Eiser, een Iraanse staatsburger en afvallige van de islam, diende op 6 januari 2024 een asielaanvraag in Nederland in. Hij gaf aan vanwege zijn kritiek op de islam en het regime in Iran vervolgd te worden, wat leidde tot een aanklacht en onderduiken voordat hij het land verliet. In Nederland uitte hij zich politiek en islamkritisch, ondersteund met bewijs zoals aanmeldmails en foto's.
De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af omdat hij de problemen van eiser met de autoriteiten vanwege zijn kritiek op de islam niet geloofwaardig achtte. Verweerder vond dat eiser zich bij terugkeer terughoudend kon opstellen en dat er geen reëel risico op ernstige schade bestond.
De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom hij de geloofwaardigheid van deze problemen betwijfelde. Wisselende verklaringen van eiser werden door de rechtbank als begrijpelijk en niet doorslaggevend beoordeeld. Ook het scenario van verraad door een collega werd niet uitgesloten.
Daarom werd het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen met een zorgvuldige beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers relaas en risico’s bij terugkeer. De rechtbank wees proceskosten toe aan eiser. Een aanhouding van de zaak in afwachting van een uitspraak van de hoogste bestuursrechter werd niet nodig geacht.