ECLI:NL:RBDHA:2025:24044

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
C/09/694694 / JE RK 25-1953, C/09/694816 / JE RK 25-1976 en C/09/694315 / JE RK 25-1907
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtigingen tot uithuisplaatsing van minderjarigen in het kader van jeugdzorg

Op 4 december 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in drie verzoeken tot machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarigen, ingediend door Stichting Jeugdbescherming West Haaglanden. De verzoeken zijn gedaan vanwege de problematiek van de ouders en de onstabiele relatie tussen hen, die een veilige en stabiele opvoedomgeving voor de kinderen in de weg staat. De kinderrechter heeft de verzoeken beoordeeld en geconcludeerd dat de machtigingen noodzakelijk zijn voor de ontwikkeling van de kinderen. De kinderen, [minderjarige 1], [minderjarige 2], [minderjarige 3], [minderjarige 4], [minderjarige 5] en [minderjarige 6], zijn in verschillende situaties geplaatst in jeugdhulpinstellingen. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag, maar zijn niet in staat om de kinderen de benodigde stabiliteit te bieden. De kinderrechter heeft de machtigingen tot uithuisplaatsing verlengd voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en verleent een nieuwe machtiging voor [minderjarige 3], [minderjarige 4], [minderjarige 5] en [minderjarige 6]. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de beslissing direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De kinderrechter heeft de ouders de ruimte gegeven om aan hun eigen problematiek te werken, terwijl de kinderen in een veilige omgeving kunnen opgroeien.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummers:
I. C/09/694694 / JE RK 25-1953
II. C/09/694816 / JE RK 25-1976
III. C/09/694315 / JE RK 25-1907
Datum uitspraak: 4 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van:
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, gevestigd te Den Haag,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling,
over:
wat betreft verzoek I:
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2009 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige 1],
wat betreft verzoek II:
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2010, in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige 2],
wat betreft verzoek III:
[minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2013 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige 3],
[minderjarige 4], geboren op [geboortedatum 4] 2014 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige 4],
[minderjarige 5], geboren op [geboortedatum 5] 2017 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige 5],
[minderjarige 6], geboren op [geboortedatum 6] 2020 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige 6].
De kinderrechter merkt ten aanzien van de verzoeken I, II en III als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats],
advocaat mr. S.O. Zengin uit Den Haag,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
blijkens de Basisregistratie Persoonsgegevens (BRP) geregistreerd als niet-ingezetene (RNI).

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
ten aanzien van verzoek I:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 17 november 2025;
ten aanzien van verzoek II:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 19 november 2025;
ten aanzien van verzoek III:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 7 november 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 december 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
  • de moeder met haar advocaat;
  • [naam 1] en [naam 2], namens de gecertificeerde instelling.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1], [minderjarige 2], [minderjarige 3], [minderjarige 4] en [minderjarige 5] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1], [minderjarige 2], [minderjarige 3], [minderjarige 4] en [minderjarige 5] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. [minderjarige 1] en [minderjarige 4] hebben daarnaast een kindbrief gegeven aan de kinderrechter tijdens het kindgesprek. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter, voor zover de kinderrechter toestemming van de kinderen had, samengevat wat [minderjarige 1], [minderjarige 2], [minderjarige 3], [minderjarige 4] en [minderjarige 5] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn met elkaar gehuwd.
2.2.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1], [minderjarige 2], [minderjarige 3], [minderjarige 4], [minderjarige 5] en [minderjarige 6].
2.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen in (verschillende) accommodaties voor jeugdhulp. [minderjarige 3], [minderjarige 4], [minderjarige 5] en [minderjarige 6] wonen bij hun ouders.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 3 juli 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1], [minderjarige 2], [minderjarige 3], [minderjarige 4], [minderjarige 5] en [minderjarige 6] verlengd tot 17 juli 2026.

3.Het verzoek

Verzoek I ten aanzien van [minderjarige 1]
3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar, ter zitting gewijzigd tot het eind van de ondertoezichtstelling, en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling motiveert het verzoek als volgt. [minderjarige 1] ontwikkelt zich positief op de groep bij [instantie 1] waar zij verblijft. Samen met de groep werkt [minderjarige 1] aan haar persoonlijke ontwikkeling, haar toekomstperspectief en haar groei richting zelfstandigheid. [minderjarige 1] is gemotiveerd voor school en wil werken aan een stabielere toekomst. Ook laat zij zien dat ze hierbij betrokken wil zijn en is aanwezig bij de benodigde gesprekken en evaluaties. [minderjarige 1] wil stappen zetten richting zelfstandigheid. Op dit moment is het volgens de gecertificeerde instelling nog niet zo ver dat [minderjarige 1] op eigen benen kan staan. [minderjarige 1] blijft zich in een kwetsbare positie bevinden, vanwege een verleden van mishandeling, een instabiele thuissituatie en een risico op uitbuiting. De ouders zijn niet in staat om [minderjarige 1] de stabiele opvoedomgeving te bieden die zij nodig heeft. [minderjarige 1] krijgt beperkt steun vanuit haar netwerk. Het komende jaar zal de jeugdbeschermer samen met [minderjarige 1] en de ouders werken aan het opstellen van een opvoedvisie. Hierin wordt uitgewerkt wat de toekomstige rol van de ouders is, de vormgeving van het contact en wat [minderjarige 1] nodig heeft om veilig en gezond richting volwassenheid te groeien. Daarnaast zal een traject van begeleid zelfstandig wonen worden verkend, waar [minderjarige 1] ondersteuning krijg op het gebied van praktische vaardigheden, financiële zelfredzaamheid, planning, emotieregulatie en sociale vaardigheden.
Verzoek II ten aanzien van [minderjarige 2]
3.3.
De gecertificeerde instelling verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen tot het einde van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.4.
De gecertificeerde instelling motiveert het verzoek als volgt. [minderjarige 2] woont sinds november bij [zorginstantie 1] in [plaats]. [minderjarige 2] is hier duidelijk gestabiliseerd, houdt zich aan de afspraken van de groep en heeft minder politiecontact. Ze is gestart op het ROC [plaats]. Ook werkt ze mee aan het opstarten van hulpverlening, wat zich zal richten op emotieregulatie, traumaverwerking en sociale vaardigheden. [minderjarige 2] zal ook starten met boksen. Voorafgaand aan de uithuisplaatsing van [minderjarige 2] hebben binnen het gezin ruzies plaatsgevonden. De onderliggende gezinspatronen zijn nog niet doorbroken. De uithuisplaatsing van [minderjarige 2] draagt bij aan rust voor de ouders, zodat zij aan hun eigen problematiek kunnen werken en hun relatie. Ook is de verlenging van de uithuisplaatsing noodzakelijk voor [minderjarige 2]’s veiligheid, stabiliteit en verdere ontwikkeling. De gecertificeerde instelling zal de komende maanden gebruiken om te kijken hoe thuisplaatsing op een verantwoorde wijze kan worden opgestart.
Verzoek III ten aanzien van [minderjarige 3], [minderjarige 4], [minderjarige 5] en [minderjarige 6]
3.5.
De gecertificeerde instelling verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3], [minderjarige 4], [minderjarige 5] en [minderjarige 6] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.6.
De gecertificeerde instelling motiveert het verzoek als volgt. Op 12 september jl. is een spoedvoorziening tot machtiging uithuisplaatsing uitgesproken voor [minderjarige 3], [minderjarige 4], [minderjarige 5] en [minderjarige 6]. Deze spoedmachtiging is niet omgezet in een machtiging tot uithuisplaatsing, omdat de kinderrechter overwoog dat er door de ouders rust en stabiliteit kon worden geboden aan de kinderen, omdat de oudste drie kinderen wel een machtiging uithuisplaatsing hadden gekregen. De gecertificeerde instelling heeft vervolgens vanuit [instantie 1] en team [instantie 2] ingezet met intensieve ambulante hulpverlening. In eerste instantie verbleef de vader niet in de woning en later wel. De medewerkers van [instantie 2] kwamen niet toe aan opvoedondersteuning en individuele hulpverlening voor de kinderen, omdat zij bezig waren met het de-escalerend optreden tussen de ouders. Er is veel spanning en onrust in het huis, onder andere vanwege de zorgen om Isa en [minderjarige 2] en de conflicten tussen de ouders. [minderjarige 3], [minderjarige 4], [minderjarige 5] en [minderjarige 6] merken de spanningen en onduidelijkheid in huis. Regels en grenzen worden thuis wisselend toegepast. [instantie 2] heeft aangegeven niet aan hun daadwerkelijke taak toe te komen, door de conflicten tussen de ouders, en het hun niet lukt om voor de kinderen rust en stabiliteit te creëren. Vervolgens heeft [instantie 2] een plan voorgesteld om de kinderen tijdelijk uit huis te plaatsen, zodat de ouders aan zichzelf en aan hun relatie konden werken onder leiding van de imam. De ouders stemden aanvankelijk in met het plan, maar zijn vervolgens van mening veranderd. Begin november heeft zich een incident voorgedaan in de woning, waarbij [minderjarige 3] zich agressief heeft gedragen richting de medewerkers van [instantie 2]. De vader was hierbij, maar greep niet voldoende in. [instantie 1] heeft vervolgens besloten de begeleiding van [instantie 2] per direct te beëindigen, omwille van de veiligheid. Sindsdien is er geen hulpverlening in de woning en het lukt de gecertificeerde instelling niet om hulpverlening op te starten nu [instantie 2] hier is gestopt vanwege de veiligheid. Een thuisplaatsing met intensieve hulpverlening heeft niet het gewenste effect gehad. Een uithuisplaatsing van de kinderen is nodig om rust en voorspelbaarheid te bieden en de ouders de ruimte te geven om te werken aan hun eigen belastbaarheid en onderlinge samenwerking.
3.7.
Ter zitting heeft de gecertificeerde instelling aangevuld dat er een plek beschikbaar is waar de kinderen samen terecht kunnen. Er zullen geen anderen kinderen zijn. Het is de bedoeling dat het een hybride oplossing wordt voor zes maanden. Daar zullen de al bij de kinderen bekende hulpverleners vanuit [instantie 2] de kinderen begeleiden en er zal veel betrokkenheid van de ouders zijn. Er zullen ook periodes zijn waar de kinderen thuis zijn. Het is de bedoeling dat de kinderen binnen zes maanden weer thuis wonen. Als dit traject positief kan worden afgerond, is het mogelijk om na zes maanden weer hulpverlening in de thuissituatie in te zetten. Deze optie biedt de mogelijkheid om de kinderen bij elkaar te houden, in een huis met zijn vieren en met begeleiders die zij al kennen. In de tussentijd kunnen de ouders aan zichzelf en hun relatie werken. Hiervoor zal een plan gemaakt worden in samenwerking met de imam.
3.8.
De gecertificeerde instelling ondersteunt het verzoek van de moeder om het verzoek aan te houden in afwachting van de mogelijkheden van [zorginstantie 2] niet. De gecertificeerde instelling is niet bekend met [zorginstantie 2], hetgeen betekent dat er geen zorgcontract is vanuit de [gemeente]. Ook benadrukt de gecertificeerde instelling dat aanhouding niet in het belang van de kinderen is. De kind signalen nemen nog steeds toe en zij komen door in de situatie niet aan ontwikkeling toe. Daarnaast zegt het volgens de gecertificeerde instelling genoeg dat de wel ingekochte hulp niet werkt. Het risico is te groot dat de optie voor een plek voor de kinderen die nu voorligt over een maand niet meer beschikbaar is en de ervaring met het hulpverleningstraject met [zorginstantie 2] niet zal werken.

4.De standpunten

Verzoek I en II ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
4.1.
Door en namens de moeder is ingestemd met de verzoeken om de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen. De moeder ziet in dat het op dit moment nog niet mogelijk is dat [minderjarige 2] thuis komt wonen. Voor [minderjarige 1] ziet de moeder in dat zij naar zelfstandigheid zal werken. De moeder zou wel willen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wat vaker thuis mogen komen of mogen komen logeren.
4.2.
Door de vader is ingestemd met de verzoeken om de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen. De vader erkend dat zij op dit moment niet thuis kunnen wonen en dat het beter voor ze is als ze op de groepen blijven. De vader heeft er vertrouwen in dat [minderjarige 1] kan werken naar zelfstandigheid.
Verzoek III ten aanzien van [minderjarige 3], [minderjarige 4], [minderjarige 5] en [minderjarige 6]
4.3.
Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzoek. Namens de moeder verzoekt de advocaat het verzoek aan te houden in verband met het contact met [zorginstantie 2]. Ook kan een verklarende analyse duidelijkheid geven over wat nodig is. Volgens de gecertificeerde instelling is er geen organisatie die ambulante hulp wil geven en dat er geen andere mogelijkheid is dan een uithuisplaatsing. De advocaat geeft aan dat er wel andere mogelijkheden zijn. [zorginstantie 2] is bereid om het gezin te helpen en heeft per kind een intensief ondersteuningsplan opgesteld. De advocaat ontving deze plannen pas op de dag van de zitting, waardoor dit nog niet met de jeugdbeschermer besproken is. Daarnaast is nog niet geprobeerd om de ambulante hulpverlening in te zetten zonder de vader in huis. Ook kunnen er vraagtekens worden gezet bij de bevindingen van [instantie 1] en het incident in de thuissituatie met [minderjarige 3]. [instantie 1] heeft [instantie 2] uit de thuissituatie gehaald, vanwege de veiligheid, maar zegt vervolgens dat de kinderen wel in een huis van hen kunnen verblijven. Voor [instantie 1] zou een uithuisplaatsing financiële voordelen hebben. De moeder is ontzettend bang haar kinderen te verliezen. Zij moet het vertrouwen krijgen dat zij het alleen kan, zonder de vader. De moeder doet het goed met de kinderen, wanneer de ouders niet in conflict zijn met elkaar. Dat de moeder steeds van mening veranderd ten aanzien van hulp, komt mede doordat verschillende professionals steeds met andere mogelijkheden komen. Terwijl de moeder duidelijk wel hulp wil accepteren.
4.4.
Door de vader is deels ingestemd met het verzoek. De vader ziet dat [instantie 2] het beste is voor de kinderen. Met deze optie kunnen de ouders de kinderen blijven zien, de medewerkers van [instantie 2] hebben dezelfde cultuur en de kinderen kunnen op dezelfde school en bij hetzelfde buurthuis blijven. De vader vreest dat de kinderen uit elkaar zullen worden gehaald als zij deze kans nu laten gaan. De vader wil alleen niet dat het te snel gaat en hij moet zich eerst voorbereiden om het plan volledig te ondersteunen. Hij zou het liefst zien dat de uithuisplaatsing geleidelijk plaats vindt, in plaats van de één op andere dag.

5.De beoordeling

Verzoek I ten aanzien van [minderjarige 1]
5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding. De kinderrechter overweegt daartoe als volgt.
5.2.
[minderjarige 1] ontwikkelt zich goed bij de groep van [instantie 1] en zij is gemotiveerd om stappen te zetten richting zelfstandigheid. De ouders en [minderjarige 1] zien, net als de gecertificeerde instelling, dat het goed is voor [minderjarige 1] dat zij op de groep kan blijven waar ze zit. Hier kan zij profiteren van een stabiele opvoedomgeving en werken aan haar toekomst. De kinderrechter is daarom van oordeel dat het in het belang van [minderjarige 1] is om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen tot het einde van de ondertoezichtstelling. De komende periode zal de jeugdbeschermer samen met [minderjarige 1] een plan moeten maken over hoe zij het contact met de ouders het beste kan vormgeven en wat zij nodig heeft om te werken richting zelfstandigheid.
Verzoek II ten aanzien van [minderjarige 2]
5.3.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding. De kinderrechter overweegt daartoe als volgt.
5.4.
[minderjarige 2] is tevreden over haar verblijf op de groep van [zorginstantie 1] waar zij op dit moment verblijft. Ze heeft hier laten zien dat zij zich houdt aan afspraken en staat open voor school en hulpverlening. De kinderrechter ziet dat [minderjarige 2] hier op haar plek is en is blij te horen dat zij is gestart op school en gaat starten met boksen. Volgens de gecertificeerde instelling is het perspectief van [minderjarige 2] dat zij weer thuis gaat wonen. Dit is op dit moment nog niet haalbaar, vanwege de problematiek van de ouders en de onstabiele relatie tussen hen en tussen hen en [minderjarige 2]. De uithuisplaatsing van [minderjarige 2] geeft de ouders de rust om hieraan te werken en zo komt [minderjarige 2] ook toe aan haar eigen ontwikkeling. De kinderrechter zal daarom de uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een accommodatie voor jeugdhulp verlengen tot het eind van de ondertoezichtstelling. De komende periode kan de gecertificeerde instelling gebruiken om te kijken wat voor [minderjarige 2] en de ouders nodig is zodat [minderjarige 2] weer thuis kan wonen.
Verzoek III ten aanzien van [minderjarige 3], [minderjarige 4], [minderjarige 5] en [minderjarige 6]
5.5.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3], [minderjarige 4], [minderjarige 5] en [minderjarige 6] noodzakelijk is in het belang van hun verzorging en opvoeding. [1] De kinderrechter overweegt daartoe als volgt.
5.6.
Het is duidelijk dat de kinderen behoefte hebben aan rust, structuur en duidelijkheid, zodat zij weer tot ontwikkeling kunnen komen. Ook de kinderen hebben tijdens de kindgesprekken aangegeven dat zij behoefte hebben aan rust. Daarnaast hebben zij benadrukt dat het belangrijk is dat zij in hun eigen omgeving kunnen blijven, met hun eigen school en buurthuis. De kinderrechter vindt dat hier waarde aan gehecht moet worden, omdat dit positieve factoren zijn voor de kinderen. De kinderrechter is echter van oordeel dat op dit moment geen rust en structuur gecreëerd kan worden in de thuissituatie. Voor het gezin is al veel ingezet en veel hulpverlening thuis geweest. Dit heeft tot op heden niet geleid tot een gewenste doorbreking van de gezinspatronen en een vermindering van de zorgen over de kinderen. De conflicten en discussies tussen de ouders zorgt voor veel onrust bij de kinderen. De moeder zegt iedere keer weer dat de vader weg zal blijven uit de woning, maar hij komt altijd weer terug. Daardoor blijft er thuis onrust ontstaan waar de kinderen de dupe van zijn. De kinderrechter vindt het daarom belangrijk dat de moeder nu eerst de ruimte en kracht krijgt om te vertrouwen op zichzelf. Het is belangrijk dat de ouders met de hulpverlening en begeleiding van de imam aan zichzelf en hun relatie gaan werken, zodat de kinderen weer thuis kunnen wonen. Het is positief dat de moeder hier al mee begonnen is door te starten met gesprekken bij de POH. De kinderrechter heeft een kortere toewijzing overwogen, maar acht dit niet in het belang van de kinderen omdat dit opnieuw onduidelijkheid zou geven. Daarnaast heeft de gecertificeerde instelling een duidelijk plan, waarbij het doel is dat de kinderen binnen zes maanden weer thuis zullen wonen.
5.7.
De kinderrechter zal het verzoek dan ook niet aanhouden, zoals verzocht door moeder, om te wachten op het onderzoeken van de mogelijkheden van [zorginstantie 2]. [zorginstantie 2] is niet-gecontracteerd en het is te onzeker of dit wel zal leiden tot een gewenste doorbreking van de gezinspatronen. Op dit moment ligt er een plan klaar, dat waarborgt dat de kinderen op hun eigen school kunnen blijven en waar de ouders intensief betrokken kunnen worden. Daarnaast heeft de gecertificeerde instelling aangegeven dat de kinderen niet langer uit huis geplaatst hoeven te zijn dan nodig. Om deze redenen zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing verlenen voor de duur van zes maanden. De kinderrechter wil iedereen de tijd geven om te doen wat nodig is in het belang van de kinderen.
5.8.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
Verzoek: I:C/09/694694 / JE RK 25-1953
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 11 december 2025 tot 17 juli 2026;
Verzoek II:C/09/694816 / JE RK 25-1976
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 6 december 2025 tot 17 juli 2026;
Verzoek III:C/09/694315 / JE RK 25-1907
6.3.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3], [minderjarige 4], [minderjarige 5] en [minderjarige 6] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 4 december 2025 tot 4 juni 2026;
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2025 door mr. S. van der Harg, kinderrechter, in aanwezigheid van F.A.M. Wever als griffier, en op schrift gesteld op 10 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.