6.3.Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft brand gesticht in zijn eigen woning door met een aansteker een deken in de buurt van een kast aan te steken. De verdachte zag het leven niet meer zitten en het was een schreeuw om aandacht.
Na het aansteken van de brand is de verdachte naar eigen zeggen direct naar buiten gegaan en heeft hij zijn buren gewaarschuwd en de brandweer gebeld. De verdachte heeft de voordeur open gezet, zodat de brandweer zonder problemen naar binnen kon. De brandweer was vervolgens snel ter plaatse en heeft de brand geblust. Desalniettemin is er forse schade ontstaan aan de woning, die de verdachte huurde van Stichting Hof Wonen. Ook buiten de woning van de verdachte is schade ontstaan door de brand. In het trappenhuis van het appartementencomplex waarvan de woning van de verdachte deel uitmaakt en in de bovengelegen portieken is er roetaanslag ontstaan.
Naast het feit dat de brandstichting veel schade, overlast en hinder heeft veroorzaakt, is het feit ook voor de samenleving zeer verontrustend. Brandstichting is een zeer ernstig feit, met name vanwege de gevaarzetting en de verstrekkende gevolgen die het kan hebben. Gelet op de ernst van dit feit, acht de rechtbank oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel aangewezen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 23 november 2025. Daaruit volgt dat er in 2021 een zaak tegen de verdachte is geseponeerd vanwege de gezondheidstoestand van de verdachte. Ook volgt uit het strafblad dat de verdachte in 1993 in een psychiatrisch ziekenhuis is geplaatst en de verdachte in 1992 ook is veroordeeld voor brandstichting. Gelet op het grote tijdsverloop, zal de rechtbank deze veroordeling niet in strafverzwarende zin meewegen bij de bepaling van de hoogte van de straf.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank kennisgenomen van de Pro Justitia dubbelrapportage van psychiater dr. [naam] van 24 augustus 2025. Daaruit volgt dat de verdachte lijdt aan een psychische stoornis in de vorm van chronische schizofrenie. Daarnaast is voor zover bekend sprake van een stoornis in het gebruik van middelen in langdurige remissie. Ook tijdens de brandstichting was er sprake van chronische schizofrenie en deze stoornis beïnvloedde de verdachte zijn gedragskeuzen en gedragingen op dat moment. Daarom heeft de psychiater geadviseerd de brandstichting in een verminderde mate toe te rekenen. Het risico op recidive wordt als hoog ingeschat. Geadviseerd wordt het recidiverisico te beperken door klinische psychiatrische behandeling van de chronische schizofrenie van de verdachte met aansluitende resocialisatie naar beschermd wonen in en vanuit een Forensisch Psychiatrische Afdeling in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel, onder toezicht van de reclassering.
Gezien het hoge recidiverisico, met name de voorgeschiedenis van de verdachte van eerdere brandstichting, kan worden overwogen langdurig toezicht mogelijk te maken door oplegging van de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel, aldus de psychiater. De verdachte heeft instemmend gereageerd op de conclusies en het advies van de psychiater.
De rechtbank is van oordeel dat het rapport van de psychiater deugdelijk is gemotiveerd en dat de overwegingen in dit rapport de conclusies kunnen dragen. De rechtbank neemt die conclusies dan ook over en zal het bewezenverklaarde in verminderde mate aan de verdachte toerekenen.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 19 november 2025. De reclassering ziet delictgerelateerde en risicoverhogende factoren op vrijwel alle leefgebieden en schat het risico op recidive als hoog in. De reclassering sluit zich aan bij het advies van de gedragsdeskundige van het NIFP betreffende klinische psychiatrische behandeling met aansluitende resocialisatie naar beschermd wonen in en vanuit een Forensisch Psychiatrische Afdeling. Hierbij kan oplegging van de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel worden overwogen. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem op te leggen een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht bij reclassering (na afspraak), opname in een zorginstelling, ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname) en begeleid wonen of maatschappelijke opvang. Ook adviseert de reclassering dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarden en het toezicht. Als de geadviseerde voorwaarden worden overgenomen, adviseert de reclassering dat zij opdracht krijgt om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte daarbij te begeleiden. Bij een veroordeling tot een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf adviseert de reclassering verder een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr op te leggen, zodat gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden toegepast kunnen worden na de gevangenisstraf.
De rechtbank neemt de conclusies van de reclassering over en maakt deze tot de hare.
Straf en maatregel
De rechtbank merkt op dat gezien de ernst van de feiten in beginsel een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats zou zijn. Echter gelet op het voorgaande en met het oog op wat door de officier van justitie en de verdediging ter terechtzitting naar voren is gebracht, zal de rechtbank geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen die langer duurt dan tot het moment waarop er niet langer een wachtlijst is voor de opname van de verdachte in een zorginstelling, te weten eind februari 2026. De rechtbank is van oordeel dat, zoals de verdachte ook zelf erkent, het van belang is dat de verdachte op dat moment doorstroomt naar een zorginstelling, zodat zijn chronische schizofrenie kan worden behandeld en dat de maatschappij hier ook meer bij gebaat is.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. Daarbij houdt de rechtbank zoals gezegd rekening met de omstandigheid dat het bewezenverklaarde in verminderde mate aan de verdachte wordt toegerekend.
Al het voorgaande afwegende, is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is. Daarvan zullen 10 maanden voorwaardelijk worden opgelegd met daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Aan deze voorwaardelijke straf wordt een proeftijd verbonden voor de duur van drie jaren, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen.
Gelet op het rapport van de psychiater, het reclasseringsadvies en het daarin tot uitdrukking gebrachte hoge risico op recidive, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom zal zij bevelen dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaar zijn.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
De rechtbank legt op een maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z lid 1 Sr. Naar het oordeel van de rechtbank is de oplegging van de maatregel in het belang van de bescherming van de algemene veiligheid van personen of goederen. De rechtbank heeft daarbij gelet op het feit dat de verdachte in het verleden eerder brand heeft gesticht, hij het plan voor de brandstichting van 29 juni 2025 al een paar dagen eerder had opgevat en – na kennelijk beraad – dit plan daadwerkelijk heeft uitgevoerd. Daarnaast slaat de rechtbank acht op het gevaarzettende karakter van brandstichting, zowel voor goederen als personen, in combinatie met het feit dat het recidiverisico door de psychiater en de reclassering als hoog worden ingeschat.