergeven, omdat [minderjarige] langere tijd niet terugkeerde. Op dit moment lijkt [minderjarige] voornamelijk te verblijven bij de open groep van [instelling 2] waar zijn zus [naam 3] ook verblijft. Dit is echter geen gecontracteerde zorg van de gemeente Den Haag en [minderjarige] verblijft hier zonder toestemming van de gecertificeerde instelling. De problematiek van [minderjarige] is onverminderd aanwezig. Hij is sinds de vorige zitting aangehouden door de politie, nadat hij oncontroleerbaar boos was geworden op het politiebureau vanwege berichten over zijn zus [naam 4] . Ter zitting gaf de gecertificeerde instelling aan dat hij op de vrijdagavond in de week voor de zitting ook in aanraking is geweest met de politie vanwege een gevecht waarin hij betrokken was geraakt met zijn zus [naam 3] . [minderjarige] onttrekt zich structureel aan hulp en afspraken, hij heeft geen structuur, dagbesteding of behandeling, en weigert elk aanbod hiertoe. Door het ontbreken van een vaste woonplek voor [minderjarige] is er amper zicht op zijn dagelijkse bezigheden. De gecertificeerde instelling heeft minder ingrijpende alternatieven onderzocht. De jeugdbeschermer heeft een buitenlands alternatief in Marokko verkend, dat door de gemeente is afgewezen omdat het niet gefinancierd werd. Ook de gecertificeerde instelling steunt dit alternatief niet, omdat Marokko geen uitleveringsverdrag heeft met Nederland en de gecertificeerde instelling [minderjarige] daarom niet kan helpen indien hij daar in aanraking zou komen met de politie. Ook zijn Nederlandse alternatieven onderzocht, waarvoor [minderjarige] veelal is afgewezen vanwege het niet hebben van een passend aanbod voor zijn problematiek. [instelling 3] is volgens de gecertificeerde instelling het meest passend en is beschikbaar. [minderjarige] kan daar echter niet starten zonder een intake gesprek, waar de ouders en [minderjarige] niet aan meewerken. Doordat de ouders niet meewerken, is de enige gefinancierde optie in een open-setting niet mogelijk. De minder ingrijpende opties zijn afgewezen, niet passend, niet beschikbaar of niet uitvoerbaar door een gebrek aan medewerking van [minderjarige] en de ouders. Er is daarom geen werkbaar alternatief aanwezig, wat de plaatsing in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp noodzakelijk maakt. De gesloten jeugdhulp is tevens noodzakelijk om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan hulp.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens [minderjarige] is verweer gevoerd. De situatie is niet anders dan de laatste zitting. [minderjarige] is van mening dat nog steeds moet worden gekeken naar andere alternatieven. Hij wil hulpverlening. [minderjarige] is dertien jaar en heeft op straat moeten zwerven, omdat hij niet wist of hij terug kon naar de groep in Zoetermeer. Het was voor [minderjarige] niet helder wat de bedoeling was na de laatste zitting. [minderjarige] heeft geprobeerd om in contact te komen met de jeugdbeschermer, maar dit lukte niet. Wanneer er wel contact is, wordt er niet goed gecommuniceerd. Een machtiging gesloten jeugdhulp moet een ultimum remedium zijn, zo ver is het nog niet. Het gesprek met de gedragswetenschapper was niet goed en dateert van 15 oktober 2025, het gesprek was heel kort en de verbinding was slecht. Er kan dan niet worden gezegd dat de instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper zorgvuldig tot een besluit is gekomen. [minderjarige] wil naar school en de nodige begeleiding krijgen, maar dan moet dit wel beschikbaar zijn. Volgens [minderjarige] zijn er open groepen die hem wel zouden accepteren, zoals een groep van [instelling 2] in Rotterdam. [minderjarige] heeft als dertienjarige een bewogen periode achter de rug en hij moet de mogelijkheid krijgen om het beter te doen, dat kan door duidelijk uit te leggen wat van hem wordt verwacht. [minderjarige] heeft nu het gevoeld at hij gelijkgesteld wordt met een volwassen persoon. De advocaat verzoekt namens [minderjarige] het verzoek af te wijzen.
4.2.
Door en namens de moeder is verweer gevoerd. De moeder is blij dat de groep van [instelling 2] waar [naam 3] verblijft [minderjarige] heeft opgevangen. Volgens de jeugdbeschermer is het voor [minderjarige] niet mogelijk om daar te blijven, omdat er geen contract is met [instelling 2] . De advocaat van de moeder vraagt zich af waarom dit voor Abida wel mogelijk is, maar niet voor [minderjarige] . Daarnaast is een gesloten plaatsing een ultimum remedium. Er moet worden gekeken naar de subsidiariteit, dat is een open groep. Ondanks dat de groep waar Abida zit een meisjesgroep is, is [minderjarige] daar welkom. [instelling 2] heeft ook een plek in Rotterdam, waar jongens welkom zijn. De gedragswetenschapper gaf al aan dat [minderjarige] zoekt naar wat het meest veilig voor hem voelt en dat is [naam 3] . Het is niet goed om [minderjarige] bij zijn veilige plek weg te halen. Er moet worden gekeken naar een plek waar zij samen kunnen blijven. In de schriftelijke update wordt de mogelijkheid voor een plaatsing bij [instelling 2] niet besproken. [instelling 2] heeft aangegeven dat zij het beeld van [minderjarige] in de stukken niet herkennen met wat zij van hem hebben gezien. In het kader van subsidiariteit moet dat meegenomen worden. De moeder verzoekt om deze redenen afwijzing van het verzoek.
4.3.
De vader zegt dat [minderjarige] niet bij hem kan wonen. Wel kan de vader [minderjarige] helpen met een vak leren, zodat hij een dagbesteding heeft.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die hij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen. [1] De kinderrechter overweegt daartoe als volgt.
5.2.
Allereerst erkent de kinderrechter dat het vervelend is dat er miscommunicatie was over of [minderjarige] terug kon keren naar de groep bij [instelling 1] in Zoetermeer. Het is verwarrend wanneer er verkeerde berichten worden gedeeld. De kinderrechter moet echter oordelen over huidige situatie. Er zijn zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] . [minderjarige] heeft als dertienjarige al veel meegemaakt en heeft de afgelopen periode weinig stabiliteit in zijn leven gekend. [minderjarige] zoekt de grenzen op en zoekt buiten naar spanning. Hij ontwikkelt zich als een jongen met veel boosheid in zich. Sinds de laatste zitting is [minderjarige] opnieuw in aanraking geweest met de politie. Ook is [minderjarige] al langere tijd niet naar school geweest, mede door de onbereikbaarheid van [minderjarige] voor de jeugdbeschermer. Om deze redenen maakt de kinderrechter zich ernstig zorgen om de ontwikkeling van [minderjarige] . De kinderrechter vindt het fijn om te horen dat [minderjarige] en de jeugdbeschermer nu afspraken hebben gemaakt over hoe zij beter met elkaar kunnen en zullen communiceren. Zoals ook de ouders en de gecertificeerde instelling hebben aangegeven, kan [minderjarige] op dit moment niet thuis wonen, vanwege de problematiek van [minderjarige] , van de ouders zelf en de relatie onderling. Daarom moet er goed gekeken worden naar een plek waar [minderjarige] wel terecht kan met zijn problematiek. Deze plek was er bij [instelling 1] , maar die plek is inmiddels vergeven. Verder is [minderjarige] op veel groepen met een open-setting afgewezen. De laatste optie voor plaatsing in een open-setting was om bij [instelling 3] een intake te plannen, maar dit is niet gelukt omdat er geen medewerking was van de ouders en [minderjarige] . Ter zitting heeft [minderjarige] ook duidelijk aangegeven dat hij niet naar [instelling 3] wil gaan. Een plaatsing in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp kan alleen worden afgegeven als ultimum remedium. De kinderrechter is van oordeel dat de gecertificeerde instelling voldoende onderbouwd heeft dat er op dit moment geen minder ingrijpende alternatieven zijn voor [minderjarige] . De plaatsing van [minderjarige] in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp is noodzakelijk zodat [minderjarige] zich niet onttrekt aan hulp en begeleiding. Het is ingewikkeld dat de ouders en [minderjarige] de problematiek anders inschatten dan de jeugdbeschermers en de gedragswetenschapper. De kinderrechter is het op dit moment met de gecertificeerde instelling en de gedragswetenschapper eens dat een gesloten plaatsing nodig is voor [minderjarige] om zich verder te ontwikkelen, de juiste hulp te krijgen en te voorkomen dat [minderjarige] verder afglijd naar de criminaliteit.
5.3.
De kinderrechter zal de gecertificeerde instelling machtigen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van drie maanden. Het verzoek zal voor het overige worden aangehouden.
5.4.
De kinderrechter verzoekt de gecertificeerde instelling om
één weekvoorafgaand aan de nader te bepalen zittingsdatum een schriftelijke update aan de rechtbank en de belanghebbenden toe te sturen over de stand van zaken en daarin aan te geven of het verzoek wordt gehandhaafd. De kinderrechter wil onder andere horen hoe het gaat, of er een behandeling is gestart en of er schoolgang is. Indien het verzoek wordt gehandhaafd, dient de gecertificeerde instelling voorafgaand aan de zitting (ook) een nieuwe instemmingsverklaring van een gedragswetenschapper aan de rechtbank toe te sturen.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 4 december 2025 tot 4 maart 2026;
6.2.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting,
gelegen voor 4 maart 2026, tegen welke zitting de gecertificeerde instelling, de vader, de moeder en [minderjarige] en zijn advocaat dienen te worden opgeroepen.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2025 door mr. S. van der Harg, kinderrechter, in aanwezigheid van F.A.M. Wever als griffier, en op schrift gesteld op 10 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet (Jw).