Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Verweerder heeft in het primaire besluit van 11 september 2023 (UHT-DCH) het verzoek van eiseres om compensatie toegewezen voor de periode van 1 januari tot en met
26 juli 2014, de maand december 2014 en de jaren 2016 tot en met 2018 en afgewezen voor de jaren 2011 tot en met 2013, de periode van 27 juli 2014 tot en met 30 november 2014 en het jaar 2015.
3. Eiseres heeft op 12 oktober 2023 een bezwaarschrift ingediend. De beslistermijn van 24 weken eindigde op 26 februari 2024.
4. Verweerder heeft de ingebrekestelling op 4 maart 2024 ontvangen en op
8 mei 2024 een dwangsombeschikking afgegeven.
5. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het door verweerder niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar. Bij uitspraak van 22 mei 2024 (zaaknummer SGR 24/2325) heeft de rechtbank dat beroep van eiseres gegrond verklaard, bepaald dat verweerder binnen twaalf weken na de datum van het verweerschrift alsnog een besluit op haar bezwaar bekend moet maken en bepaald dat verweerder een dwangsom van € 100 per dag moet betalen voor elke dag dat het de voornoemde termijn overschrijdt met een maximum van € 15.000.
6. Eiseres heeft vervolgens voor de tweede keer beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar. Bij uitspraak van 4 februari 2025 (zaaknummer SGR 24/9797) heeft de rechtbank dit beroep van eiseres gegrond verklaard, bepaald dat verweerder binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend moet maken en bepaald dat verweerder een dwangsom van € 250 per dag moet betalen voor elke dag dat het de voornoemde termijn overschrijdt met een maximum van € 37.500.
7. Eiseres heeft op 25 juli 2025 voor de derde keer beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar, stellende dat verweerder niet aan de opdracht van de rechtbank heeft voldaan. In het beroepschrift heeft eiseres de rechtbank verzocht om voor wat betreft de beslistermijn en de rechterlijke dwangsom aan te sluiten bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 26 maart 2025.
In haar reactie van 31 oktober 2025 heeft eiseres zich nader op het standpunt gesteld dat ditmaal een fors hogere dwangsom op zijn plaats is, zodat een signaal aan verweerder wordt afgegeven dat het niet naleven van de eerdere rechtbankuitspraken onacceptabel is.
8. Verweerder heeft op dit derde beroep van eiseres gereageerd met een verweerschrift met dagtekening 12 augustus 2025 en daarin erkend te laat te zijn met het beslissen op het bezwaar. Ook verweerder verwijst voor het bepalen van de beslistermijn en de rechterlijke dwangsom naar de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025. In de pleitaantekeningen van 5 november 2025 noemt verweerder verder een tweetal knelpunten die volgens hem in algemene zin hebben bijgedragen aan de vertraging in de besluitvorming. Zo heeft de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen te kampen gehad met medewerkers die niet door konden blijven werken vanwege problemen met de Wet
Deregulering Beoordeling Arbeidsrelatiesen ook de stroeve samenwerking met de grotere kantoren heeft een rol gespeeld. Deze kantoren doen veel zaken, zijn moeilijk bereikbaar, zeggen de hoorzittingen vaak op het laatste moment af en zijn nauwelijks beschikbaar voor hoorzittingen bij de bezwaarschriftenadviescommissie, zo stelt verweerder. Ook het uitbreiden van de omvang van de te beoordelen jaren wordt door deze kantoren vaak laat in de procedure ingebracht, met als gevolg dat zaken vertraagd worden afgehandeld omdat er aanvullende beschouwingen geschreven moeten worden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
9. Niet in geschil is dat verweerder ten tijde van het instellen van dit derde beroep niet aan de opdracht van de rechtbank in de uitspraak van 4 februari 2025 heeft voldaan. Evenmin is gebleken dat verweerder inmiddels een besluit op het bezwaar bekend heeft gemaakt. Ook is de maximale rechterlijke dwangsom van € 37.500 inmiddels volgelopen. Het beroep is dus gegrond.
Welke beslistermijnmoet aan verweerder worden opgelegd?
10. Nu verweerder nog steeds geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. In haar uitspraak van 26 maart 2025heeft de Afdeling de beslistermijn die de bestuursrechter oplegt, vastgesteld op 60 weken na de datum waarop de wettelijke beslistermijn voor het nemen van een besluit op bezwaar is verstreken. Dat geldt zowel voor een eerste beroep als voor een herhaald beroep. Is op het moment van de uitspraak van de bestuursrechter die termijn al verstreken, dan hanteert de Afdeling een termijn van twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden. Dit laatste is slechts anders als verweerder onderbouwt waarom een termijn van twee weken wegens bijzondere omstandigheden niet passend is.
11. Verweerder heeft geen redenen aangedragen die in dit individuele geval een andere nadere beslistermijn rechtvaardigen. Aangezien de termijn van 60 weken afliep op
21 april 2025, zal de rechtbank verweerder opdragen binnen een termijn van twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit op het bezwaar aan eiseres bekend te maken.
Welke dwangsommoet aan verweerder worden opgelegd?
12. Ook hierover heeft de Afdeling in haar uitspraak van 26 maart 2025geoordeeld. In het geval dat op het moment van de verzending van de uitspraak de beslistermijn van 60 weken is verstreken, legt de Afdeling een dwangsom op van € 250 per dag waarmee de nadere termijn van twee weken wordt overschreden, met een maximum van € 37.500.
Als in een individueel geval bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan een andere dwangsom worden bepaald.
13. Verweerder heeft op zitting toegelicht dat, hoewel het kantoor van de gemachtigde van eiseres een van de grotere kantoren betreft uit overweging 8, hij op dit moment geen beroep op bijzondere omstandigheden zal doen. Verweerder heeft in dit verband gewezen op het feit dat het primaire besluit dateert van 11 september 2023 en dat sindsdien al meer dan twee jaren zijn verstreken. Verweerder heeft daarom ter zitting ingestemd met een dwangsom van € 250 per dag met een maximum van € 37.500.
14. De rechtbank ziet geen aanleiding daar anders over te oordelen. Er zijn van de zijde van verweerder immers geen bijzondere omstandigheden gesteld die tot een lagere dwangsom zouden moeten leiden. Dat het hier inmiddels gaat om het derde beroep, maakt niet dat, zoals door eiseres bepleit, een hogere dwangsom moet worden opgelegd. Uit wat de rechtbank bekend is over het besluitvormingsproces van verweerder volgt niet dat dat een extra prikkel zou zijn voor verweerder om snel te beslissen. De rechtbank stelt daarom de dwangsom vast op € 250 per dag met een maximum van € 37.500.
15. Eiseres heeft de rechtbank verder nog gevraagd om te bepalen dat verweerder de al aan haar verbeurde dwangsom uitbetaalt. De rechtbank overweegt dat zij die bevoegdheid als bestuursrechter in deze zaak niet heeft. Het uitbetalen van een dwangsom is namelijk een feitelijke handeling en geen besluit in de zin van de Awb. Als verweerder de dwangsom niet betaalt, zal eiseres zich moeten wenden tot de civiele rechter.