ECLI:NL:RBDHA:2025:23965

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
NL25.50825
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 42 Vreemdelingenwet 2000Art. 6:12 AwbArt. 4:17 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens te vroeg ingediend bezwaar tegen niet tijdig beslissen asielaanvraag

Eiser heeft op 25 september 2023 een asielaanvraag ingediend bij de minister van Asiel en Migratie. De minister heeft niet binnen de wettelijke beslistermijn op deze aanvraag beslist. Eiser heeft vervolgens op 3 oktober 2025 een brief gestuurd aan de minister met het verzoek alsnog binnen twee weken te beslissen. Deze brief is op 6 oktober 2025 ontvangen door de minister, waarna de termijn van twee weken op 7 oktober 2025 begon te lopen.

Eiser heeft echter het beroepschrift tegen het niet tijdig beslissen al op 17 oktober 2025 ingediend, terwijl de termijn van twee weken pas op 20 oktober 2025 verstreken was. Hierdoor is het beroep prematuur en voldoet het niet aan de vereisten voor ontvankelijkheid bij een beroep tegen het niet tijdig beslissen.

De rechtbank concludeert daarom dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is en verklaart het beroep niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten aan eiser te vergoeden. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 15 december 2025.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard wegens te vroeg indienen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.50825

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. M.R. van der Pol),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 25 september 2023.
1.1.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Is het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond?
De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn om op de aanvraag te beslissen is verstreken. [2] Eiser heeft de minister met de brief van 3 oktober 2025 gevraagd om alsnog binnen twee weken te beslissen. [3] Deze brief is gelet op de ontvangstbevestiging daarvan op 6 oktober 2025 ontvangen door de minister. De termijn van twee weken vangt aan één dag na ontvangst van de brief waarin eiser de minister heeft gevraagd om alsnog binnen twee weken te beslissen. [4] In het geval van eiser begon deze termijn dus op 7 oktober 2025. De rechtbank stelt vast dat de twee weken daarom zijn verstreken op 20 oktober 2025. Eiser heeft het beroepschrift ingediend op 17 oktober 2025. Het beroep is te vroeg en dus prematuur ingediend en voldoet daarom niet aan de vereisten voor het indienen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen. [5]

Conclusie en gevolgen

2. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. De minister hoeft de proceskosten niet aan eiser te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van
A.S. van der Veen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 42 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
3.Artikel 6:12, tweede lid aanhef en onder a, van de Awb.
4.Artikel 4:17, derde lid, van de Awb.
5.Zoals bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.