ECLI:NL:RBDHA:2025:23963

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
NL25.16031 en NL25.16032
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 7:3 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing tweede aanvraag verblijfsdocument EU/EER wegens ontbreken nieuwe feiten en schending hoorplicht niet vastgesteld

Eiseres, Georgische nationaliteit, diende een tweede aanvraag in voor een verblijfsdocument EU/EER om bij haar partner, een Bulgaarse burger van de Unie, te verblijven. Verweerder wees de aanvraag af omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd ten opzichte van de eerste aanvraag. De rechtbank bevestigt dat de ingediende stukken geen nieuwe feiten bevatten die de eerdere afwijzing konden wijzigen.

Eiseres stelde dat verweerder ook stukken uit een andere procedure had moeten betrekken en dat de hoorplicht was geschonden. De rechtbank oordeelt dat het aan eiseres was om alle relevante stukken in deze procedure te overleggen en dat verweerder terecht van het horen kon afzien omdat geen nieuwe argumenten waren aangevoerd.

Verder is gebleken dat eiseres een derde aanvraag heeft ingediend die nog in behandeling is. De rechtbank wijst erop dat verweerder beter eerst op die aanvraag had kunnen beslissen om beroep te voorkomen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk, waarmee het bestreden besluit in stand blijft.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de tweede aanvraag verblijfsdocument EU/EER wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.16031 en NL25.16032
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. Y. Özdemir),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Amakodo).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de tweede aanvraag van eiseres voor een verblijfsdocument EU/EER, met als doel verblijf bij een burger van de Unie. Ook beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 24 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 7 maart 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, referente, mr. Poyraz als waarnemer van de gemachtigde van eiseres, B. Epozdemir als tolk, en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1989 en heeft de Georgische nationaliteit. Op 12 april 2024 heeft eiseres een tweede aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument voor verblijf bij een burger van de Unie, [naam] (referente). Referente is de gestelde partner van eiseres en heeft de Bulgaarse nationaliteit. Bij beschikking van 24 oktober 2024 heeft verweerder deze aanvraag met toepassing van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verwezen naar het eerdere besluit van 8 december 2023. Volgens verweerder zijn er in de tweede procedure geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten opzichte van de eerste procedure.
3. In de beschikking van 8 december 2023 heeft verweerder de eerste aanvraag van eiseres voor een verblijfsdocument EU/EER voor verblijf bij referente, afgewezen, omdat niet is gebleken dat eiseres en referent al zes maanden vóór de aanvraag feitelijk samenwoonden en een duurzame relatie onderhielden. Een overgelegde relatieverklaring, foto’s en Whatsappberichten waren hiertoe niet voldoende.
4. Eiseres heeft op 23 november 2024 nog een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument voor verblijf bij een burger van de Unie, [naam] (referente). Op deze aanvraag is nog niet beslist.
Wat vindt eiseres in beroep?
5. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert in beroep – kort samengevat – het volgende aan. Het besluit is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en de hoorplicht is geschonden. Eiseres stelt dat op grond van de overgelegde stukken aannemelijk is gemaakt dat er sprake is van een duurzame relatie. Verweerder moest in het bestreden besluit ook de stukken betrekken die eiseres in een andere procedure heeft aangeleverd ter onderbouwing van de duurzame relatie. Daarnaast stelt eisers dat nieuwe feiten en omstandigheden niet de maatstaf is waaraan getoetst moet worden binnen de bezwaarprocedure.
Wat zijn de regels?
6. Als een bestuursorgaan ervoor kiest om op een opvolgende aanvraag met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb te beslissen, volgt uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter het volgende [1] . De bestuursrechter toetst in een dergelijke situatie of het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn [2] . Verder volgt ook uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter, dat onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden wordt begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerder besluit zijn voorgevallen, maar niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd [3] . Nieuwe gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden worden overgelegd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden bij de herhaalde aanvraag van 12 april 2024 ten opzichte van de eerste aanvraag van 26 mei 2023.
7.1.
De stukken die eiseres heeft overgelegd bij de aanvraag van 12 april 2024, gelden naar het oordeel van de rechtbank niet als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. De rechtbank volgt verweerder in de stelling dat de loonstroken, werkgeversverklaring en arbeidsovereenkomst van referente geen nieuwe omstandigheden aantonen. De overgelegde stukken bevatten namelijk inhoudelijk geen andere informatie dan de documenten die al bij de primaire aanvraag zijn ingediend en meegewogen. De registratiekaart en het paspoort zijn niet inhoudelijk relevant voor het onderbouwen van de duurzame relatie. De relatieverklaring, met een andere ingangsdatum van het feitelijk samenwonen dan bij de eerste aanvraag, stelt dat eiseres en referente sinds 28 november 2023 samenwonen. Bij de eerste aanvraag was deze datum 1 april 2023 maar niet is gebleken dat eisers en referente vanaf die datum feitelijk samenwoonden. Bij de eerste aanvraag heeft eiseres reeds een uittreksel uit de BRP [4] overgelegd, waaruit blijkt dat dat eiseres en referente vanaf 28 november 2023 op hetzelfde adres staan ingeschreven. Ten tijde van de eerste aanvraag, stonden eiseres en referente nog geen zes maanden op hetzelfde adres ingeschreven, dus was nog geen sprake van een gemeenschappelijk huishouden van zes maanden. Ook ten tijde van de tweede aanvraag stonden eiseres en referente nog geen zes maanden ingeschreven op hetzelfde adres. Van een nieuw feit of omstandigheid is dan ook geen sprake.
7.2.
Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder de stukken uit de zienswijze van 7 november 2023 in een andere procedure ook in deze beoordeling moest betrekken. Anders dan eiseres heeft betoogd, was het echter aan eiseres om de stukken die zij in andere procedures heeft overgelegd, ook in deze procedure over te leggen. Eiseres heeft voldoende mogelijkheid gehad deze stukken bij haar aanvraag en in de bezwaarfase te overleggen. Bij brief van 12 december 2024 heeft eiseres verzocht om een termijn van een week om nadere stukken in te dienen, dit heeft zij nagelaten te doen en het is niet duidelijk waarom dit niet is gebeurd. Eiseres heeft deze stukken uiteindelijk pas in de beroepsfase overgelegd. De rechtbank ziet in deze stukken daarom geen aanleiding voor de conclusie dat verweerder het bestreden besluit onzorgvuldig heeft voorbereid.
7.3.
De rechtbank neemt mee dat eiseres op 23 november 2024 een derde aanvraag heeft ingediend om bij referente te mogen verblijven. Ter zitting is duidelijk geworden dat de derde aanvraag nog open staat. Verweerder zal in die procedure nog een besluit moeten nemen met de (nieuwe) stukken die daar wel zijn overgelegd. Het valt eiseres te verwijten dat zij de nieuwe stukken niet ook in deze procedure heeft ingebracht, maar het had volgens de rechtbank wel in de rede gelegen voor verweerder om op de derde aanvraag te beslissen alvorens te beslissen op het bezwaar in de tweede procedure. Dat had wellicht kunnen voorkomen dat eiseres beroep moest instellen tegen het bestreden besluit.
7.4.
Met betrekking tot de hoorplicht is de rechtbank van oordeel dat verweerder van het horen af mocht zien. Uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat de beslissing of van het horen in bezwaar mag worden afgezien wordt gegrond op wat in het bezwaarschrift is gesteld en niet op grond van stukken die betrokkene mogelijkerwijs nog over zou kunnen leggen. [5] Verweerder heeft bij de eerste aanvraag opgesomd welke stukken mogelijk overgelegd kunnen worden om te onderbouwen dat eiseres en referente al minstens zes maanden een duurzame relatie hebben. Eiseres heeft in bezwaar geen nieuwe aanvullende stukken overgelegd en ook geen verklaring gegeven voor het niet overleggen van de gevraagde stukken. Voor eiseres was het wel duidelijk wat voor stukken overgelegd moesten worden. Met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb mag verweerder van het horen in bezwaar afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de motivering van het besluit van 24 oktober 2024 en wat eiseres daartegen in bezwaar heeft aangevoerd, is in dit geval voldaan aan de maatstaf om van het horen af te zien.
7.5.
Gelet op al het voorgaande mocht verweerder de tweede aanvraag afdoen als een herhaalde aanvraag.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
9. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en niet langer sprake is van connexiteit. [6]

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie artikel 4:6 van Pro de Awb.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, van 23 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3131.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, van 11 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4360.
4.Basisregistratie Personen.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, uitspraak van 11 september 2025, ECLI:RVS:2025:4360.
6.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.