Op 4 december 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Den Haag een beschikking gegeven in de zaak van Stichting Jeugdbescherming West Haaglanden betreffende een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige. De minderjarige, geboren in 2008, verblijft momenteel bij zijn stiefvader, terwijl de moeder sinds juni 2025 naar het buitenland is vertrokken en geen contact meer heeft met de betrokken instanties. De kinderrechter heeft vastgesteld dat er geen wettelijk vertegenwoordiger aanwezig is die beslissingen kan nemen over het welzijn van de minderjarige. De gecertificeerde instelling heeft verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing, omdat de minderjarige onder toezicht is gesteld en niet bij de gezaghebbende ouder woont. Tijdens de zitting op 4 december 2025, waar de moeder en stiefvader niet aanwezig waren, heeft de kinderrechter de noodzaak van de machtiging bevestigd. De kinderrechter oordeelde dat de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige, die bijna achttien jaar oud is. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de beslissing direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De machtiging tot uithuisplaatsing is verleend met ingang van 4 december 2025 tot 8 maart 2026.