ECLI:NL:RBDHA:2025:23958

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
NL25.21068 en NL25.21069
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 3.48 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 3.71 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verblijfsvergunning tijdelijke humanitaire gronden wegens ontbreken beschermwaardig familie- en gezinsleven

Eiseres, een Marokkaanse vrouw geboren in 1962, verzocht om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op tijdelijke humanitaire gronden als slachtoffer van eergerelateerd geweld. De minister van Asiel en Migratie wees dit verzoek af omdat eiseres geen geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) had en niet voldeed aan de voorwaarden voor vrijstelling daarvan. Tevens werd geoordeeld dat zij geen beschermwaardig familie- of gezinsleven had op grond van artikel 8 EVRM Pro, omdat geen familierechtelijke relatie met haar gestelde familieleden was aangetoond en er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid waren.

Eiseres stelde in beroep dat er sprake was van een verboden onderscheid op grond van nationaliteit en dat zij wel degelijk een beschermwaardig familie- en gezinsleven had, onder meer omdat zij ruim twintig jaar bij haar zus woonde en een belangrijke rol in het gezin vervulde. Ook voerde zij aan dat de hoorplicht was geschonden en dat het opleggen van een terugkeerbesluit en SIS-signalering onrechtmatig was.

De rechtbank oordeelde dat de familierechtelijke relatie niet was aangetoond en dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat er geen bijkomende afhankelijkheidselementen waren. De rechtbank vond dat verweerder alle relevante individuele aspecten had betrokken en dat het privéleven van eiseres niet uitzonderlijk was, mede omdat het was opgebouwd tijdens onrechtmatig verblijf. De hoorplicht was niet geschonden omdat geen nieuwe omstandigheden waren aangevoerd. Het terugkeerbesluit en de SIS-signalering werden gehandhaafd. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.21068 en NL25.21069
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiseres], V-nummer: [v-nummer], eiseres/verzoekster (hierna: eiseres)

(gemachtigde: mr. S. Karkache),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Amakodo).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter haar verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 16 januari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 9 april 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder. Ook aanwezig was een nicht van eiseres, die ook als tolk heeft opgetreden.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1962 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Zij heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘tijdelijke humanitaire gronden’ als slachtoffer van eergerelateerd geweld. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen omdat eiseres geen geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) heeft en niet in aanmerking komt voor vrijstelling van dit vereiste. Eén van de redenen waarom eiseres geen vrijstelling krijgt, is dat haar uitzetting niet in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM. [1] Eiseres heeft namelijk onder dat artikel geen beschermenswaardig familie- of gezinsleven, nu geen familierechtelijke relatie is gebleken tussen eiseres en haar gestelde familieleden. Daar komt bij dat tussen eiseres en de gestelde familieleden geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. Verweerder heeft daarom geen belangenafweging gemaakt wat betreft familie- en gezinsleven. Verweerder neemt aan dat eiseres in Nederland privéleven heeft, maar de belangenafweging in dat kader valt in haar nadeel uit omdat zij dit privéleven tijdens onrechtmatig verblijf heeft opgebouwd en de omstandigheden niet uitzonderlijk zijn. Ook wordt eiseres niet vrijgesteld van het mvv-vereiste omdat er niet zowel in Nederland als in het land van herkomst sprake is van een dreiging van eergerelateerd geweld. [2]
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert het volgende aan.
Allereerst is het onderscheid tussen onderdanen van landen die zijn vrijgesteld van het mvv-vereiste en onderdanen van landen die daarvan niet zijn vrijgesteld een verboden onderscheid op grond van nationaliteit, ras en etniciteit. Daar komt bij dat eiseres wel degelijk beschermenswaardig familie- en gezinsleven heeft in Nederland, nu zij al ruim twintig jaar bij het gezin van haar zus woont en als tweede moeder geldt voor de kinderen van haar zus. Eiseres heeft geen banden meer met haar broers in Marokko en kon daar niet blijven omdat zij werd mishandeld en gevaar loopt op eerwraak nadat zij is verkracht. Ook heeft verweerder de hoorplicht in bezwaar geschonden. Tot slot was het onrechtmatig om eiseres een terugkeerbesluit en een SIS-signalering op te leggen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank geeft eiseres geen gelijk en overweegt daartoe als volgt.
Het familie- en gezinsleven
5. De rechtbank is allereerst van oordeel dat verweerder geen familie- en gezinsleven tussen eiseres en de gestelde familieleden hoefde aan te nemen, omdat de familierechtelijke relatie tussen hen niet is gebleken. Eiseres heeft weliswaar in de bezwaarfase kopieën van de identiteitskaarten van haar gestelde nichten overgelegd, maar hieruit volgt niet wat de familierelatie tussen hen is. Ook het bij de aanvraag overgelegde rapport van Presentie Zorg gaat weliswaar over eiseres en haar zus en nichten, maar laat niet zien dat tussen hen een familierechtelijke relatie bestaat. Alleen al daarom hoefde verweerder tussen eiseres en haar gestelde familieleden geen familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM aan te nemen. Daarom hoefde verweerder ook geen belangenafweging te maken en hoefde verweerder eiseres niet vrij te stellen van het mvv-vereiste vanwege haar familie- en gezinsleven.
5.1.
Ondanks het gegeven dat de familierechtelijke relatie niet vast is komen te staan, heeft verweerder toch beoordeeld of er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en haar gestelde familieleden die maken dat er sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Daarover oordeelt de rechtbank dat verweerder heeft kunnen concluderen dat er tussen eiseres en de gestelde familieleden geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Verweerder heeft bij de beoordeling de over en weer gegeven zorg, het samenwonen, de mogelijkheden voor eiseres om hulp te krijgen in Marokko en de financiële ondersteuning van de neven en nichten aan eiseres betrokken. Ook in het rapport van Presentie Zorg hoefde verweerder geen aanleiding te zien om te concluderen dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting toegelicht dat het gaat om een rapport van een maatschappelijke organisatie opgesteld in het kader van deze aanvraagprocedure. Hierin komt naar voren dat eiseres en de neven en nichten hebben verklaard dat zij over en weer zorgtaken hebben verricht. Dit is echter niet gebleken uit stukken en niet duidelijk is of zij (nog) van elkaars zorg afhankelijk zijn. Ook de stelling dat de familieleden eiseres financieel onderhouden, is niet met stukken onderbouwd, zodat daaruit geen financiële afhankelijkheid volgt. Daar komt bij dat niet is gebleken dat financiële hulp niet op afstand gegeven kan worden. Verweerder mocht zich, anders dan eiseres heeft betoogd, ook op het standpunt stellen dat niet is gebleken dat eiseres al ruim twintig jaar inwoont bij het gezin. Dat eiseres sinds 31 oktober 2023 staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen, doet hier niet aan af. Verweerder heeft er namelijk op mogen wijzen dat uit die registratie niet kan worden afgeleid dat eiseres feitelijk samenwoont met de genoemde familieleden of dit heeft gedaan voor 2023. Tot slot mocht verweerder zich in reactie op de stelling van eiseres dat zij geen contact meer heeft of kan hebben met haar broers in Marokko, op het standpunt stellen dat niet is gebleken dat zij van hen afhankelijk is of dat zij niet via een andere weg hulp zou kunnen krijgen.
5.2.
Uit uitspraken van de hoogste bestuursrechter [3] volgt dat verweerder mag volstaan met de vaststelling dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, als verweerder daarbij alle relevante individuele aspecten heeft betrokken. Verweerder hoeft in dat geval niet de belangen van de Nederlandse Staat af te wegen tegen de belangen van de betrokken vreemdeling. Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen heeft verweerder alle relevante individuele aspecten betrokken en daaruit kunnen concluderen dat er geen sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM.
5.3.
Niet in geschil is dat eiseres wel privéleven heeft opgebouwd in Nederland, maar dit is niet uitzonderlijk, de banden met Nederland zijn niet sterker dan die met Marokko en eiseres heeft het privéleven opgebouwd terwijl zij geen rechtmatig verblijf had. Dus ook in het privéleven van eiseres hoefde verweerder geen aanleiding te zien eiseres vrij te stellen van het mvv-vereiste.
De hoorplicht
6. De rechtbank volgt het standpunt van eiser niet dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. Van het horen in bezwaar mag pas worden afgezien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een andersluidend oordeel kunnen leiden. Gelet op de motivering van het primaire besluit en de inhoud van de gronden van het bezwaar van eiser, mocht verweerder afzien van het horen van eiser. In de gronden van het bezwaar heeft eiseres namelijk, zoals verweerder heeft betoogd, geen nieuwe omstandigheden naar voren gebracht met betrekking tot artikel 8 van Pro het EVRM en geen gronden aangevoerd over het eergerelateerd geweld. Daarnaast heeft eiseres niet onderbouwd wat zij tijdens een hoorzitting naar voren had willen brengen.
Het mvv-vereiste
7. De rechtbank komt niet toe aan een beoordeling van de beroepsgrond dat het mvv-vereiste in strijd zou zijn met de Grondwet en Verdragen. Uit het bestreden besluit vloeit namelijk voort dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden op grond waarvan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden verleend aan een slachtoffer van eergerelateerd geweld. Er is namelijk niet zowel in haar land van herkomst als in Nederland sprake van een dreiging met eergerelateerd geweld. Dat is op zichzelf een reden voor afwijzing van de gevraagde verblijfsvergunning. [4] Zelfs al zou eiseres worden vrijgesteld van het mvv-vereiste (bijvoorbeeld op grond van haar nationaliteit), dan nog zou verweerder de aanvraag afwijzen. Dit betekent dat verweerder de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd mocht afwijzen.
Het terugkeerbesluit en de SIS-signalering
8. Nu verweerder de aanvraag van eiseres mocht afwijzen, houden ook het terugkeerbesluit en de SIS-signalering stand. De grond van eiseres dat deze niet mochten worden opgelegd omdat er geen sprake is van illegaal verblijf vanwege de lopende procedure, slaagt niet. Procedureel rechtmatig verblijf staat namelijk naar het oordeel van de rechtbank niet in de weg aan uitvaardiging van een terugkeerbesluit en de SIS-signalering. Eiseres heeft ook niet op een andere grond rechtmatig verblijf.
8.1.
Verweerder mocht er tot slot op wijzen dat, als eiseres meent niet terug te kunnen keren naar Marokko vanwege het risico op eergerelateerd geweld, zij dit in een asielprocedure aan de orde kan stellen.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
9.1.
Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit. [5]
9.2.
Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Zie artikel 3.71, tweede lid, onder q en artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder e van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) en paragraaf C/B8.2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).
4.Zie artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder e van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) en paragraaf B8/2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).
5.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.