De erfgenaam van een overleden verzoekster had beroep ingesteld tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag over woningaanpassingen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. De rechtbank had bij tussenuitspraak geoordeeld dat het bestreden besluit in strijd was met het zorgvuldigheidsbeginsel en motiveringsbeginsel, en het college opgedragen om het gebrek te herstellen.
Na het overlijden van de verzoekster trok haar erfgenaam het beroep in en verzocht om een proceskostenveroordeling tegen het college. Het college verzette zich hier niet tegen en vond een proceskostenveroordeling niet onredelijk.
De rechtbank oordeelde dat het verzoek kennelijk gegrond was en veroordeelde het college tot vergoeding van de proceskosten van €1.814,- en het griffierecht van €51,- aan de verzoekster. De uitspraak werd gedaan zonder zitting en in het openbaar op 18 december 2025.